DE
AMSTERDAMMER, WEEKBLAD VOOR NEDERLAND
8
Sept. ’16 – No. 2046
Een machtig brouwsel I
Commentaar
van Frederik van Eeden op Leven, Kunst en Mystiek 1916
Het
is ongelofelijk! meer
dan tien jaren
ligt dat stuk proza openlijk ter lezing. Enige honderden hebben het de
schrijver horen voordragen, en vermoedelijk hebben nog enige honderden
het gelezen.
En niemand kent het, niemand praat erover, het ligt daar maar stil, in
zijn
lieve witte omslag, met zijn dreigende, verschrikkelijke zwarte woorden
– en
rondom lacht en zwatelt en zwendelt de bende, en filosofeert en danst
en schiet
elkaar dood – terwijl de sombere Brouwer van dat hels-hemelse brouwsel
vrij
rondloopt, nu eens in een net colbertje, dan weer in een deftige toga,
en door
iedereen wordt beschouwd als een in onze samenleving passend, min of
meer
interessant en niet alleen onschadelijk, maar zelfs zeer achtenswaardig
en
nuttig individu.
Ongelofelijk
is het. Een
verbijsterend
bewijs van de wezenloze vaagheid, de suffe sleur, de ontoerekenbaarheid
van de menigte.
De
mensenwereld schijnt mij
een grote
kinderpartij, waar de lieve kleintjes dansen en krakelen in hun beste
pakjes –
en in het midden van de pret ligt een groot ding, niemand let er op,
het lijkt
wel dood – wat is het? Een kussen? Een crapaud? Kom er eens dicht bij
en bekijk
het eens goed. Een sidderend lichte beweging, een paar strakke ogen,
een snel
uitgeschoten tongetje – het ding leeft hoor! Een grote boa. Pas op,
kindertjes.
Verbaasd
vragen
de
lezers
waar ik het over
heb. Ze hebben nooit zo iets gevaarlijks opgemerkt, en geloven ook niet
dat een
stuk proza zoveel kwaad kan.
Ik
heb het over een boekje,
getiteld Leven,
Kunst en Mystiek – voordracht in Delft gehouden voor het gezelschap
Vrije
Studie in 1905, door de toenmalige student L.E.J. Brouwer, thans
professor in
de mathésis aan de Amsterdamse Universiteit en lid van de
Koninklijke Academie
van Wetenschappen.
Begrijpt
mij nu wel,
kindertjes! Ik zelf
vind die boa niet zulk een lelijk beest. Ik vind hem prachtig en
machtig –
hoewel ik een en ander op hem aan te merken heb – en hem beter op zijn
plaats vind
in de wildernis dan op ons kinderbal.
Maar
gij! – kindertjes! –
gij behoort hem
te vrezen, te verafschuwen, te verfoeien – gij behoort onmiddellijk op
de
vlucht te slaan en de politie te waarschuwen, en de brandweer op te
schellen en
een aantal ervaren oppassers van Artis te laten komen, met touwen en
strikken
en wat verder nodig is om zulk een ongure gast te breidelen en veilig
achter de
dikke glasruiten van het reptielenhuis te bergen, waar hij straffeloos
kan
worden aangegaapt, met griezeling bewonderd en in zijn geheimzinnig
ijzing-wekkend
leven bestudeerd.