L.E.J.Brouwer





L. E. J. Brouwer
1881-1966

Zie (niet-mobiele) website:
www.levenkunstmystiek.info

Pijltje Voorpagina

DE AMSTERDAMMER, WEEKBLAD VOOR NEDERLAND
8 Sept. ’16 – No. 2046

Een machtig brouwsel I
Commentaar van Frederik van Eeden op Leven, Kunst en Mystiek 1916

Het is ongelofelijk! meer dan tien jaren ligt dat stuk proza openlijk ter lezing. Enige honderden hebben het de schrijver horen voordragen, en vermoedelijk hebben nog enige honderden het gelezen. En niemand kent het, niemand praat erover, het ligt daar maar stil, in zijn lieve witte omslag, met zijn dreigende, verschrikkelijke zwarte woorden – en rondom lacht en zwatelt en zwendelt de bende, en filosofeert en danst en schiet elkaar dood – terwijl de sombere Brouwer van dat hels-hemelse brouwsel vrij rondloopt, nu eens in een net colbertje, dan weer in een deftige toga, en door iedereen wordt beschouwd als een in onze samenleving passend, min of meer interessant en niet alleen onschadelijk, maar zelfs zeer achtenswaardig en nuttig individu.
Ongelofelijk is het. Een verbijsterend bewijs van de wezenloze vaagheid, de suffe sleur, de ontoerekenbaarheid van de menigte.
De mensenwereld schijnt mij een grote kinderpartij, waar de lieve kleintjes dansen en krakelen in hun beste pakjes – en in het midden van de pret ligt een groot ding, niemand let er op, het lijkt wel dood – wat is het? Een kussen? Een crapaud? Kom er eens dicht bij en bekijk het eens goed. Een sidderend lichte beweging, een paar strakke ogen, een snel uitgeschoten tongetje – het ding leeft hoor! Een grote boa. Pas op, kindertjes.

 Verbaasd vragen de lezers waar ik het over heb. Ze hebben nooit zo iets gevaarlijks opgemerkt, en geloven ook niet dat een stuk proza zoveel kwaad kan.
Ik heb het over een boekje, getiteld Leven, Kunst en Mystiek – voordracht in Delft gehouden voor het gezelschap Vrije Studie in 1905, door de toenmalige student L.E.J. Brouwer, thans professor in de mathésis aan de Amsterdamse Universiteit en lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen.
Begrijpt mij nu wel, kindertjes! Ik zelf vind die boa niet zulk een lelijk beest. Ik vind hem prachtig en machtig – hoewel ik een en ander op hem aan te merken heb – en hem beter op zijn plaats vind in de wildernis dan op ons kinderbal.
Maar gij! – kindertjes! – gij behoort hem te vrezen, te verafschuwen, te verfoeien – gij behoort onmiddellijk op de vlucht te slaan en de politie te waarschuwen, en de brandweer op te schellen en een aantal ervaren oppassers van Artis te laten komen, met touwen en strikken en wat verder nodig is om zulk een ongure gast te breidelen en veilig achter de dikke glasruiten van het reptielenhuis te bergen, waar hij straffeloos kan worden aangegaapt, met griezeling bewonderd en in zijn geheimzinnig ijzing-wekkend leven bestudeerd.
Deze honderd bladzijden Hollands proza zijn wel de machtigste, maar ook de verschrikkelijkste, naar mijn mening, die in deze eeuw zijn gepubliceerd. Ze zijn schoon en diep en vol waarheid. Maar ze zijn fel revolutionair, volstrekt-vijandig aan onze gehele maatschappij. Ze gaan regelrecht in tegen de orde, het geloof en het recht van de mensen.
Daarin komen ze overeen met vele profetenwoorden – en het zou bijna een belachelijke inconse-quentie, een onvergefelijke onbenulligheid zijn, als de mensheid, die Socrates vergiftigde, de profeten stenigde, Jezus kruiste en Bruno verbrandde, deze geweldige onheilbrouwer liet rondlopen zonder hem op te knopen of ten minste achter prikkeldraad te interneren.
En ziet! – de man is professor aan de Amsterdamse Universiteit en lid van de Koninklijke Academie. En dat is hij alles geworden na de publicatie van dat stoute stuk. Is hij er soms van teruggekomen? Heeft hij zijn woorden ingetrokken? Ik heb er niets van vernomen. Ik meen zeker te weten van niet.
Maar lieve hemel, wat voor soezebollen zitten er dan toch in de academische- en regerings-lichamen! kunnen die mensen alleen cijferen en administreren – en helemaal geen Hollands lezen?
Ze moeten toch, vóór zijn benoeming kennis genomen hebben van al zijn geschriften, ook van dit geschrift.
Nu zijn Excellenties en Hooggeleerden, als het algemeen menselijke wijsheid geldt, soms merkwaardig incompetent. Vooral in onze dagen is dat op pijnlijke wijze aan het licht gekomen.

Bovenkant Bovenkant

Men moet aannemen dat ze eigenlijk, in wijsgerige zaken, geen ernst van onzin kunnen onderscheiden. Ze hebben over die honderd bladzijden heen gelezen en gedacht: “nu ja! dat is maar zo wat fantastisch gezwets van een onbesuisde jongeling. Dat telt niet mee. Daar meent hij natuurlijk niets van. Wij hebben alleen met zijn mathematisch vernuft te maken. Dat is geniaal en solide. Ergo, wij negeren die buitensporigheden, die hij zelf wel gauw vergeten zal, en wij nemen hem op in onze officiële, academische Hemel, waar hij tronen mag tussen de gelauwerden en geridderden, en zich zonder twijfel spoedig even bezadigd, even correct—wetenschappelijk en fatsoenlijk gedragen zal als wij allen.”
Deze houding is echter min of meer ridicuul. Ze schijnt te getuigen van een hoge wetenschappelijke neutraliteit. Maar in waarheid bewijst ze onwetendheid in de hoogste geestesfuncties van de mens, en onbekwaamheid in het lezen en verstaan van onze taal.
 Want het meest opvallende in die honderd bladzijden proza is het met nadruk verwerpen van het menselijk intellect als hoogste geestelijke functie. Daardoor stelt de schrijver die kleine brochure zelf nadrukkelijk boven zijn mathematisch-wetenschappelijke prestaties, en de Excellenties en Hoog-geleerden hadden zich behoren af te vragen, of het pas gaf, en overeenkwam met de waardigheid van de Staat, en van de officiële wetenschap, zulk een aartsketter in hun midden op te nemen.

Misschien denken sommigen mijner lezers aan de benoeming van professor Bolland, als een soortgelijk geval. Maar dat heeft er niets van. Bolland is wat zonderling, wat eigengereid, wat ruw in zijn optreden, wat bazig in zijn houding, maar Bolland is geen ketter. Hij gelooft in de zuivere Rede, in het intellect, in de wetenschap – al acht hij zijn wetenschap de vorstin aller wetenschappen.
Maar Brouwer is een echte ketter, en staat ketters tegenover het ganse geestesleven van de mensheid waarin hij verkeert. Hij spreekt van “zonden der Wetenschap” – van “het geloof aan een werkelijkheid” en van “het logische denken” als van dwalingen, aardse banden waaruit wij verlost moeten worden. Hij spreekt van het verstand als een geschenk des Duivels, waarvan men zich ontdoen moet.
Bij zulke ketterijen vergeleken, is de leer van Bolland onschadelijk conventioneel gebabbel.

Nu komt het wel voor, dat begaafde jonge mensen, door onvoldoende studie, door gebrek aan een kritische omgeving, door dilettantisme dus, aan het dóórslaan gaan, en pennevruchten publiceren, waarvoor ze zich later schamen.
Er zijn ook permanente warhoofden, die er van alles uitflappen, luk raak, soms schijnbaar zeer diep, soms bespottelijk en er hun leven lang niet aan toekomen om zich daarover te schamen.
Maar de drieëntwintigjarige student, die de honderd bladzijden proza schreef, was geen warhoofd, Warhoofden kunnen nog wel eens bij vergissing of door protectie professor worden – maar leden van de Academie worden ze niet.
En evenmin was de student Brouwer een dilettant, van het slag Piet Pijl. Hij weet drommels goed wat hij zegt, elk woord is zwaar van innerlijk welbeproefde overtuiging. En hij weet niet minder secuur wat er over de onderwerpen die hij bespreekt reeds in de wereld is gezegd.
Het is dus in elk opzicht gewenst en de moeite waard zijn geschrift met de grootste zorg en aandacht te bestuderen en te bespreken.

Ik hoop dat de lezer mij hierin geduldig zal willen volgen.

FREDERIK VAN EEDEN

Zie volledige (niet-mobiele) versie:
www.levenkunstmystiek.info

PijltjeVoorpagina         Pijltje Bovenkant