|
L. E. J. Brouwer 1881-1966
door L. E. J. BROUWER
DELFT – J. WALTMAN Jr. - oorspronkelijke uitgave 1905
Precies 100 jaar geleden
schreef de toen 23-jarige
wiskundestudent
Bertus Brouwer het waarschijnlijk meest radicale,
revolutionaire en profetische boekje ooit verschenen.
Maar het werd genegeerd en doodgezwegen. In zijn
biografie van Brouwer (alleen nog te verkrijgen in de
ramsj bij Steven Sterk, Utrecht) schrijft Dirk van
Dalen: De inhoud van het boekje liegt er inderdaad
niet om. Maar
wanneer men het ontdoet van de provocerende
passages, blijft het uiteindelijk het gepassioneerde
betoog van een mysticus. Echter lezers, zo die er al
waren, werden in de eerste plaats getroffen door de
aanstootgevende passages. Leven, Kunst en Mystiek is
altijd een raadselachtig, om niet te zeggen
gênant, werkje geweest voor Brouwer-kenners.
Het boekje is praktisch doodgezwegen. Men was veel
te bang dat het niet zozeer de man, als wel zijn
werk in diskrediet zou brengen. “Waarde
Brouwer,
Dat
ik belang in u stel en daarom de toezending van uw
werkje apprecieer, daarin vergist ge u zeker niet.
Of ik het lezen zal? Ik bladerde het door, maar het
is niet de lectuur die ik wens of die goed voor mij
is. Het is waar
dat er vlak naast ons van die peilloze afgronden
zijn, maar ik houd er niet van op de rand daarvan te
wandelen. Het maakt
mij duizelig en minder bekwaam voor wat ik te doen
vindt. Of het voor u goed is betwijfel ik. Zoveel is
zeker, dat ik u liever op andere paden wandelen zie,
al valt het mij ook daar soms moeilijk u te volgen,
waar gij zo diep door het principiële vaart.
Met vriendelijke groet, Uw D.J. Korteweg.”
Het is een
rebels en revolutionair geschrift, wat dus
verdonkeremaand is en afgedaan is als een jeugdzonde
van een angry young man. Frederik van Eeden schrijft nadat hij Leven, Kunst en Mystiek gelezen heeft: "Mijn aanval is, in overeenstemming met mijn van Brouwers afwijkend temperament, voorzichtig en zachtzinniger. Maar, naar ik meen, niet minder doeltreffend. Dokter Cijfer en Pluizer zijn de twee representanten van dezelfde satanische machten, natuurwetenschap en intellect, die de mensheid onder hun tirannie ten verderve voeren." Hij doelt daarmee op zijn sprookje (of parabel) “De Kleine Johannes”, maar sprookjes en parabels zijn voor kinderen en ongevaarlijk: De waarheid Er was
een tijd dat de waarheid onopgemaakt onder de mensen
verkeerde, naakt als haar naam (letterlijk: de naakte
waarheid). En wie haar ook maar zag, wendde zich uit
angst en schaamte van haar af en zei dat ze niet
welkom was. Zo trok de waarheid over de aarde,
ongewenst en verworpen. Op een dag ontmoette ze de
parabel, die in een mooi, veelkleurig gewaad in een
gelukkige stemming op haar af kwam.
door L. E. J. BROUWER
DELFT – J. WALTMAN Jr. - oorspronkelijke uitgave 1905
III. De val door het Intellekt
Nederland ontstond en werd in stand gehouden door het afslibsel der rivieren; er vormde zich een evenwicht van duinen, delta, getijden en afwatering, een evenwicht, waarin mee waren opgenomen tijdelijke overstroomingen van gedeelten der delta. En in dat land kon leven en voortleven een krachtig menschengeslacht. Intusschen, men was niet tevreden, men bouwde dijken langs de rivieren, om de overstroomingen te regelen of te beletten, verlegde de beddingen naar willekeur ter verbetering van afwatering of scheepvaartverbinding, en hakte intusschen de bosschen om. Wat wonder, dat hiermee het subtiele evenwicht van Nederland werd ondermijnd, de Zuiderzee werd uitgevreten, en de duinen langzaam doch onverbiddelijk werden weggeslagen? En dat tegenwoordig steeds zwaarder werk noodig is, om het land te behoeden voor geheelen ondergang? En doet het niet eigenaardig aan te aanschouwen, hoe in dien zelf op den hals gehaalden arbeid niet slechts wordt berust, maar er zelfs een verheven cachet op wordt gedrukt van een in naam van God of Onverbiddelijkheid opgelegde taak? De menschen leefden uit oorsprong gescheiden, en ieder voor zich zocht te houden zijn evenwicht in de dragende natuur tusschen zondige verleidingen; dát vulde hun leven, geen belangstelling in elkander, geen zorg om den dag van morgen. Dus ook geen werk, en geen verdriet; geen haat, geen vrees; ook geen genot. Intusschen, men was niet tevreden; macht zocht men over elkaar, en zekerheid over de toekomst. Zoo werd het evenwicht verbroken, steeds pijnlijker arbeid voor de onderdrukten, steeds helscher samenspanning voor de machthebbers, en allen zijn onderdrukten en machthebbers tegelijk; en het oude instinct van scheiding leeft voort als bleeke nijd en jaloezie. Dieren en menschen lieten uit oorsprong elkander ongemoeid, tot de niet tevreden menschen op een deel gingen paraziteeren, en de andere trachtten uit te roeien. Zoo werd de schepping tot ellende uit haar verband gerukt; tot moeite, zorg en arbeid van ‘t onderhoud der huisdieren, tot ziekte door de parasitaire voeding, tot zwaren strijd een tijd lang tegen wilde dieren, die nog niet waren uitgeroeid, of nog zwaarder werd de mensch door ongediert in huis en hof en door bacteriën in ‘t eigen lijf bestookt. En bij den strijd daartegen voelt de wetenschap nog fierheid en berusting in Gods wil! Uit opstand tegen Gods wil is alles voortgekomen! Tot het evenwicht van het eeuwige en alomtegenwoordige leven behoort, dat ieder uit dit aardsche leven wordt weggeroepen, als zijn tijd gekomen is; en tot dien tijd lichamelijk en psychisch ziek, zooals past bij zijn booze gemoedsstemming van spaarzucht, heerschzucht, ijdelheid en vrees; men is daarmee weer niet tevreden, knoeit aan de lichamen door medicijnen en voorgeschreven leefwijze, aan de zielen door hypnose en suggestie; stoort zoo het vagevuur der lusten, en verbreekt het evenwicht tusschen psychische verantwoordelijkheid en lichamelijke gesteldheid; zóó is het lichaam weg ontaard van het moreel, dat men inderdaad voor zijn misdrijven, voor zijn daden op deze aarde, niet meer verantwoorde-lijk gesteld kan worden. Roemt de geneeskunde in den laatsten tijd op verlenging van den, overigens nog veel te korten, menschelijken levensduur, wat heeft dat voor waarde? Het is even droevig, na zijn tijd, als voor zijn tijd dit leven te verlaten, en de dood? “Die Natur zerbricht nie ohne dass sie ein Besseres dafür giebt.” Intusschen hangt de waarheid ook wel in de lucht. Daar is het liedje van: ,,Vischje, vischje van de zee,” het spreekwoord zegt van ,”eerlijk duurt het langst”, en dat het betere de vijand is van het goede, en “al is de leugen nóg zoo snel, de waarheid achterhaalt haar wel”; om kinderen op waarheid spreken te dresseeren, houden opvoeders hun voor, dat een leugentje nooit voordeel oplevert, want dat het eene het andere meebrengt, en ze ten slotte in een warnet vast moeten raken. En eindelijk zijn er romans in omloop, die aanschouwelijk voorstellen, hoe het kwaad ten slotte zich zelve straft. Dus zit wel degelijk in de lucht de volgende waarheid: “Wanneer uw verstand u een daad voorhoudt, die uw toestand schijnt te kunnen verbeteren, terwijl uw geweten de daad niet sanctioneert, laat haar na; want het verstand ziet nooit de wereld in haar geheel, en de middelen die het dicteert in de richting van het begrensde in ‘t oog gevatte doel, zullen langs ondoorgrondelijke wegen aan het geheel slechts schade doen.” ,,Wäre es so bestellt in diesem Leben, dass wir allezeit einen Spiegel vor uns hatten, in dem wir in einem Augenblicke alle Dinge in einem Bilde sehen und erkennten, so wäre uns Wirken und Wissen kein Hindernis. Da wir uns nun aber von einem zum andern wenden müssen, darum können wir uns nicht bei dem einen aufhalten ohne Hinderung des andern.” (Meister Eckhart).
Maar al zit de waarheid in de lucht: het leven
van ieder mensch afzonderlijk, en van de volken als
geheel, is een aaneenrijing van zonden er tegen; steeds
worden alle bestrevingen verijdeld, steeds komen nieuwe
bestrevingen op; alle luchtkasteelen storten in, en alle
worden door nieuwe vervangen. Ja, die arrogante ouden van dagen, ze maken zich wijs, dat ondervinding, dat schade en schande, dat een lang leven van zonde, gestempeld op hun verstijfde en van alle naïveteit ontdane gelaatstrekken en stralend uit hun levenloze oogen, dat dat alleen tot wijsheid voert, en wraken de jongeren, als het er op aankomt, te zeggen, wat den mensch het naaste is. Het
leven van de menschheid als geheel is een arrogant
uitvreten van haar nesten over de gave aarde, een
knoeien aan haar moederend gewas, knagend, schendend,
een steriel maken van haar rijke scheppings-kracht,
totdat ze alle leven heeft vervreten, en om de dorre
aarde dort de menschenkanker weg. II
Na u zoo de droeve wereld te hebben laten
voorhouden, schouw in uzelf. Gij hebt bewustzijn; een
bewustzijn, waarvan de inhoud voortdurend wisselt; zijt
ge over die wisselingen baas of niet? Ge zult zeggen van
niet. Want ge vindt u geplaatst in een wereld, die ge
niet zelf geschapen hebt, en daarin ondervindt ge
wederwaardigheden, waarvan ge vooraf niet wist. Maar
wordt niet een deel van uw bewustzijnsinhoud uitgemaakt
door uw stemming, en kunt ge dáárop niet
zéker invloed uitoefenen? Kent ge niet de
uitdrukking: “zijn hartstochten beheerschen” anders dan
als ijdele klanken? Ook kent ge bij uzelf, nu en dan,
het religieuze gevoel, waarbij het u is, alsof ge uit uw
hartstochten, uit vrees en begeerte, uit tijd en ruimte,
uit de geheele aanschouwingswereld, retireert. En
eindelijk kent ge als een beteekenisvolle uitdrukking:
“Tot zichzelf inkeeren.” Er schijnt dus aan u zoo iets
te zijn als een attentie, die zich om uzelf heen,
beweegt, en die ge bij die beweging eenigszins in uw
macht hebt. Wat dat ,,zelf” is, daarvan zult ge niet
veel kunnen zeggen en ge zult er ook niet wel over
kunnen denken, want ge voelt wel, dat alle nadenken en
alle spreken is in een attentie, op grooten afstand van
het zelf; het zelf is ook niet te benaderen in denken of
woorden, maar alleen in dat ,,tot zich zelf inkeeren”,
als het u wordt gegeven. Verder: dat inkeeren tot uzelf
geeft een gevoel, van moeite te kosten; het schijnt,
alsof ge daarbij traagheid hadt te overwinnen, dat uw
attentie groote neiging toont, om te blijven hangen,
waar ze is, en dat de weerstand bij beweging naar het
zelf toe, aanmerkelijk grooter is, dan bij beweging er
van af. Wordt het u niettemin gegeven, alle traagheid te
overwinnen, en voort te gaan, dan gaan de harts-tochten
zwijgen, ge voelt u afsterven van de oude
aanschouwingswereld, van tijd en ruimte en alle andere
veelheid, en de niet langer gebonden oogen eener blijde
stilte gaan open. ,,Wann du dich magst einen Augenblick in Das schwingen, da keine Kreatur wohnet, so hörest du, was Gott redet.” — ,,Wann du von Sinnen und Wollen deiner Selbheit stille stehest, so wird in dir das ewige Hören, Sehen und Sprechen offenbar, und höret und siehet Gott durch dich. Dein eigen Hören, Wollen und Sehen verhindert dich, dass du Gott nicht siehest noch hörest” — ,,Wann du stille schweigest, so bist du das, was Gott vor Natur und Kreatur war, daraus Er deine Natur und Kreatur schaffete; so hörest und siehest du es mit dem, damit Gott in dir sahe und hörete, die dein eigen Wollen, Sehen und Hören anfing.” (Jakob Böhme.)
en hoe het zoogenaamde toeval Uw gang door de droeve wereld is een gestadige gang in een lichte kleurenrijke wolk, in liefde voor al het van zelf sprekende daarin, ook voor uw dwalende en begeerende medemenschen, want ge ziet haar niet meer als een van het Zelf gescheiden werkelijkheid, maar gericht van uit het Zelf, en met het Zelf mee. Ge voelt u almachtig, want ge wilt alleen, wat in de Richting ligt, en daarbij zullen de bergen voor u wijken; ge voelt u alwetend, want ge voelt in alle emanaties de tijdlooze Richting, in vereeniging van verleden, heden en toekomst, in u. Zoo vraagt ge niet, wat ge doen moet: het Goede doet ge van zelf; zoo vraagt ge niet, om iets in te zien: alles is vanzelfsprekend. Steeds op den achtergrond van alles een pijnlooze ontevredenheid over uzelf, en de overtuiging, dat alle vroeger ondervonden leed was eigen schuld: ge hadt het Zelf losgelaten, en uw geboeid bewustzijn was zonder zijn Richting; had massa en traagheid gekregen, en volgde dolend niet-omkeerbare wegen, geslingerd door Begeerte én Vrees. Ge ziet, hoe vrees en spaarzucht, geboren uit tuimeling in de dwaling van den tijd, begeerte en heerschzucht, geboren uit tuimeling in de dwaling van de ruimte, u deden toekennen belang op zichzelf aan wat moest worden erkend als een vluchtige emanatie van het Zelf, zonder realiteit onafhankelijk van dat, waaruit het was voortgekomen. En hoe de dwaalpaden van begeerte en vrees den dolende brengen den arbeid, den moeitevollen arbeid in ‘t zweet zijns aangezichts, die steeds nieuwe niet omkeerbare veranderingen meebrengt, en steeds dieper ellende. Zoo ziet ge glimlachend aan de Werkelijkheid der Droeve Wereld, uw vroegere Waan, met de waan van uw eigen Vrees en Begeerte, arbeid en pijn, daarin maar uw geluk wordt niet getroebeld, ook dát is een fantazie zonder werkelijkheid, de fantazie — van droefheid en herinnering. III
En even pijnloos aanziet ge de menschheid, gevallen en dolend door Vrees en Begeerte, door Spaarzucht en Heerschzucht, door Tijd en Ruimte, zonder vleugels, om daaruit weg in Zelfinkeering zich te heffen; onwrikbaar genageld aan het kind van Tijd en Ruimte, het Intellect, dat haar is verstard in ‘t hoofd, het symbool van der menschen val. Wilde stammen voelen koppensnellen als een reinigings-proces, en hebben de hoogste wellust daaraan bij toepassing op de hoogst ontwikkelde volken; daar zit een diep wijsgeerig inzicht onder, dat in de levende natuur met hoogere differentieering gelijk loopt zwaardere gevloektheid; dat inzicht zit bij hen niet in ‘t hoofd, naar in ‘t hart. Het hooggeschatte Intellect dan is tegelijk het vermogen en de dwang, om dóór te leven in Begeerte en Vrees, en niet uit heilzame verlegenheid tot Zelfinkeering terug te vluchten; om de verbijsterende aseiteit der dolende deelfantazieën op te heffen, door ze met elkander in verband te brengen, en niet elk met het Zelf, en zoo te volharden bij een schijnvastheid in een zelf hoovaardig gemaakte, zelf aan causaliteit gebondene “werkelijkheid”: waarin men zich ten slotte toch onmachtig voelen moet.
Dat Intellect doet in het Leven van Begeerte den
menschen den duivelsdienst van den band doel-middel
tusschen twee fantazieën. Hun geeft, vastgeslingerd
in ‘t begeeren van het eene ding, het intellect het
streven naar een ander ding als middel daartoe aan; zoo
om de bedding eener rivier te verleggen: het maken van
een dam; om op een ander zijn jaloezie uit te vieren:
diens huis in brand steken; om voor roofdieren beveiligd
te zijn: zijn huis op palen bouwen; om de zon op zijn
huis te laten schijnen: De daad, die het middel zoekt, schiet nu echter altijd eenigszins naast het doel: het middel heeft een richting, die een hoek, zij het een kleinen, maakt met die van het doel; het werkt dus, behalve in de richting van het doel ook nog in andere dimensies, een werking, die, als de attentie er niet van was afgesloten, misschien zeer schadelijk zou zijn bevonden; maar meer: allengs verliest de attentie het doel geheel en ziet alleen nog het middel, en in de droeve wereld, waar mét het Intellect uit Vrees en Begeerte Dressuur en Nabootsing zijn geboren, en niemand meer het heele menschengedoe overziet, wordt door velen, wat van oorsprong middel was, niet anders gekend, dan zelf als doel; zij jagen dus een laat ons zeggen doel van de tweede orde na: waarbij misschien wéér een middel ontdekt wordt, en dat maakt wéér een kleinen hoek met het bijbehoorende doel. Wordt zoo die verleidende sprong van het doel naar het middel eenige malen herhaald, dan kan het licht gebeuren, dat éénmaal een richting wordt uitge-jaagd, die behalve haar afwijking in andere dimensies, bovendien met de allereerste doelrichting een stompen hoek maakt, dus haar tegenwerkt. Levert de industrie oorspronkelijk niet haar producten met het doel, daarmee in de natuur een milieu van zoo gunstig mogelijke menschelijke levensvoorwaarden te scheppen? Waarbij dan werd veronachtzaamd, dat die producten zelf vervaardigd werden uit de natuur, waarin daartoe storend werd ingegrepen, en het evenwicht der menschelijke levensvoorwaarden verbroken werd tot grooter nadeel, dan de industrieproducten ooit voordeel kunnen brengen. Al het benoodigde houtmateriaal b.v. heeft zooveel bosch doen verdwijnen of ontaarden, dat in gematigde gewesten bijna geen voor den mensch voedende planten meer van zelf groeien. En meer: men is de voortbrenging der industrieproducten als zelfstandig doel gaan aanzien, en heeft bij ‘t najagen daarvan als middel een nieuwe industrie van de oude productie vergemakkelijkende instrumenten in ‘t leven geroepen. Wat een nieuwe knauw in ‘t oude evenwicht gaf. En lichtzinnig ging men in verre landen de grondstoffen halen, wat handel en scheepvaart het aanzijn gaf, met hun verschrikkingen, lichamelijk en moreel, en neerdrukking der volken door elkander. Daarbij kwam nu verlegenheid omtrent de toekomst, want het Zelf was hopeloos verlaten, het Zelf dat alles van verleden en toekomst weet; verlegenheid omtrent de toekomst, en — begeerte te kunnen voorspellen. Die riep de wetenschap in ‘t leven, oorspronkelijk in dienst der industrie, de wetenschap, die in en over de aanschouwingswereld generalizeerende stellingen opwerpt; die zullen uitkomen, zoolang het God behaagt, maar dán gelogenstraft, en : “O ja, we hadden die en die stilzwijgende onderstelling gemaakt,” zoo roepen de menschen, en gaan de stelling compliceeren en zoogenaamd verbeteren, maar even machteloos. En ‘t blijft niet bij een wetenschap in dienst der industrie; het middel wordt weer zelfstandig doel; men gaat er om haar zelfswil aan doen. Dán is het zoover gekomen met de afdwaling van het lichaamsgevoel, dat het uitsluitend is geconcentreerd in ‘t hoofd; uítsluitend is de rest van ‘t lichaam genegeerd. Waarmee samenloopt de vastheid in het bestaan van een eigen individu, en van een daarvan gescheiden en onafhankelijke aanschouwingswereld. Nu treden eerst recht in volle kracht op de richtingsversprongen der attentie, die hier het wetenschappelijk denken zijn, want een wilsrichting, tot het hoofd beperkt, is een wetenschappelijke overtuiging: een wetenschappelijke waarheid is niet meer dan een zekere verdwazing der, hier uitsluitend in ‘t hoofd levende, begeerte. De verlegenheid van elke wetenschap wordt dan ook altijd door grooter; klimt ze te hoog, dan wordt ze gemaskeerd door nóg beperkter opsluiting, waar de herinnering van die wetenschap als iets zelfstandigs buiten zich aanschouwd wordt; men gaat de ,,grondslagen” dier wetenschap zoeken, wat dra een nieuwe wetenschap wordt; men gaat de grondslagen der wetenschap in ‘t algemeen zoeken, beoefent “kennis-theorie”, maar steeds klimt de verlegenheid, tot alle koppen omloopen. Sommigen scheiden er kalm op ‘t laatst mee uit; hebben ze b.v. lang gedacht over de ongrijpbare schakeling tusschen het aanschouwende bewustzijn, dat zich met het leven uit de aanschouwingswereld ontwikkelt, en die aanschouwingswereld, die zelf weer alleen bestaat door en in de vormen van het aanschouwende bewustzijn — een verlegen-heid, die kwam uit eigen zonde van vestiging eener aanschouwingswereld — dan stoppen ze het eveneens en tegelijk met de aanschouwingwereld zelfgeschapen Ik in de opening, en zeggen: Ja, er moet natuurlijk iets onbegrijpelijks overblijven, want dat ben Ik zelf, die begrijpen moet. — Maar er zijn er ook, die van geen uitscheiden weten, die tot in het gekke doorgaan, ze worden kaalhoofdig, bijziend, korpulent, hun maag werkt niet neer, maar steunend van asthma en gastrische toestanden, wanen ze zóó het evenwicht bereikbaar en — bijna bereikt. Dat van de wetenschap, de laatste bloem en verstarring der cultuur.
En ver staan de door de cultuur der menschheid
gebrachte levensvoorwaarden achter bij de haar
oorspronkelijk gegevene; en meer: dat, wát
bereikt werd, kwam niemand ten dienste: ieder individu
bleef zijn leven voortsleepen in ‘t milieu van een der
hulpindustrien: wat een milieu bij het oorspronke-lijk
in de maagdelijke natuur den naakten onbedorven mensch
gebodene! De weinigen met de macht, dat wát
bereikt werd in vrijheid te genieten, wisten door hun
bedorven instincten daarin den weg niet te vinden! Die manifestatie van het Zelf komt intusschen ook reeds vóór den dood, ín het afgegrensde leven, ín de vormen van het begeertesysteem en de door het intellect tot drager zijner verdwazingen, zijner zelfstandige begeerten en vreezingen, gebouwde aanschouwingswereld. Dáár komt ze in het spreken van het Geweten, de weemoed over het verloren Paradijs, de vage overtuiging van het stille levensgeluk, dat oorspronkelijk den menschen was bestemd, de hang naar zaligheid, naar religieuze vastheid, naar het vrije leven in overgave, die hang, die, tredend in de vormen der droeve wereld, wordt honger naar hoogere, verheffende, naar transcendente dingen.
Maar ‘t Geweten, sprekend in de afgegrensde
wereld, wordt gesust. Binnen de afgesloten
cathegorie-ën dringt het door, binnen die
cathegorieën wordt de attentie er van afgeleid —
door sterke prikkeling, door weelderige bevrediging van
andere behoeften — of het wordt dóór die
attentie geassimileerd — dat is erkend als behoefte
binnen het afgesloten systeem, en binnen dat systeem
voor bevrediging vatbaar.
Het sussen van het geweten door afleiding der
attentie, daarin bestaat geheel de industrie van
genot-middelen en publieke vermakelijkheden; van
kaartspel en wijn tot de meeste Fraaie Letteren toe. In den Babeltoren veroordeelt de Bijbel alle bouwen en menschelijke schepping, maar de religie roemt als haar schoonste tempels, die het menschelijk scheppen en opwaarts streven het zuiverst kristallizeeren; en, waar ze van alle vrees afhouden moest, gaf ze, juist werkend op die vrees, een, aan den eenen kant geruststellend, aan den anderen kant bangmakend, met het intellect vast te houden, geloof. Kunst, die bevrijden moest van vaste vormen, wordt overal in vaste vormen gebracht; en, waar ze dienen moest, om alles af te leeren: er zijn scholen voor, men kan ze leeren.
Kunst en religie in de wereld zijn slechts
morfine-industrie op groote schaal; de hang naar beter
leven wordt er gesust, verdoofd. Rust wordt gegeven aan
ieder, die een plaats in het mechanisme der
maat-schappij vervult, en zoo dat slechte massawerk
helpt bestendigen, door hem van hervormers,
revolutio-nairen, kluizenaars, diepe minachting voor wet
en gezag, en van zelfverloochening, vrijwillige armoede
en honger, van vrij leven, van loochening der
aanschouwingswereld, en onverschilligheid voor
weder-waardigheden, van het Koninkrijk Gods — voor te
houden in boek en tooneel, en daar zal hij die menschen
en evangeliën in diep ontzag vereeren: maar als hij
in ‘t leven zoo iemand tegenkwam: verontwaardigd
en bang zou hij hem laten opsluiten in gevangenis of
krankzinnigengesticht. Een moeilijk leven vol gevaren en
tooverkrachten, dat ieder oogenblik den dood in de oogen
heeft te zien, maar waarin ten slotte het Recht, het
Reine Geweten zegeviert: een leven, zooals wij het om
onze schuld hadden te voeren, maar angstig ontvlucht
zijn: het is verbannen naar roman en melodrama, en wordt
dáár graag bewonderd — maar van zoo iets
in werkelijkheid — er wordt van gegruwd. Het werkelijke
leven eischt gekleedheid, voor lichamen, gesprekken en
omgang. Het past niet, meer van zich te toonen, dan wat
van ‘t afgegrensde leven is, het Hoofd, het Intellect en
in de maatschappij geplaatste daden; het past ook niet,
meer van elkaar te willen zien; door derden verraste
vertrouwelijkheid wekt schaamte. Ook binnen het afgegrensde systeem der wetenschap schept de manifestatie van het Zelf behoeften, en binnen dat systeem worden ze bevredigd; ook in de wetenschap is honger naar iets hoogers, waar ze wordt gestild met openbaringsgeloofsstellingen, metaphysica, moraal- en kunstphilosophie, spiritisme en theosofie, die alle den mensch in de zonden der wetenschap laten, in het geloof aan een werkelijkheid en in het logisch denken. Ook hier in plaats van reddende vlucht uit aardsche banden slechts stolling tot ongevoeligheid in een schijnevenwicht, gekocht met steeds verdere complicatie der behoeften, steeds slechter levensvoorwaarden, steeds zwaarder werk, steeds dieper verdwaling.
Een enkele maal breekt het Geweten door los van
de banden van de droeve wereld, in die wereld. Zoo komt
in velen om achttien jaar een zuiver centrale, niet
bloot-artistieke bewondering voor Droomers, Monniken en
Kluizenaars, en daarvan kunnen enkelen niet anders, dan
min of meer weigeren zich te buigen voor wat de
bezadigden het Leven noemen, en kunnen niet dan
hartgrondige, dat is in ‘t hart, niet in het hoofd
gegronde spot gevoelen voor alle vruchten der cultuur,
voor alle medearbeiders in den maatschappelijken chaos,
alle medebouwers aan den Babeltoren, alle talentvolle
koorddansers en goochelaars, trotsch op iets, waarvoor
ze vluchten en zich schamen moesten, en voor
maatschappij-verbeteraars van alle kleur, die doen,
alsof God ons in ‘t Leven bracht, om Zijn werk te
verbeteren. IV
Die dwalende wereld nu ziet ge dat alleen bestaat, doordat ze dwaalt, door haar niet ,,doing right”; een wereld, waarin recht geleefd zou worden, is u even ongerijmd, als uw eigen sterfelijkheid. Dwaasheid en ongeluk, met elkander in evenwicht, die sturen de wereld. En een streven naar beter orde, het ware slechts een druppel in de zee van dwaasheid meer. Aan een door u als werkelijk geziene wereld is essentieel, dat ze vol is van strijd en strijdige, niet samen te harmonieeren, belangen, dat ze altijd zoekt naar een uitwendig evenwicht, dat met uitwendig bestaan onvereenigbaar is; en elk trachten naar wegneming van het niet-evenwicht geeft slechts verplaatsing van dat niet-evenwicht; het hoort bij een uitwendig zichtbare wereld, dat ze leeft op illusie van vrijen wil, en zoo zoekt naar geluk, terwijl tóch die wil onverbrekelijk in causaliteit gevangen zit; zoodat alle machtsontplooiing, alle sterke levensuiting, alle bloei en groei, gebeuren zal, als ze gewild wordt, maar toch — om weer te vervliegen, trots alle angstig getob, het eenmaal gewordene te stutten. Van alles, op deze aarde bereikt, is in twee bedrijven het korte verhaal: ,,Grandeur” et ,,Décadence”, en:
Muss scheiden.” ,,Auf dasz die ewige Freudenreich sich in sich selber kenne, muss die Schärfe der Qual — als die Möglichkeit des Andersseins und des Abfalles, nicht dessen Wirklichkeit — eine Ursache der Freuden-reich und die Finsternis eine Offenbarung des Lichts sein, auf dasz das Licht empfundenerweise offenbar sei: was in den Einen (het nooit verlaten Zelf) nicht sein könnte. An den Contrarium wird erkannt, was Liebe oder Leid sei.” (Jacob Böhme). Zoo zult ge verzoend zijn met uw wereld en die niet trachten te veranderen, zoo zult ge werken, eten en slapen en rondreizen in uw wereld, omdat ge het als uw voldongen karma voelt; en juist daardoor, door uw nederigheid, zult gij te meer in de volheid des Heeren groeien, die u beschermt voor begeerten en vreezingen, los van uw plicht. V
Het intellect gaat direct vergezeld van de taal. Met het leven in het intellect komt de onmogelijkheid, om zich op directe wijze — door gebaar en blik van oogen, instinctief, of nog materieloozer, door alle afstandsscheiding heen — met elkaar in betrekking te stellen, en gaan ze zich en hun nakroost dresseeren op een teekenverstandhouding door grove klanken, moeitevol en — vrij machteloos, want nooit nog heeft door de taal iemand zijn ziel aan een ander meegedeeld; alleen een verstandhouding, die toch reeds is, kan door de taal worden begeleid; waar twee menschen reeds hetzelfde begeeren en behoeven, maar de stuurloos dolende begeerten ieder oogenblik in gevaar zijn, van elkander af te raken op zijpaden, houden ze door de taalgemeensehap moeitevol en angstig gelijken tred. Alleen in zéér eng afgegrensde fantazieën, zoo in insluitend intellectueele wetenschappen, zonder verband met de aanschouwings-wereld, die dus het minst aan ‘t eigenlijk mensch-zijn raken, daar is het elkander verstaan vrij lang en goed vol te houden; over “gelijk”, over “driehoek”, zal weinig misverstaan mogelijk zijn; toch zullen daarbij nooit twee personen precies hetzelfde voelen, en zelfs bij de meest beperkte wetenschappen, logica en wiskunde, die eigenlijk niet scherp te scheiden zijn, zullen bij de grondbegrippen, waaruit ze zijn opgebouwd, geen twee hetzelfde denken. Maar toch is hier de wil bij beiden parallel, bij beiden dezelfde wijze van doorjaging der attentie door een klein onbelangrijk gebied in het hoofd. Zoo ook, waar eenige menschen samen tegen den vijand vechten, of samen een huis bouwen of een brug, of samen handel drijven, bezig zijn een koop te sluiten, ook daar beantwoordt de taal aan haar doel, dat is: het wilsbeweeg der gescheiden personen op één pad te houden. Maar ridicuul wordt het gebruik van de taal, waar wordt gehandeld over fijne wilsschakeeringen, zonder dat in die wilsschakeeringen wordt geleefd; zoo, als zoogenaamde wijsgeeren of metaphysici handelen onder elkaar over moraal, over God, over bewustzijn, onsterfelijkheid en vrijen wil; menschen, die elkaar niet eens liefhebben, laat staan gemeenschap hebben in fijner zielsbeweeg, ja die soms elkaar zelfs niet persoonlijk kennen; dán praten ze óf langs elkander heen, óf ze bouwen een logisch systeempje, dat alle verband met de werkelijkheid mist; want logica is leven in de hersenen, begeleiden kan ze het leven daarbuiten, richten uit eigen kracht nooit; ja, een bestáánde wilsgelijkheid kan schijn en logica met voeten te treden; zoo kan het samen zeggen: “er is geen kwaad” en “er is niets dan kwaad” slaan op eenzelfde ,,éénheid van zin.”
En ook is ‘t gebruik van de taal ridicuul, waar
een geschil is, en men door redeneeren het eens te
worden tracht. Beide partijen zijn daar
zóó onder de massa-suggestie der
maatschappij, dat ze zich schamen, ,,onredelijkheid” te
erkennen, dat is te erkennen, iets anders te zoeken, dan
het quasi-algemeengeldige “goede” en “rechte”, die door
de maatschappij uitgespiegelde hersenschim. En zoo kan
dan de taal, die gelijkheid van wil onderstelt, hier een
strijd begeleiden. Maar ten slotte konden ze net zoo
goed zwijgen: ze spelen niets uit, dan hun wil, en
werken op elkaars begeerte en vrees, en de sterkste
zegeviert. Komisch wordt de taal in de conversatie tusschen jongens en meisjes; hier is de harmonie van wil te voren al in orde, en heeft de hulp van de taal alles behalve noodig; zij dient hier juist om de wilsharmo-nie te maskeeren, in dienst van de schaamte, die haar niet onder de oogen durft zien; zij dient hier, om door scherts den ernst te maskeeren; ernst is in zoo’n gesprek alleen geoorloofd, waar gedwongen samenzijn tot plichtmatige wisseling van eenige volzinnen dwingt; ánders, zoo gauw men ernst heeft laten glijden tusschen de beide seksen, is alle adel van pudeur gebroken. Wie ernst heeft gegeven, heeft niet meer alles te geven; hoewel vaak schijnernst, een soort van spelende koketterie, tegen onbeschaafde indringers het eenige verdedigingsmiddel der reinheid is.
Het toppunt van weerzinwekkendheid in dezen wordt
bereikt in vereenigingen, zooals er onder Amsterdamsche
studenten eene bestaat, waar mannelijke en vrouwelijke
leden gezamenlijk ,,het seksu-eele vraagstuk
bestudeeren”. zooals ze het noemen. De vereeniging noemt
zich ,,Ethos”, en is het onzedelijkste, wat zich nog in
het publiek heeft durven vertoonen. Dat het in deze
maatschappij mogelijk is, bewijst slechts, hoe diep der
menschen kritiek in ‘t intellect van hun centrale
instincten is wegge-sloten. te zeggen. Trachten niet analoog de ,,comédie de caractére” en het naturalisme een blik op de wereld als werke-lijkheid mee te deelen, door die werkelijkheid te overdrijven of te verdichten? En onderscheidt zich niet op analoge wijze schilderkunst van kopieën der natuur? De taal mag begeleiden het willen beheerschen elkanders wil, het willen samenhouden elkanders wil; oo begeleidt het krijgsgeschreeuw der Indianen het willen breken elkanders wil. De taal heeft op zichzelf geen zin, en alle wijsbegeerte, die zóó er vastheid in wou brengen, kwam in verlegenheid; werd op vermeende vastheid ingeslapen, toch braken ontoereikendheden en tegenstrijdig-heden later door. Een taal, die geen vastheid aan den wil ontleent, die op zichzelf wil voortleven in het reine “begrip”, is een onding; een tijdlang door te kunnen spreken, en te worden betrapt nóch op tegen-strijdigheden, nóch op stilzwijgende, in den wil wortelende, vooronderstellingen, is een groote kunst, het hegelen, waarvoor de hersenkracht van iemand, als de heer Bolland, noodig is, maar te schatten op de waarde van die van een acrobaat. De heer Bolland laat zien, dat spreken in de afgesloten rede, dat onttrekken van de taal aan de souvereiniteit van passie en aandoening, waaruit ze zoo goed, als alle levensuitingen ontstaan is, mogelijk is, zonder dat je er ziek of gek van wordt; zooals soms een physio-loog laat zien, dat voortleven van het kikvorschhart, ook, gescheiden van het organisme, mogelijk is; echter houdt dat kikvorschhart het maar een tijdje uit, en zoo zegt ook de heer Bolland, dat zijn filozofie slechts zijn Zondagsche pak is. En als het hegelen levende dingen beroert, als liefde, natuur, politiek, dan geeft het levenlooze uitspraken, voor het leven zonder zin. De taal leeft slechts met en door de cultuur, die aan den eenen kant behoefte aan verstandhouding en aan den anderen kant onmogelijkheid van directe verstandhouding brengt; maar ook bevestigt het taalgebruik de cultuur, doordat ze zich op haar gebied beweegt; menschen met taal verliezen primaire begeerten, die, hoe zondig ook, het Zelf veel nader waren; bang voor de eenzaamheid, hun eenig vader-land, worden ze automaten in dienst van de monstermachine: publiek verkeer. En van alle andere invloe-den, van alle andere zielsverstandhouding heeft hun attentie zich afgesloten; breken die nochtans door binnen de cathegorieën van hun intellectueele aanschouwingswereld met de zelfgeschapen natuurwetten, dan trachten ze eerst kortweg te loochenen, en, als dát niet gaat, ze te bestudeeren en rubriceeren, en binnen het gebied der hooggeroemde “wetenschap” halen. In plaats van te bedenken dat op alle invloeden het zuiverst wordt gereageerd bij blootweg openstellen van onbevangen gevoel, zonder iéts te weten; zelfs het eenvoudigst werk in ‘t dagelijksche leven werd beter gedaan in gedachtelooze deemoedige gewoontesleur, dan vergezeld van eenige wetensvastheid; maar bij dat dagelijksch leven niet noodzakelijk betrokken invloeden dienden in elk geval te worden beschouwd als naar Gods wil voor ons weten verborgen; zóó alleen kan men veilig zijn daden en ziening vertrouwen; Tiresias en Cassandra waren niet leden van Vereenigingen voor Psychisch Onderzoek: ze zagen, waar het noodig was, de toekomst, maar wenschen deden ze die ziening niet, veel minder deden ze er moeite voor.
Der tegenwoordige wetenschap echter is niets te
heilig; is eenmaal een invloed geconstateerd, dan moet
hij worden onderzocht, en gebracht binnen oude,
intellectueele cathegorieën, en beantwoord moeten
daarover de vragen: “hoe oud?” — “hoe ver?” — “hoe
groot?” — “hoe sterk?” en “hoe duur?”
En wie, als theosofen, wat weten wil van ‘t leven
na den dood, dien zal het daar ginder jammerlijk
vergaan. VI
De manifestaties van het Zelf binnen het afgegrensde leven in de vormen van dat leven zijn de door-brekingen van de Waarheid. Overal en altijd hangt de Waarheid in de lucht: en, wáár ze doorbreekt, voor den verstaander is het altijd weer het oude. De Waarheid, die doorbreekt, wijst naar het leven, dat van uit het weergevonden en niet losgelaten Zelf, nederig de aardsche boeien heeft aanvaard, in het volle inzicht van het voldongen karma der droeve wereld en van zijn eigen individualiteit daarin.
Toch is het niet de Waarheid, die iemand helpen
kan, het Zelf weer te vinden — wat dat wel kan, is boven
de vormen van deze wereld, en is alleen mystiek te
duiden met het woord: “Goddelijke genade.” Wijst de Waarheid in de wereld naar het persoonlijke leven, vrij uit de banden van vrees en begeerte, waar de zaligheid en wijsheid en de stille jubelingen van de Zelfinkeering bloeien op nederigheid, armoede, en rustige plichtsvervulling in het aardsche leven, dat eigen voldongen karma is, dan is ze Transcendente Waarheid. De immanente waarheid verheldert, de transcendente waarheid vervroomt. De immanente waarheid ziet de “idee” van de wereld. Ze zal van uit het gezichtspunt der zoogenaam-de ,,werkelijkheid” leugenachtig of overdreven schijnen, om de onware vormen, waarin ze zich moet kleeden. In woordkunst dit en in beeldende kunst. Ze komt in strijd met de heerschende opvattingen, die alle gegroeid zijn uit wereldaanschouwingen in uiterlijkheden, dat is werkingen op der menschen begeerten. En toch wordt ze alleen dán geduld, als ze kan ondergebracht in het afgegrensde leven, zonder aan den bouw er van te wrikken. Zoo in muziek, waar op zinnen wordt gewerkt, die nog los staan van het intellect; veel minder in beeldende kunst, zooals de lex-Heinze toonde, maar het minst in woord-kunst, die zich direct aan ‘t intellect, aan ‘t leven zelf, richt; daar is ze verplicht zich te presenteeren als gehoorzame dienaresse der cultuur-leugen, om bij wijze van verheffende, veredelende of stichtende afwisseling te worden genoten, maar niet, om au sérieux te worden genomen in den eisch, de wereld anders te beschouwen. Doode schrijvers schijnen niet zoo direct tot den levenden wil der lezers zich te richten, als tijdgenooten. De laatsten kunnen in de literatuur alleen slagen, als ze arbeiders worden in de industrie van gewetensussende schijn, verheffing of prikkeling, en ook de waarheid kan, in een dichte omkleeding uit het gelijktijdig heerschende cultuursysteem, daarbij dienen als materiaal. Maar later, als ‘t cultuursysteem veranderd is, is hun omkleeding niet meer actueel, en als doode schrijvers leven ze niet voort. Een naakte waarheid wordt een tijdgenoot nimmer vergeven, maar over het werk van een doode legt het verleden een verzoenende sluier van niet-werkelijkheid: dáár wordt een naakte waarheid als vaag aangevoelde stichting gelaten geslikt. Beter dan in proza wordt de waarheid verdragen in verzen, waar ze voor een der platste aandoenlijk-heden van het in den tijd gevangen intellect, het maatgevoel, het slavinnekleed heeft aangetrokken; en waar ze het beste, wat ze heeft, geeft begeleid van ,,rikketik, rikketik”, “flauwe kul, flauwe kul”, maakt ze den indruk, eigenlijk zelf niet te gelooven, wat ze zegt. Hoort men in een versje:
Et puis bonjour”,
Vooral ook op de preekstoel klinkt de waarheid
als onwerkelijk, en wordt rustig aangehoord; want
dominee preekt wel dat het zondig is, om den dag van
morgen bezorgd te zijn, maar heeft zijn huis verzekerd
tegen brand en inbraak. Nergens misschien wordt meer
waarheid gesproken dan in de kerken, maar nergens ook is
ze secuurder teruggebracht tot iets, wel om aan te
hooren, maar niet om volgens te leven. Van dit gezichtspunt is de kunst niet waarheid in het naturalisme; dat volgens Zola beschrijft de natuur, zooals ze wordt gezien door een individueel temperament: het temperament is niet meer, dan een prikkelen der fantazie tot redeloos enthousiasme en staat niet hooger, dan de aandoeningen van een Zondagavondpubliek voor een melodrama; en dát er afgelaten, blijft als natuur een stuk uit der wereld uiterlijkheden, meest uit de menschelijke samenleving, gezien als een aseisch physisch verschijnsel onder de leiding der causaliteit; dus blijft een min of meer gereguleerd ,,historisch materialisme”, een verdwazing der wetenschap, als een andere — maar geen waarheid.
En de spotblik van Molière op menschelijke
begeerten, zwakheden, domheden en ontoereikendheden, is
alleen in ‘t negatieve waarheid, in de verstoring van
den automatenblik, die zijn medemenschen optimistisch,
waardeerend, misschien vreezend, bekijkt. Maar het
positieve, dat daarvoor in plaats gegeven wordt, blijft
een zinloos nietig onbegrepen spel van uiterlijkheden,
een ,,comediespel” in slechten zin, niet beter, dan het
gezichtspunt der astronomie op de groote kosmische
gebeurtenissen.
Ze is te onderscheiden, naarmate ze meer wijst de
zelfwreking van den tijdswaan of van den ruimte-waan. Zoo doen de treurspelen van Sophocles en Shakespeare over hen, die in onmachte dwaling hun lot moeten afwikkelen, van den aanvang af het einde voorvoelen: in Oedipus, in Koning Lear, in Julius Caesar. In Hamlet zijn illusie en desillusie zoo sterk als een gevoeld, dat hier als ‘t ware beide steeds vereenigd optreden; de held sterft duizend dooden in het stuk; wáár hij vastheid bij zijn daden zoekt, wordt ze hem direct ontnomen, zoodat hij tastbaar wordt gedwongen telkens weer, slechts zijn karma uit te leven. En ten slotte komt de dood, wiens tragische rechtvaardigheid, als desavoueering van het Leven zelf, onverbrekelijk aan elk goed treurspel is verbonden; het spreekt van zelf dat Hamlet sterft aan ‘t einde van het stuk; onder elke illusie: geluk, trouw, liefde, was hem de bodem weggetrokken; waarom dan niet even goed onder het leven, de samenvatting van dat alles? Zoo wordt ook in King Lear het leven van Cordelia, die niets misdreven had, even goed met den dood geboet, als dat harer booze zusters. Al het positieve in het leven, elke daad, elke karaktertrek, goed of slecht, hij zal zich straffen in den wreeden dood; wreed, want als smart wordt hij gevoeld, hetzij van te voren gevreesd, en in de laatste ure als pijn gevoeld, of niet. En in de droeve wereld doet ieder daden en ieder heeft karakter, dus leeft in de erfzonde van zijn geboorte, en in de afwachting van boetende smarten. De tijdsvervloeiing wordt gemist in de beeldende kunst: zoo kan die niet wijzen de zelfwreking van den tijdswaan, maar dieper en directer dan het drama, die van den ruimtewaan, den veelheidswaan, die in het heden zijn straf al weg heeft, de pijn van het machteloos aanstaren dier veelheid in niet-begrijpen, die ontvlucht wordt in de nooit bevredigde begeerte van bezitten-willen, een-maken met het eigen, zich smartelijk verlaten voelende individu. Dan komen in steeds verder afdwaling de karma-verzwarende attenties op de buitenwereld ; heerschzucht, geldzucht, eerzucht; en.....illusie van de vrouw. Ook de laatste is karmaverzwaring; want voor geen man heeft in ‘t voldongen karma de vrouw een plaats: zij is een van zijn weg aflokkende sirene. Zooals er tusschen de schuld, waarmee de menschheid bezwaard is en de haar opgelegde arbeid en moeite een evenwicht is, zoo ook tusschen haar lichtzinnigheid, haar neiging tot karmaverzwaring en de mate van vrouwelijkheid, in de wereld als verleiding geboden. In een wereld, tot nederige karma-aan-vaarding gekomen, zouden geen vrouwen zijn; maar ware ze daartoe gekomen, dan had ze geen bestaansgrond; zoo zijn van der wereld lichtzinnigheid niet te scheiden eenerzijds haar voortbestaan, andererzijds haar dragen van vrouwelijkheid; die beide ook empirisch als onafscheidelijk verwonderd worden aangestaard. Het is een sterk voorbeeld van de verschillende, eeuwig strijdende en nimmer te verzoenen belangen in de veelheid van de wereld; de man, die de vrouw te mijden, te negeeren heeft, wil hij niet lichtzinnig zijn karma verzwaren, wil hij niet ten onder gaan —hoor bij Shakespeare Antonius onder de bekoring van Cleopatra machteloos uitroepen: ,,I must from this enchanting queen break off” — de vrouw, die zonder den man niet kan, wier voldongen Karma in niets is dan haar sekse, zóó, dat tusschen de intiem-ste natuur van een vrouw en een leeuwin minder verschil is, dan tusschen twee tweelingbroeders, die mannen zijn. De vrouw moet leven in een wereld, waarvan ze alles voelt, zonder iets er in te kunnen zijn; voelt in haar lichaam de idee van soort, ras en familie, zonder haar te mogen uitleven; één ding slechts mag ze: één, die haar ideaal is, volgen met de oogen, zonder voor zich iets van hem te wenschen, geen weder-liefde, zelfs niet, door hem te worden opgemerkt; een werktuig van den hemel zal ze zijn, de banden van zijn karma, die hij uitgezoend heeft, los te maken; en storende verleidingen zal ze van hem trachten ver te houden. Maar daarbij zal ze niet bemerken, dat ze zelf de grootste verleiding voor hem wordt, zoo gauw ze in zijn leven optreedt, en hij haar al-gevende liefde gaat voelen; in haar bewustzijn, in haar attentie helpt ze hem, zich zuiver uit te leven in zichzelf; daaronder, in den donkeren ondergrond van de sekse waarmee ze belast is, lokt ze hem op paden, die zijn verderf zijn. Nederig zal ze zijn, nederig zal ze uit zíjn handen willen nemen alle ónedel werk, alle ánder werk, dan de zuivere uitleving der faculteiten van het lichaam, waarin hij de aarde bewandelt; zonder een ,,Augen- zucken” zal ze haar leven geven, om zijn evenwicht te redden. Rustig zal haar blik zijn, taai en geduldig leeft ze voort, en doet, wat voor den geliefde is. Haar lijf ongerimpeld, onbewogen, zonder hartstocht om te verleiden, zonder bewustheid dat het verleidt, en tegelijk zoo onuitstaanbaar verleidelijk in zijn tergende rust, dat geen man het uithoudt, De Venus van Milo wijst zuiver dat karma der vrouw, der stijle, begeertelooze, onbewuste en toch zoo helsch verleidende vrouw. Maar reine vrouwenliefde kan zeer goed zijn zonder verleiding, zoo leeft ze het meest ongetroebeld soms van zuster tot broer. Intusschen zoo goed als de man zal zondigen tegen zijn karma en het verzwaart, zoo ook de vrouw, en wel aan den eenen kant door vrouwelijke hartstocht naar den geliefde, die zijn aangestaarde leven wil op zich richten, en aan den anderen kant door mannelijke activiteit. Van de eerste een voorbeeld de monoloog van Gretchen in Faust:
,,Meine
Ruh
ist hin,
Sein hoher Gang
Nach ihm nur
schau’ ich
Und küssen ihn,
Die
vrouwelijke hartstocht is heel iets anders als de
mannelijke, is onafhankelijk van den ruimtewaan, kent
dus geen bevrediging door bezit; het is een blinde
fantazie in haar zelf; de straf is meest ten slotte een
walging van den begeerden man, en toch niet aflaten
kunnen, hem te begeeren. Als álle productieve arbeid door het socialisme duf en onedel zal zijn gemaakt, zal hij uitsluitend door de vrouwen worden verricht; Intusschen zullen de mannen, ieder naar zijn aanleg, doen sport en gymna-stiek, en vechten, philosopheeren, tuinieren, houtsnijden, reizen, dieren dresseeren, en alles doen, wat als edel werk niet uit den tijd is, tot dobbelen om wat de vrouw verdient, toe; wat werkelijk veel edeler is, dan bruggen bouwen of mijnen graven. Zoo brengt de zonde der mannelijke activiteit den vrouwen een machteloozen strijd tegen het noodlot, dat hun alleen onedel werk bestemde; en straft zich verder door het onbehagen, nooit den sterkenden impuls van binnen tot dat mannenwerk te voelen, en, hoe goed ze het werk kan doen, nooit te begrijpen wat ze doet. Van welken aard haar mannelijke activiteit is — uitleven der mannelijke idee zonder meer, of licht-zinnige afdwalingen — het maakt haar zonde niet meer of minder; een amazone, een schrijfster of een schilderes, ze zijn niet beter dan een doktores of slageres. En een menschlievende vrouw een even groot paskwil, als een wreede vrouw of een eerzuchtige vrouw.
Weet nu een vrouw zich vrij te houden van
hartstocht en activiteit, dan zal ze voelen om haar
natuur knellende banden, als straf voor oude schuld:
hierin, dat ze haar ideaal niet kent, en niet vindt.
Tastend zal ze in haar kinderlijkheid eerst kleine
mannelijke talenten en fantazien bewonderen en meeleven,
en niet hooger kennen, dan in fijne sentimentjes van een
man mee te stemmen; slechts aan de minderheid wordt
daarna geopenbaard een individu in zijn geheel,
uitdrukkend zijn Noodlot; wat eerst liefde kan worden
genoemd; dan ziet zij zijn Noodlot en Levensgang beter,
dan hijzelf; en bij zijn afdwalingen heeft zij de
beklemming geduldig te dragen, hem niet zoo hoog te
kunnen achten, als zij zou willen. En valt hij duurzaam
uit zijn karma, anders dan naar haar toe — de eenige
val, dien ze niet kan zien — dan is zijn vallen uit
zichzelf tevens vallen van haar weg; zij heeft den
heelen inhoud van haar leven op te geven, maar doet
alleen toch zoo haar plicht; zich uit wanhoop aan hem
blijven vastklampen ware mannelijke vasthoudendheid. Het
is geen echte liefde, die verachting overleeft. En haar
eenzaamheid zal ze geduldig dragen, tot een nieuwe,
hoogere mannelijke sfeer haar open gaat, een minder
belast mannelijk karma. Zoo zal de een na den ander haar
geliefde worden: en telkens laat ze hem los, als hij
duurzaam uit zijn karma valt, of als een ander in hooger
fase haar wordt geopenbaard. En in en door haar leven
eerst wordt haar helder haar ideaal, het hoogste
mannelijk princiep, dat boven vrees en begeerte is, dat
niet kan vallen uit zijn karma, omdat het boven Karma
uit is, dat geen krachtsontplooiing of talenten, geen
expressieve lijnen of karakter in zich draagt, dat niet
is dan nederige moed en klare aanschouwing. Dat ideaal
te weten en niet in de wereld te zien, is haar laatste
beklemming, haar leven lang.
Zoo is de toestand van de liefde in de wereld droef, zooals past; haar zuivere vormen kunnen niet komen, dan met der wereld en haar eigen verdwijnen. Maar de waarheid in de kunst geeft aan de onvervloeide lijnen: dat de man de vrouw behoort te mijden, te negeeren; maar de vrouw behoort te leven in den man, zich achtend voor niets, krachteloos en waardeloos, en alles den beminde offerend. Een echte vrouw is bleek, soupel, zonder expressieve lijnen, met doffe, droomerige oogen, heeft geen spierkracht, en deinst voor niets terug. En een man, die zich keert naar een vrouw, heeft zijn leven verloren. De korte geschiedenis staat in een visioen van Marie Madeleine:
so jugendüppig, zo frühlingsstark,
Overal maakt mannenliefde den indruk van wuftheid
en droeve verblinding, en vrouwenliefde van verheven
doem. De idee van het liefdeleven is de inhoud van
Shakespeare’s Antonius en Cleopatra; zij meelevend het
leven in den hoogsten vorm, dien ze bevatten kan, zooals
ze dat in den beminde ziet uitgedrukt; hij daardoor
juist weggelokt uit zijn levensweg, en zijn edelsten
inhoud verkwistend voor haar — waardoor zijn leven
vergaat, en zij, na zijn dood, na verdwijning van het
leven dat haar leven deed, zonder aarzeling mede
scheidend uit het eigen leven, dat voor haar nu zonder
inhoud is. Weduwenverbranding is een heilige ritus; maar
de barbaarsche westersche regeeringen verbieden ze als
barbaarsch.
Ich selber mich verloren und gefunden.”
,,Wandle, wandle deine Bahnen; Nur betrachten deinen Schein, Nur in Demuth ihn betrachten, Selig nur und traurig sein !” En:
Deinem Glücke nur geweiht.”
Want met de heiligste liefde gaat samen de grootste schaamte; een instinctief schuwen voor hem van de verleiding, die van haar uitgaat; want of hij onder de verleiding raakt of niet: zijn weten van haar leidt hem af. Wat ze doet, wat haar omstandigheden zijn, het is voor haar geluk van geen belang; alleen zijn leven en zijn wederwaardigheden; op de gezondheid van een ideale vrouw heeft niet haar eigen dieet, alleen dat van den geliefde, invloed; ook physiek, leeft ze letterlijk alleen van liefde; elke ziekte is door zijn adem, door zijn handen, direct genezen; een reciproke macht heeft zij over hem niet. Daar ze in niets, dan in liefde, leeft, zal ze geen aanleg en richting voor een individueel leven in zich voelen. Menschelijke, d.i. mannelijke begeerten zijn haar vreemd; en matigheid en nuchterheid zijn speciaal vrouwelijke eigenschappen. In wereldsche bestrevingen en wereldsche overtuigingen zal ze naief den geliefde volgen; en opvattingen, klakkeloos van hem overgenomen, als objectief vaststaande axioma’s tegen alle aanvechtingen van derden verdedigen; bij twistgesprekken met zo’n vrouw komt de ridiculiteit van de taal als middel om tot overeenstemming te geraken, helder voor den dag in den vorm der beruchte “vrouwen-logica”. Goethe sprak van:
En die inzichten breken als immanente waarheid
door in de wetenschap der cultuur: zulke storende
doorbrekingen waren vroeger alchymie en astrologie. De
chemie en astronomie van tegenwoordig zijn rechte
slavinnen der cultuur, zoo goed als alle huidige
natuurwetenschap. Maar daarin verplaatst de doorbrekende
Waarheid steeds het zwaartepunt weer terug van het
aanschouwde naar den aanschouwer toe: Kopernicus bracht
de draaiing der hemellichamen naar de aarde: ze zal nog
in het eigen lichaam worden geplaatst. Kant zette in
plaats van het onderzoek der eigenschappen van de dingen
de bewustwording van de cathegorieën in eigen
hoofd. Positieve quantitatieve eigenschappen worden
steeds weer vervangen door polaire, zoo in de nieuwere
theorieën over electriciteit en licht. Trots de
kleurentheorie van Newton, die de lichtstralen in het
medium ontbond, gingen Goethe en Schopenhauer, meer
gevoelig voor de Waarheid, de kleuren beschouwen als
polaire splitsing van de activiteit van het oog.
VII
Wie van de immanente waarheid der
aanschouwingswereld is doordrongen, wie heeft gezien de
onvermijdelijke desillusie van alle streven, de
onontkoombaarheid van het voldongen karma, dien wijst
dat inzicht in de richting der Hereeniging van de wereld
met het Zelf; in de richting der transcendente waarheid.
of ook ontkent de afgesloten fantazieën - op
- zichzelf, heft op begeerten en vreezen en
intellectueele meeningen, hetzij dat iets begeerenswaard
of vreezenswaard is — waar het intellect nog leeft in
dienst van den verstarden wil — hetzij, dat iets
objectief waar is — waar het intellect, op zich zelf
levend, is vastgeraakt. sussend middel in een behoefte en wordt met graagte genoten
of ook ze ondermijnt de systemen van het
afgegrensde leven metterdaad: in dien storenden vorm
haat haar de wereld en verbant haar hardnekkig:
desniettegenstaande komt ze altijd weer terug. Transcendente waarheid verschijnt niet, dan bij enkelen: Bach, Leonardo. Prikkelend, anarchistisch in slechten zin is bijna al het moreel in gangbaar beroemde muziek en beeldende kunst: Beethoven, Wagner, Rubens, Raphaël, Rembrandt. Idealen-bevestigend zijn bijvoorbeeld Grieg, Michelangelo, Palestrina en alle goede kerkelijke muziek; Giotto, Memling en alle geloovige schilderkunst. Natuurlijk zijn de grenzen niet zoo precies te trekken; in bijna alle kunst, die duurzaam is gebleken, zit wel een vonkje waarheid, heel klein: zoo hebben de menschen de waarheid het liefst geboden; steeds is van kunst in hoofdzaak behoefte naar prikkelende — in tijden van weelde, of idealen-bevestigende — in tijden van strijd en moeite.
In de taal is transcendente waarheid nog veel
minder dan immanente, te openbaren, zonder het volk te
kwetsen. Een duidelijke, ware uitspraak, met klem en
ernst gezegd, wordt zoo min vergeven, als het zichtbaar
verrichten van een wonder; en ieder voelt bij
transcendente waarheid, dat hij zelf wordt
toege-sproken, en hem niet meer of minder wordt gezegd,
dan dat hij heeft op te houden met zijn leven van
onrecht en dwaasheid, dat hem anders de straffen der hel
wachten. Door prikkelende versmaat of wel-luidende
klanken is die pil niet te vergulden, nauwelijks,
wanneer, om geen verbittering te wekken, er
uitdrukkelijk bij wordt gevoegd, dat de zaak niet au
sérieux is te nemen. De kerk hebben de menschen
heelemaal leeren beschouwen als iets buiten het leven
staande, maar toch blijft op den kansel aangewe-zen, er
om heen te blijven draaien, en niet al te precies te
zeggen, waarop het staat. Zelfs in het werk van doode
schrijvers, dat als een fantazie uit lang
vervlógen tijden wordt beschouwd, waarin de
menschen altijd zelfgenoegzaam iets pathologisch zien,
blijft een sterke verdunning vereischt; zooals bij
Spinoza, waar de waarheid door verdunning zoo onkenbaar
is geworden, dat ieder er uithaalt wat in zijn kraam te
pas komt, en zelfs socialisten het boek begrijpen, als
met hún zaak in harmonie te brengen. hem hadden gekruisigd, hadden ze Hem nog niets aangedaan. Zoo breekt dan in de taal de transcendente waarheid zich uitsluitend baan in de imitatoren, die de woorden van den profeet vaag hebben aangevoeld, en als waarheid herkend, en reeds door hun persoon-lijkheid de vereischte verdunning gegeven hebben; zij worden dan als geniale of hoogwijze menschen in hun kringen vereerd: hun uiterlijk, met de waarheid in strijd, zegt dat ze niet als ernst moet worden opgenomen, en des te aangenamer en interessanter worden ze gevonden om het geheimzinnige dat hen omgeeft, want niemand begrijpt, hoe zoo iemand komt aan zulke ideeën, die hij zoo weinig in zijn uiter- lijk draagt. De groote zorg der imitatoren is natuurlijk, om uit den kring, waarin ze schitteren, den profeet verwijderd te houden, en zoo angstig hun mysterieusheid te hoeden; ze zullen hun geestelijken vader eerst trachten dood te zwijgen, en dan te verloochenen. Die zorg is intusschen meestal noodeloos, want de verwantschap tusschen het verdunde en het onverdunde wordt niet licht herkend.
Van de meeste werken van transcendente waarheid,
die tot ons zijn gekomen, was de schrijver een imitator.
Zijn geestelijke vader zal nooit neiging tot schrijven
hebben gehad; maar de waarheid straalde uit van zijn
persoon, oneindig veel sterker, zonder dat hij sprak of
schreef, zijn leven lang; hij zou in de vereischte
verdunning niet kunnen schrijven, maar voelde ook geen
neiging, om de waarheid, die boven de aarde leeft, op de
aarde te doen bedelen; om de waarheid, die boven de taal
leeft, in de taal te doen bedelen. Maar gretig zal die taktiek worden aangewend door de imitatoren. Zij zullen de wereld bevrijden van allerlei slechtheden, domheden, onrechtvaardigheden, en voor weldoeners der menscheid worden aange-zien, en — de menschheid zoo ongelukkig laten als ze was. Zij zullen de menschen hun domme meenin-gen ontnemen, en er hun andere domme meeningen voor in de plaats geven, en zullen voor wijzen worden versleten, en — de menschheid zoo dom laten, als ze was.
Wetend, dat bijna alle menschen er naar haken, zich beter dan anderen te kunnen achten, te kunnen roepen het: “Heer, ik dank u, dat ik niet ben, gelijk deze”, en zich gewichtig te voelen om een geloof dat zij — en anderen niet — aanhangen, trommelen ze vereenigingen van vegetariërs en theosofen bij elkaar, ja kweeken onder de bezitters socialisten, die niet merken, hoe krom het is, zich socialist te noemen, en zijn kapitaal aan zich te houden.
Ze kregen de menschen waardeloos tot minder
groote jalouzie en inhaligheid — vroeger, door hun alle
weldaden voor te stellen, als hiernamaals duizendvoudig
vergoed; — tegenwoordig door er op te wijzen, dat een
leven van liefde en broederschap een ideaaltoestand voor
menschen is, en dat wie naar dien toestand streeft, het
goede doet, en beter is dan anderen; soms zetten ze
daarbij uiteen, hoe betoonde liefde de
gelaatsuitdrukking schooner maakt, en zoo voor wie oogen
heeft, zichtbaar is.
Elke waarheid wordt, om ingang te vinden,
pasklaar gemaakt, van toelichting voorzien. ook nu weer op andere wijzen tegen hun gezondheid zondigen doet. Ze zeggen niet kortweg: “Bid en Werk”; maar lichten toe, dat bidden is een samenvatting, concentra-tie, die beter den levensweg doet overzien, en daarna frisch en vast doet gaan, en voor verblinding en misslagen behoedt.
Ze zeggen niet eenvoudig: ,,Ge behoordet naakt te
leven in de natuur, die natuur intact te laten en niet
te arbeiden”, maar lichten toe met: “Ge zijt bang voor
te veel warmteverlies; weet dan dat onze voorouders hier
naakt leefden, in een tijd dat het klimaat volstrekt
niet zachter was dan thans; dat de Jakoeten bij 40
graden vorst zoo goed als naakt loopen; — ge vreest, dat
de natuur niet rijk genoeg zal voeden, als ge niet
arbeidt; bedenk dan, dat, wat uit de natuur als een
harer vormen is voortgekomen, van zelf ook door haar in
stand gehouden worden zal, zoolang dat past; en bedenk
verder, dat Catharina van Siena in ‘t geheel niet at; —
en eindelijk zijt ge bang, dat wilde dieren uw kostbaar
lijf verscheuren zouden; zoo weet, dat geen wild dier
een waarlijk goed mensch aanvallen zal; die heeft iets
in zijn blik, dat uw glazige oogen, die het niet hebben,
ook niet zien, de wilde dieren echter wel; eerst ouder
volke-ren, die in begeerte leefden, waren, om de wilde
dieren te bestrijden, helden noodig.” Ja, soms verklaren ze zich bereid, om met de dwazen, hun medemenschen, te debatteeren; waar hun uitspraken den wil der anderen moesten ontkennen, veronderstellen ze bij een debat niet alleen dien wil der anderen, maar er bij hun eigen wil als daaraan gelijk.
Vaak zullen ze ook in de toelichting tot hun ontkenningen, die tot der hoorders troost, weer stilzwij-gend gaan herroepen. Zoo zeggen ze niet zonder meer: ,,Ontdoe u van den waan van constantheid der stof: zónder beperking kan het Zelf alles scheppen”, maar voegen daaraan toe verklaringen en hypothe-sen wat stof dán is, waarbij zoo weer de constantheid van andere dingen, misschien electronen, even dwaas wordt ingevoerd.
Zoo is de rol der predikers niet meer dan een leiding, een begeleiding zonder macht, van de zelfwijzi-ging, de zelfontwikkeling van het begeerteleven op de aarde, waar alle dwaasheden een tijdelijk bestaan voeren, tot ze zichzelf hebben overleefd, en rijp zijn om door predikers te worden opgeheven, en voor nieuwe plaats te maken. Maar steeds blijven de menschen doen, alsof het doel de middelen heiligt; zien dwaselijk een doel, als op zichzelf begeerenswaard, en jagen het na met op zichzelf als stuitend gevoelde middelen; ze voelen als stuitend het fokken en melken en voeren van koeien, en hopen daarvan toch zegen: blijven vleesch en melk gebruiken, tot hun daarvan het schadelijke wordt aangetoond; ze voelen als stuitend het planten en snoeien en mesten in tuinbouw, en hopen daarvan toch zegen: blijven zoo gekweekte groenten en vruchten gebruiken, tot hun daarvan het schadelijke wordt aangetoond; ze voelen als stuitend het werk aan spinnewiel en weefgetouw, maar blijven gordijnen en kleeden gebruiken, tot hun daarvan het schadelijke wordt aangetoond; ze voelen als stuitend alle arbeid en gestreef, toch wachten ze zegen van de cultuur; of, wie ontgoocheld er uit wil trekken, gaat streven en arbeiden op andere wegen — toch weer, want streven en arbeiden ligt in zijn aard. Zoo ziet de wereldgeschiedenis de menschelijke gevangenis slechts vervormen, maar nimmer worden de wanden gebroken.
meer intellectueel is, zal ze voor de lezers bloot-prikkelend of idealen-bevestigend zijn. Er wordt gezongen van liefde en weemoed; passie en wanhoop; wolken, strand en zee; papavers, maan en madeliefjes, zooals ze verschijnen in de gevangen wereld: de lezer hoort weerklinken zijn eigen fantazieën, en vindt een aangenamen steun, en meer zelfvertrouwen en tevredenheid, wat hem groot nood doet. En het meeste vindt hij zijn gading, als er ,,Weltschmerz” is door gewerkt, wat hem stilzwij-gend de troostende belofte schijnt te geven van een evenwicht, uit ,,Weltschmerz” door kweeking van gevoel gecompleteerd, en hem zijn eigen onbevredigdheid trotsch in bodemloos gemijmer doet ontvluchten, tot tijdelijke vrijheid van pijn. Als alle koopwaar, worden ook waarheid en lyriek vervalscht, ja worden bijna niet onvervalscht aangetroffen. Zoo weinig als de fabrikanten van kindermeel en vleeschextract aan de waarde van hun waar gelooven, zoo weinig als de leiders van spiritistische seances te goeder trouw zijn, zóó weinig gelooven de meeste filosofen en moralisten, wat ze schrijven, zóó weinig hebben de meeste lyrici zelf geluk bij hun verzen gevonden. Maar de kritiek der bedorven instincten is niet fijn; ook het vervalschte wordt aanvaard; mundus vult decipi. De priesters gelooven het niet, wat ze de menigte voorhouden; de leiders van politieke partijen bedriegen het volk willens en wetens, met woorden, die ze zelf niet begrijpen; de meeste dichters, schilders en verdere artiesten, hebben zich die rol aangematigd, uit slechte kansen op een plaats in de maatschappelijke industrieën, door zwakheid of luiheid; en het kritiekloos publiek erkende na eenigen tijd hun plaats in het kuustvak, waar ze geen onvervalschte waar leveren — omdat ze het niet kunnen.
De fantazieën der mystiek worden gegrepen in
de vormen, die het dichtst staan bij de nederige, door
háár te heiligen, taak, in de droeve
wereld te vervullen; ze zullen dus niet licht
verschijnen in muziek of beeldende kunst, maar het meest
in wat het naast staat aan der menschen vloek, het
intellect — in ‘t woord. Soms geven waarheidsklanken, zoo min als de mystieke, rekenschap aan ‘t intellect, maar zijn toegankelijk voor ‘t intellect; de menschen, die ze spraken, kenden Zelfinkeering, maar telkens in ‘t gevangen leven, stelden ze die aseisch buiten zich, en lieten ze op zich inwerken, om zich te sterken door woorden van inzicht en levensvoering, geplaatst in het systeem van ‘t afgegrensde leven, waarin hun attentie was teruggetreden. Ze kunnen hemi-mystieken genoemd worden: hun werken zijn voor den verstaander hinderlijk, daar ze de bovenaardsche waarheid niet hoog genoeg houden — en voor den niet-verstaander uiterst gevaarlijk: naar vastheid dolenden, die ze tegenkomen, worden er door tot allerlei extravagances gebracht. Aan bijna alle godsdienstige geestdrijverij en sektevorming lag een hemi-mystiek verkondigde waarheid ten grondslag. Van dit standpunt had de Kerk groot gelijk met de veroordeeling der ketterij van Eckhart, Huss, Luther en Calvijn, die wat boven de aarde hoort gelaten, neerhaalden op de aarde. Die menschen konden zich niet handhaven in het onbewogen aanzien van de wankelheid hier beneden als Gods wil; door hun eigen wankelheid verleid, lieten ze die op hun wil inwerken, en hun wil er op inwerken.
Ook de bijbel bevat veel te veel hemi-mystiek, om
door de menigte ongestraft te kunnen worden gelezen. Zuivere mystiek is voor ‘t intellect, voor ‘t afgegrensde leven, zinloos; ze roept geen gewetens van slechte menschen wakker, laat de Grooten der Aarde met rust, en wordt door hen met rust gelaten, — als onschadelijke curiositeit. Verder kan, daar mystiek buiten het verstandsleven staat, er verstandelijk niet veel meer dan negatiefs van worden gezegd. Ze kan niet worden geleerd, alleen herkend. Waarheid schrijven kan ieder met talent, en talent kan leven in gevangen gemoed; waarheid begrijpen kan ieder met gezonde aardsche zinnen; mystiek schrij-ven of herkennen vereischt een zielevrijheid, niet door aardsche krachten te verwerven, maar alleen gegeven door goddelijke genade. Mystiek is heel iets anders, als occulte wetenschap, veelmeer een tegendeel, waar mystiek alle weten ontkent, en occultisme den hang naar weten in ‘t verste vervolgt; occultisme staat buiten het moreel; mystieke wijsheid gaat niet zonder moreele hoogheid.
Nergens heeft mystiek een draad of passende
volgorde; elke sententie staat op zich zelf, en behoeft
geen andere om vooraf te gaan of te volgen, zooals
begrijpelijk voor iets wat begeleidt wat buiten den tijd
is. Vraagpunten der metaphysica, als onsterfelijkheid,
vrije wil, zin van kunst en godsdienst, grondslagen der
moraal, verschijnen hier als raadseluitvloeisels van het
intellect, en met dat verschijnen is van elk het
raadselachtige verdwenen, en tevens gebleken zijn
onoplosbaarheid in ‘t intellect. Die zweite Eigenschaft entsteht aus der ersten, and ist das Ziehen oder Bewegen in der Schärfe. Denn der Magnet (das Anziehen) macht Harte und die Bewegung zerbricht die Härte wieder, und so ist ein immerwährender Streit in sich selber. So entsteht das bittre Wehe, ein Stachel der Empfindlichkeit, welche ohne die Schärfe und Bewegnis nicht wäre. Die dritte Eigenschaft ist die Angst, als das Wollen, das sich in Annehmlichkeit zur Natur und Ichheit eingeführt hat. Diese Bewegung ist in sich gleich einem drehenden Rade. Denn die Begierde zieht in sich und die Bewegung dringt aus sich: so kann der Wille in solcher Angst weder in sich noch aus sich und wird doch aus sich und in sich gezogen. Diese Angst ist das wahre Fundament der Hölle — wofern sie nicht — wie ewig in Gott geschieht — in die Freiheit des Lichtes verschlungen und aufgehoben wird” (Böhme ed. Claassen II p. 57.) “Die Kreatur soll unter Gott in Demut und Gehorsam bleiben and sich nicht weiter erheben; denn sie ist noch nicht Gott gleich; Gott will Kinder und nicht Herren bei ihm haben: Er ist Herr und Keiner mehr.” (ib. p. 65.) ,,Ehe Gott das Wort der Schöpfung faszte, ging das Rad der ewigen Essentien ohne Wesen im Wunder. Als er aber den Willen ins Fiat setzte, gings in Wesen. Und da hat sich angefangen die Zeit, die zuvor in Ewigkeit nicht war.” (ib. p. 66.) ,,Weil die Offenbarung der ewigen und der aüszeren irdischen und gefallenen Natur im Streite steht, so sind auch der finstern Welt Geister wider der heiligen Welt Geister, sonderlich aber wider die menschen, weiche in Böse und Gut offenbar stehen. So hat Gott eins wider das andre gesetzt, auf dasz seine Herrlichkeit offenbar werde, beides in seiner Liebe und seinen Zorn.” (ib. p. 78). “Die Engel sind unsre Diener und Wachter, so wir anders Christen und nicht Tiere sind”. (ib. p. 79.) ”Es musz gerungen sein, bis das finstre, harte, verschlossene Zentrum zerspringt und der himmlische Funke in Zentrum fähet, daraus alsbald der edle Lilienzweig, als aus einem Göttlichen Senfkörnlein, wie Christus sagt, ausgrünt. Es musz ernstes Beten mit groszer Demut geschehen und man musz mit der eigenen Vernunft eine Weile ein Narr sein, sich selbst darin thöricht erscheinen, bis Christus eine Gestalt in dieser neuen Menschwerdung bekommt.” (ib. 1. p. 183). “Es ist wohl möglich, dasz ein armer toter Sünder bekehrt werde, wenn er von den Bildern will stillstehen und einen Augenblick hören, was der Herr in ihm redet. Aber der verstockte, verbitterte Geist, will des Herrn Stimme in ihm selber nicht hören reden, sondern sagt nur: Buchstabe! Buchstabe! das geschriebene Wort sei es allein. Das zieht er hin und her und rühmt sich dessen, aber das lebendige Wort, das den Buchstaben hat ausgesprochen, will er in sich nicht dulden noch hören. Soll er aber zur Erkenntnis kommen, so musz er sich den Buchstaben zuvor töten lassen, alsdann macht ihn der Geist in Buchstaben erst recht lebendig.” (ib. III p. 215).
“Zuweilen reissen die stürmisch erregten
Sinne selbst das Herz eines weisen Menschen mit Gewalt
dahin. Wenn jemand nach sinnlichen Dingen trachtet, so wird sein Herz von jenen angezogen; aus dieser Anziehung entsteht Begierde, und aus der Begierde die Leidenschaft. Aus der Leidenschaft entsteht Verstandesverwirrung; aus dieser Vergessen erkannter Wahrheit; aus diesem Vergessen kommt Unvernunft, und der unvernünftige verdirbt. Wer aber den sinnlichen Dingen mit Sinnen, frei von Neigung oder Abneigung begegnet, und selbst beherrscht ist, erlangt den Frieden, weil seine Seele von Ruhe erfüllt. Der Friede in ihm macht ihn frei von allen Sorgen; denn das Herz dessen, in dem Friede herrscht, wird bald Festigkeit erlangen. Weder das wahre Verständnis, noch die richtige Sammlung des Geistes wird den Nichtergebungs-vollen zu Teil. Es giebt keine Ruhe für ihn, in dessen Gemüt keine Ordnung herrscht; und wie könnte, wer keine Ruhe hat, glückselig sein?” (Bhagavad Gîta II, 60—66). ,,Lasset euch nicht von Freude hinreiszen, wenn euch etwas Angenehmes geschieht, noch übergebt euch der Trauer, wenn euch etwas Widerwärtiges zusstösst. Lasst euer Gemüt in wolkenloser Klarheit in Brahma ruhen, in den ihr Brahma erkennt und in ihm lebt. Wessen Seele nicht an aüsseren Dingen hängt, wer in sich selbst Glückseligkeit findet, dessen Seele ist, mit Brahma durch Ergebung vereint, in ewiger Wonne. Die Freuden, durch Berührung mit der Aussenwelt erlangt, gebären Leiden. Sie haben Anfang und Ende, nicht in ihnen sucht der Weise sein Heil. Wer schon auf dieser Erde, noch ehe er von seinen Körper frei ist, den Drange der Begierde und des Zornes widerstehen kann, ist glücklich.
Wer in sich selbst ist glücklich und mit
sich selbst zufrieden, und findet in sich selber das
Licht der Erleuchtung, ein solcher Yogi ist Eins mit
Brahma, und findet Nirvanah in ihm”. (Bhagavad Gita V,
20—24).
Wenn er mit jener unendlichen Wonne erfüllt,
welche jenseits des Sinnlichen wohnet, und die nur die
Seele erfassen kann — und wenn er fest darin verharrend,
nicht mehr von der ewigen Wahrheit lässt, Dann wird er erfahren haben, dass die Einigung mit dem Höchsten, ist die Lostrennung von aller Berührung mit dem, was Leidwesen bringt”. (Bhagavad Gîta VI, 20—23). VIII
Ook is van het Zelf, van de transcendente
waarheid, in de wereld een begeleiding zonder meer het
tastbare leven der vrijen, die hun oude, voldongen karma
uitboeten, zonder nieuw karma te scheppen, die nooit de
nederig aanvaarde wanden met geweld verbreken, maar ook
nooit dralen, om zoo gauw buiten eigen toedoen een poort
van bevrijding zich opent, die door te gaan; die in ‘t
algemeen hun stoffelijk lichaam voelen als inklemming,
die ze erkennen, tot het Gode behaagt, hun aflossing te
geven en hen tot zich te nemen. Voor hun medemenschen
zal hun invloed in de wereld nietig lijken: toch zijn
juist zij de volvoerders van het Noodlot, dat schijnbare
toeval, dat buiten de causaliteit om in het leven richt
en wreekt. Maar met hun doelbeoogend doen zullen ze niet
ingrijpen in den gang der gebeurtenissen, ze zullen de
zelfwreking der slechtheid niet storen, dus ook
versmaden, de waarheid te prediken. Maar bij al hun
nederigheid en teruggetrokkenheid zal de waarheid in hun
persoonlijkheid der menschen geweten storen en hun
boosheid tegen hen hitsen, en uit de hun gedane smaad en
pijn ontspringen de evangelie-stroomingen over de
wereld, schijnbaar positief, nieuw, maar slechts
negatief; het oude wrekend. gingen zijn voor hen slechts de zwaarste bezinksels der dikke menschenvloeistof. Zoo zal bij een man het leven gericht zijn op absolute eenzaamheid, niet bij een vrouw: háár leven blijft een zoeken en zich geven, tusschen het menschelijke, d.i. mannelijke in. Want zijn voldongen karma, waardóór zijn leven voert en waaruit het is weggericht, is het milieu waarin hij geplaatst is, en het daarop reageeren volgens zijn doen, zijn intellect; het hare is de hang naar het mannelijke, zooals het leeft in den geliefde; door dien hang naar menschelijkheid buiten haar, onverbiddelijk van haar geschei-den, voert haar leven in langzame reiniging; milieu, omstandigheden en eigen menschelijke faculteiten zal ze negeeren. Maar haar leven blijft gericht op den geliefde, blijft dus in de wereld, en ze voelt, aan geen ontvluchten te mogen denken, zoolang ze geen man is; terwijl zijn weg heenleidt uit de wereld: hij schrijdt, zoo gauw hij van zijn mannelijkheid bewust wordt, tot uitboeting en opheffing daarvan.
Zoo zullen die storende aandoeningen slechts wegrichten uit de samenleving zijn geduldig afwach-tende gang. Steeds minder worden zijn behoeften, die lichamelijke belastingen, en, wat er van overblijft, zal hij, in zuiveren weerzin tegen paraziteeren, steeds meer direct door eigen arbeid voldoen, en de zuivere weerzin tegen dien arbeid, zal richten het verdwijnen van arbeid en behoeften.
Zoo vordert buiten eigen toedoen de langzame
reiniging van zijn omgeving, en de verijling der
intellectueele nevelen, mét het onzuiver milieu
nederig door hem gedragen; zoo is in zijn intellect zijn
levensweg een boschlaan, die duister scheen aan ‘t eind,
maar zich steeds weer, en steeds méér,
klaart. der nichts will und nichts weiss und nichts hat. Und ist es noch so im Menschen bestellt, dass Gott eine Stätte in ihm zu wirken findet, so sagen wir: so lange das im Menschen ist, ist der Mensch nicht arm in der tiefsten Armut, denn Gott ist nicht der Meinung mit seinen Werken, der Mensch solle eine Stätte in sich haben, worin Gott wirken könne, sondern das ist eine Armut des Geistes, dass der Mensch Gottes und aller seiner Werke so ledig steht, dass Gott, wenn er in der Seele wirken will, selbst die Stätte sei, worin er wirken will, and das tut er gerne. Da ist der Mensch was er war, und da nimmt er weder ab noch zu, denn er ist da eine unbeweg-liche Ur-Sache, die alle Dinge bewegt. Allhier findet Gott keine Stätte in ihm, denn der Mensch erlangt mit seiner Armut, dass er ewiglich gewesen ist, and immer bleiben soll; Allhier ist Gott in Geist eins, und das ist die tiefste Armut, die man finden kann”. (Meister Eckhart).
Het weinige, wat hij nog doet, doet hij
omkeerbaar; levert zijn werk resultaat, het is hem
onverschil-lig; en daar al zijn daden omkeerbaar zijn,
kan hij zoo goed in ‘t kwade, als in het goede zich
laten gaan; soms zál hij het kwade doen, soms
zál hij zijn aardsche banden schijnen te
verzwaren: de wegen van het Zelf zijn ondoorgrondelijk.
Misschien zal hij in ‘t leven teruggaan en blijven,
zonder berouw, daar schijnen door hartstochten reddeloos
voortgedreven, regelrecht naar de hel. Maar het roert
hem niet, hij staat buiten de wereld, hij heeft er geen
plichten, hij kan er niet zondigen; hij dóet er
niets, hij is al lang dood, zijn attentie zweeft in
betere gewesten, en: ,,L’apostasie est permise, quand le
cœur est pur.” (Flaubert). ,,Wer in seinen Innern den Himmel der Glückseligkeit findet, wer in seinen geistigen Selbstbewusst-sein sich seines unendlichen Daseins erfreut, und in sich selbst (in Gott) völlige Zufriedenheit hat, für den ist nichts mehr zu tun übrig. Denn er, über alle Welten erhaben, kümmert sich nichts mehr um das, was in Welten geschieht oder auch nicht geschieht; und braucht er auch zu keinem Wesen Zuflucht zo nehmen.
Thue deshalb, was getan werden muss; aber ohne
Band. Wer völlig handelt ohne Band, gelangt zum
All-Einigen.
Wer aber in Essenz den Unterschied erkennt
zwischen Natur und Ur-Sein, und wer erkennt die
Kräfte wirkend in den Kräften, der ist nicht
durch seine Werke gebunden.” (Bhag. Gîta III
17—19; 27—28) Wer in Göttlichen aufgeht, wer die Wahrheit erkennt, der sage mit Recht: “Nicht ich bin es, der wirkt!” wenn seine Natur sieht, hört, fühlt, wacht, schmeckt, isst. schläft und atmet. Im Sprechen, Festhalten oder Geschehen lassen, Auf - oder Zumachen der Augen, weiss er, es sind die Sinnesorgane, die sich beschäftigen in der Sinneswelt. Wer, ohne Band, Alles im Namen des Höchsten thut, wird nicht von Sünde befleckt; wie auch das in Wasser schwimmende Lotusblatt nicht vom Wasser verunreinigt wird. Die Heiligen, von allen Banden des Weltlichen losgetrennt, vollbringen ihr Werk durch Körper, Gemüt, und Verstand, und sogar durch die Sinne, zur Reinigung des Kernes. Der Gottergebene, der auf die Früchte der Werke verzichtet, erlangt den ewigen Frieden. Der Weltmensch, gezogen durch Begierde, ist gebunden.” (Bhagavad Gîta V 7—12). Maar de vrije mensch, hetzij hij voortgaat te ontvluchten door elke poort, of terugtreedt in het leven, hij heeft de wanden van het leven niet aangeroerd, er geen contact, geen pressie mee gehad; juist daar-door blijven die wanden transparant voor zijn schoonheid, die, alleen voor zijn gelijken zichtbaar, straalt door alles wat hem bindt, zijn huis, zijn kleeren, zijn vaderland en zijn lichaam, als zijn “idee”, het karma, dat hem belastte bij zijn geboorte, en waarboven uit hij gestegen is; die schoonheid is vrij van de wereld, dus vrij van verwording en vergankelijkheid — een schoonheid van vrijheid, zichtbaar in gebon- denheid, waar de vrijheid in beproeving gaat door gebondenheid.
Zoolang hij nog niet weg is uit de samenleving,
zullen er vrouwen zijn, wier leven naar het zijne
vloeit; drijft ze hartstocht, of zoeken ze in zwakke
mannelijkheid zijn steun, dan dringt hun leven niet tot
het zijne door, want ze zien niet hem; maar leven ze in
gereinigd vrouwenleven, als vrouwen zonder eigen leven,
ín hem, dan zien ze hem, en samenvloeien zal hun
leven met het zijne; daar dan verder hun afwezigheid van
eigen leven ze niet toelaat, los te worden van de
samenleving, zal het door die vrouwen zijn, dat hij het
laatst contact houdt met de samenleving, zal het door
zijn vrouwen zijn, dat hij nog het laatst door dunne
draden wortelt in de samenleving. Hun onbewust
uitgestraalde verleiding zal hij aanzien als de vreemde
bekorende straling van bloemen in zijn droom, die door
aanraking weg is en den schuldige gedood heeft; maar die
van hem, die in eerbiedig ontzag er langs heen gaat, het
leven heiligt; die immaterieel is, en juist daarom voor
de in veelheid en materie gevangen attentie — die ze
prikkelt — niet te grijpen, maar in de klare ziel, die
zich handhaaft immaterieel, zonder weerstand doordringt.
“A l’entrée du bois, sur une manière de bûcher, est une chose étrange — un homme — enduit de bouse de vache, complètement nu, plus sec qu’une momie; ses articulations forment des nœuds â l’extrémité de ses os qui semblent des bâtons. Il a des paquets de coquilles aux oreilles, la figure très longue, le nez en bec de vautour. Son bras gauche reste droit en l’air, ankylosé, raide comme un pieu; — et il se tient là depuis si longtemps que des oiseaux ont fait un nid dans sa chevelure. Aux quatre coins de son bûcher flambent quatre feux. Le soleil est juste en face. Il le contemple les yeux grands ouverts.” Dan zegt hij, (de vlammen spelen om hem heen):
,,Pareil au rhinocéros, je me suis
enfoncé dans la solitude. J’habitais l’arbre
derrière moi.
Comme l’existence provient de la corruption, la
corruption du désir, le désir de la
sensation, la sensation du contact, j’ai fui toute
action, tout contact; et — sans plus bouger que la
stèle d’un tombeau, exhalant mon haleine par mes
deux narines, fixant mon regard sur mon nez, et
considérant l’éther dans mon esprit, le
monde dans mes membres, la lune dans mon cœur, — je
songeais l’essence de la grande Ame d’où
s’échappent continuellement, comme des
étincelles de feu, les principes de la vie. Je reçois la science, directement du ciel, comme l’oiseau Tchataka qui ne se désaltère que dans les rayons de la pluie. Par cela même que je connais les choses, les choses n’existent plus. Pour moi, maintenant, il n’y a pas despoir, et pas d’angoisse, pas de bonheur, pas de vertu, ni jour ni nuit, ni toi ni moi, absolument rien. Mes austérités effroyables m’ont fait supérieur aux Puissances. Une contraction de ma pensée peut tuer cent fils de rois, détrôner les dieux, bouleverser le monde. .....J’ai pris en dégoût la forme, en dégoût la perception, en dégoût jusqu’ à la connaissance elle- même, — car la pensée ne survit pas au fait transitoire qui la cause, et l’esprit n’est qu’une illusion comme le reste. Tout ce qui est engendré périra, tout ce qui est mort doit revivre; les êtres actuellement disparus séjourneront dans des matrices non encore formées, et reviendront sur la terre, pour servir avec douleur d’autres créatures. Mais, comme j’ai roulé dans une multitude infinie d’existences, sous des enveloppes de dieux, d’hommes et d’animaux, je renonce au voyage, je ne veux plus de cette fatigue! J’abandonne la sale auberge de mon corps, maçonnée de chair, rougie de sang, couverte dune peau hideuse, pleine d’immondices; — et, pour ma récompense, je vais enfin dormir au plus profond de l’absolu, dans l’Anéantissement.”
te drukken. Maar wat op hun weg komt, kunnen ze alles, en meer dan kunsten, dan kunnen ze wonderen.
De grenswand om haar zal opengaan, als haar geliefde duurzaam uit zijn karma valt; zoo blijkt de innerlijke tegenstrijdigheid van dat karma, dat zichzelf verlaat, zoo blijkt de illusoriteit van haar ideaal; óf. . . . als een hooger mannelijk karma haar verschijnt: dan schijnt een hooger licht door de oude grens-wand heen, die blijkt een niets te zijn, met een achterkant, die de voorkant opheft; en de diepere, lichtere wand, achter de oude zichtbaar geworden, trekt al haar aandacht. De nieuwe geliefde heeft haar geheele hart; tot zijn heil wordt misschien de oude met schijn-trouw bedrogen. Zooals de vrije mannelijke levensgang nederig uitleeft de intellectueele reaetie op zijn milieu — zoo de vrouwelijke het liefdeleven, dat háár voldongen karma is, . . . totdat de laatste, ijlste, lichtste wand gevallen is, en ze staart in de leege ruimte: de schijn-vastheid in de mannelijkheid buiten haar, waardoor alleen haar vrouwelijkheid bestaan kon, is vervluchtigd; dan heeft ook haar leven afgedaan. Bij de láátste openbaring is haar leven ineengezonken. Na velen achtereen gediend te hebben, steeds in reiner fase, verschijnt haar de laatste Vriend, in wien het mannelijke zichzelf heeft opgeheven, en als hoogste mannelijk princiep tot zijn Vader is weder-gekeerd, de laatste Vriend, wien niet te dienen is, dan door hem te laten en heen te gaan. En ze gaat heen en legt zich te sterven. IX
Een ding nog is er, waarvan het vrije leven zich zorgvuldig smetteloos houdt, zoolang zijn banden met de samenleving duren: ekonomie. Onwrikbaar zal daar zijn de zekerheid, dat voor die samenleving dwaasheid en onrecht essentieel zijn; was ze beter, regeerden er liefde en broederschap, ze had geen reden van bestaan, ze zou niet zijn. En intellectueel dat nader te aanschouwen, de wijzen en wetten van dat ongeluk en onrecht onder de oogen te zien, het zal daar niet lokken; de vrije mensch voelt van de wereld niet, dan wat die voor hem zelf aan dwang en grenzen is, aan doem van eigen schuld, die uit te boeten is; en in dien doem ligt al zijn aandacht, en in de zich langzaam voltrekkende vrijlating, nergens glijdend in verlokkingen, zoo min iets na te streven als begeerenswaard, zoo min ook iets te gaan verhel-pen als betreurenswaard; want wie iets ziet als begeerenswaard of betreurenswaard, die ziet het als iets buiten zich, als deel van een wereld die onafhankelijk en standvastig bestaat, als deel van een vast onver-vreemdbaar bezit, dat men kan kweeken, verzorgen, zuiveren, groeien doen, zooals men het zijn bloemen en zijn kippen kan doen; zoogoed tot wereldverbetering als tot eigen macht is invloed oefenen naar buiten: verblinding, ijdelheid, heerschzucht. De vrijen zien veelmeer hun medenenschen, als tot mede-leven lokkende, den levensweg storende waanvoorstellingen, die als schuld zijn te dragen, want hun vrijheid duidt ze niet naast zich. En de vrijen glijden daar langs heen met omzichtigheid.
Het knoeien en wijzigen aan de gemeenschap, dat
zullen ze rustig laten aan de gekken met ambitie; wel
wetend dat die gekken er altijd zullen zijn, niet
vreezend de mogelijkheid van hun ontbreken: want waren
er niet, die streefden naar den waan, de wereld te
regeeren, dan ware de wereld volmaakt, en geen regeeren
noodig en geen gemeenschapszorg; en was de wereld
volmaakt, dan zou ze er niet zijn. Ze hebben het over “Rechten van den mensch”, alsof de mensch in ‘t leven rechten meebracht, en meer dan ellendige plichten, tot straf voor zijn geboren-worden.
Ze hebben het over den “arbeid”, zijn
noodzakelijkheid, en het geluk, dat hij meebrengt. Alsof
de arbeid der menschheid iets anders was, dan blinde
stuiptrekking van angst voor wat geen kwaad is, en van
begeerte naar wat ellende brengt; die arbeid, waardoor
het insectenleger der menschensoort heeft teruggedrongen
en weggevreten de moederende natuur, die haar
voortbracht en in evenwicht hield, zoodat ze eenzaam, in
ellende, zonder evenwicht en zonder steun, om het leven
te rekken, de diensten aanneemt van helsche machten, als
cohaesie en vuur; die arbeid, die met helsche machten
weelde schept, die wegvloeit in zinnelijkheid, de
menschensoort nóg uitbreidt, nóg
verellendigt, nóg meer van de diensten der hel
afhankelijk maakt; die arbeid, die, zoolang der menschen
zonde de wereld noodig maakt, als werktuig van vrees en
begeerte, haar als noodzakelijk droef, dwaas en
ongelukkig zal in stand houden. Ze praten dan ook van talenten en levensvreugde, die in de arme verdrukte klassen niet tot hun recht zouden komen; nu bestáát levensvreugde niet, ze wordt alleen begeerd; want het leven is vreugdeloos. En talenten lokken tot verdoling van attentie, en negeering van talenten spaart veel dwaasheid en veel droefheid; maar mócht tot iemands vrijen levensweg, tot de afboeting en ontgroeiing uit zijn karma, het uitrijpen van zijn talenten behooren, dan zal het hem bij houden van verbinding met het Zelf gebeuren, al was hij geboren in de meest verdrukte klasse.
Of ze hebben het over het “Recht”, en roepen in
de toekomstvreugde van kinderlijke hoovaardij, dat het
éénmaal eindelijk op aarde heerschen zal.
Maar is het recht iets anders dan verstarring van die
vereeniging der menschen, die hun scheiding uitdrukt
zonder onafhankelijkheid? Heeft niet in het recht de
menschheid zich vereenigd in gemeenschappelijke vrees
voor het onzekere en voor elkander? Zonder dat het
intusschen iets anders bereikt dan verplaatsing van het
terrein van onzekerheid en onderlingen strijd naar veel
afgelegener gebied, dan toen ze open met alle
beschikbare middelen elkander vermoord-den? Op de basis
van het recht wordt de strijd feller en stuitender, dan
zonder recht; reeds bij het duel, waar wapenen èn
opening van strijd de spontaniteit missen, begint het
weerzinwekkende. Maar bij ons is niet alleen het
vuistrecht afgeschaft en duelleeren we niet meer, maar
we moeten ook onze schulden betalen en mogen geen
valsche handteekeningen maken, waarmee de gluiperige
geldmacht en de parazitaire staatsinrichting beschermd
blijven, en het terrein van geoorloofden strijd is
verplaatst naar een hoogst onfrisschen achterhoek, en
dáár ligt nu het zwaartepunt van het
maatschappelijk leven, dáár vermoorden en
bedriegen ze elkaar. Trouwens, wie daar niet vechten
wil, en het recht wil negeeren, die doet het; de strijd
tégen het recht is uitlokkender en
menschwaardiger, dan die in het recht; en voor wie
heelemaal niet bang is, is het recht geen moeilijke
partij; schrik niet: van 90% van alle moorden komt nooit
iets uit; troost u, dat het voor de vermoorden het beste
was, en dat ze hun lot verdienden. Maar zoo is het volk door begeerte verblind, dat het niet eens opmerken durft, hoe zijn leiders leven in onrechtmatige rijkdom buiten hen, en macht over hen, ja dat in een politieke partij meer mensch-onteerende discipline en neerdrukking van persoonlijke ontplooiing heerscht, dan de staat, die ze bestrijdt, doet gelden over zijn meest verdrukte onderdanen; socialistische werklui zijn meer de slaven van hun leiders, dan van hun ekonomische meesters. Vroeger vocht het volk voor de heeren tot voorge-spiegelde natiebevrijding en -handhaving, nu ook tot voorgespiegelde klassebevrijding en -handhaving; maar het volk zelf wordt nooit bevrijd, het blijft verdrukt en geëxploiteerd ten bate der begeerten of dwaze fantazieën en idealen der enkelen. Het terrein dier verdrukking en exploitatie verplaatst zich onder leiding der doorgebroken waarheid; het onrecht zelf blijft, overvloedig gevoed door vrees en begeerte en dwaasheid, en in zijn tijdelijken vorm steeds weer gesteund door een nieuw aspect van het “recht”. Neen, de wereld kan niet zoo vervormd worden, dat ze dan menschen het goede geeft; de levensvoor-waarden der maatschappij blijven ongelukkig, en het leven van elk mensch blijft een ellende, door hoop-vol streven naar lotsverbetering en ontwikkeling slechts vergroot. Alleen als álles werd overgegeven, in alles berust, zou de ellende verdwenen zijn; maar ziet de wereld vol van ongelukkigen, wanen iets te bezitten, bang dat bezit los te laten, en hoopvol zwoegend het andere er bij te krijgen; het volk, dat streeft naar weelde, naar rijkdom; en wier rijkdom verzekerd, wier effecten geborgen, met even onver-zadelijke honger naar kennis, macht, gezondheid, of eer, of zingenot. Maar
alleen, die weet, niets te bezitten niets te kunnen
bezitten en geen vastheid bereikbaar, en in berusting
zich overgeeft, die alles opoffert, die alles geeft, die
niets meer weet en niets meer wil en niets meer weten
wil, die alles laat gaan en verwaarloost, hem wordt
alles gegeven en opent zich de wereld van vrijheid, van
pijnlooze contemplatie, van — niets.
|