Zie
(niet-mobiele) website:
www.levenkunstmystiek.info
Leven, Kunst en Mystiek, hertaling 2005
DE
AMSTERDAMMER, WEEKBLAD VOOR NEDERLAND
8
Sept. ’16 – No. 2046
EEN
MACHTIG
BROUWSEL I
Het
is
ongelofelijk! meer dan tien jaren ligt dat stuk proza openlijk ter
lezing.
Enige honderden hebben het de schrijver horen voordragen, en
vermoedelijk
hebben nog enige honderden het gelezen. En niemand kent het, niemand
praat
erover, het ligt daar maar stil, in zijn lieve witte omslag, met zijn
dreigende, verschrikkelijke zwarte woorden – en rondom lacht en zwatelt
en
zwendelt de bende, en filosofeert en danst en schiet elkaar dood –
terwijl de
sombere Brouwer van dat hels-hemelse brouwsel vrij rondloopt, nu eens
in een
net colbertje, dan weer in een deftige toga, en door iedereen wordt
beschouwd
als een in onze samenleving passend, min of meer interessant en niet
alleen
onschadelijk, maar zelfs zeer achtenswaardig en nuttig individu.
Ongelofelijk
is het. Een verbijsterend bewijs van de wezenloze vaagheid, de suffe
sleur, de
ontoe-rekenbaarheid van de menigte.
De
mensen-wereld schijnt mij een grote kinderpartij, waar de lieve
kleintjes
dansen en krakelen in hun beste pakjes – en in het midden van de pret
ligt een
groot ding, niemand let er op, het lijkt wel dood – wat is het? Een
kussen? Een
crapaud? Kom er eens dicht bij en bekijk het eens goed. Een sidderend
lichte
beweging, een paar strakke ogen, een snel uitgeschoten tongetje – het
ding
leeft hoor! Een grote boa. Pas op, kindertjes.
Verbaasd
vragen de lezers waar ik het over heb. Ze hebben nooit zo iets
gevaarlijks
opgemerkt, en geloven ook niet dat een stuk proza zoveel kwaad kan.
Ik heb
het over een boekje, getiteld Leven, Kunst en Mystiek – voordracht in
Delft
gehouden voor het gezelschap Vrije Studie in 1905, door de toenmalige
student
L.E.J. Brouwer, thans professor in de mathésis aan de
Amsterdamsche Universiteit
en lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen.
Begrijpt
mij nu wel, kindertjes! Ik zelf vind die boa niet zulk een lelijk
beest. Ik
vind hem prachtig en machtig – hoewel ik een en ander op hem aan te
merken heb
– en hem beter op zijn plaats vind in de wildernis dan op ons kinderbal.
Maar gij!
– kindertjes! – gij behoort hem te vrezen, te verafschuwen, te
verfoeien – gij
behoort onmiddellijk op de vlucht te slaan en de politie te
waarschuwen, en de
brandweer op te schellen en een aantal ervaren oppassers van Artis te
laten
komen, met touwen en strikken en wat verder nodig is om zulk een ongure
gast te
breidelen en veilig achter de dikke glasruiten van het reptielen-huis
te
bergen, waar hij straffeloos kan worden aangegaapt, met griezeling
bewonderd en
in zijn geheimzinnig ijzingwekkend leven bestudeerd.
Deze
honderd bladzijden Hollandsch proza zijn wel de machtigste, maar ook de
verschrikkelijkste, naar mijn mening, die in deze eeuw zijn
gepubliceerd. Ze
zijn schoon en diep en vol waarheid. Maar ze zijn fel revolutionair,
volstrekt-vijandig aan onze gehele maatschappij. Ze gaan regelrecht in
tegen de
orde, het geloof en het recht van de mensen.
Daarin
komen ze overeen met vele profeten-woorden – en het zou bijna een
belachelijke
inconsequentie, een onvergefelijke onbenulligheid zijn, als de
mensheid, die
Socrates vergiftigde, de profeten stenigde, Jezus kruiste en Bruno
verbrandde,
deze geweldige onheilbrouwer liet rondlopen zonder hem op te knopen of
ten
minste achter prikkeldraad te interneren.
En
zie! –
de man is professor aan de Amsterdamsche Universiteit en lid van de
Koninklijke
Academie. En dat is hij alles geworden na de
publicatie van dat stoute stuk. Is hij er soms van
teruggekomen? Heeft
hij zijn woorden ingetrokken? Ik heb er niets van vernomen. Ik meen
zeker te
weten van niet.
Maar
lieve hemel, wat voor soezebollen zitten er dan toch in de academische-
en
regerings-lichamen! kunnen die mensen alleen cijferen en administreren
– en
helemaal geen Hollandsch lezen?
Ze moeten
toch, vóór zijn benoeming kennis genomen hebben van al
zijn geschriften, ook
van dit geschrift.
Nu zijn
Excellenties en Hooggeleerden, als het algemeen menselijke wijsheid
geldt, soms
merkwaardig incompetent. Vooral in onze dagen is dat op pijnlijke wijze
aan het
licht gekomen.
Men moet
aannemen dat ze eigenlijk, in wijsgerige zaken, geen ernst van onzin
kunnen
onderscheiden. Ze hebben over die honderd bladzijden heen gelezen en
gedacht:
“nu ja! dat is maar zo wat fantastisch gezwets van een onbesuisde
jongeling.
Dat telt niet mee. Daar meent hij natuurlijk niets van. Wij hebben
alleen met
zijn mathematisch vernuft te maken. Dat is geniaal en solide. Ergo, wij
negeren
die buitensporigheden, die hij zelf wel gauw vergeten zal, en wij nemen
hem op
in onze officiële, academische Hemel, waar hij tronen mag tussen
de gelauwerden
en geridderden, en zich zonder twijfel spoedig even bezadigd, even
correct-weten-schappelijk
en fatsoenlijk gedragen zal als wij allen.”
Deze
houding is echter min of meer ridicuul. Ze schijnt te getuigen van een
hoge
wetenschappelijke neutraliteit. Maar in waarheid bewijst ze
onwetendheid in de
hoogste geestes-functies van de mens, en onbekwaamheid in het lezen en
verstaan
van onze taal.
Want het
meest opvallende in die honderd bladzijden proza is het met nadruk
verwerpen
van het menselijk intellect als hoogste geestelijke functie. Daardoor
stelt de
schrijver die kleine brochure zelf nadrukkelijk boven zijn
mathematisch-wetenschappelijke prestaties, en de Excellenties en
Hooggeleerden
hadden zich behoren af te vragen, of het pas gaf, en overeenkwam met de
waardigheid van de Staat, en van de officiële wetenschap, zulk een
aartsketter
in hun midden op te nemen.
Misschien
denken sommigen mijner lezers aan de benoeming van professor Bolland,
als een
soortgelijk geval. Maar dat heeft er niets van. Bolland is wat
zonderling, wat
eigengereid, wat ruw in zijn optreden, wat bazig in zijn houding, maar
Bolland
is geen ketter. Hij gelooft in de zuivere Rede, in het intellect, in de
wetenschap – al acht hij zijn wetenschap
de vorstin aller wetenschappen.
FREDERIK
VAN
EEDEN