L. E. J. Brouwer  1881-1966


Pijltje Voorpagina website
    



Leven, Kunst en Mystiek, hertaling 2005


VII

 

     Aan iedereen, die van de immanente waarheid van de buitenwereld doordrongen is en die de onvermijdelijke desillusie van alle inspanningen en de onontkoombaarheid van het karma heeft onderkend, wijst dat inzicht naar de Hereniging van de wereld met het Zelf. Het wijst naar de transcendente waarheid. De transcendente waarheid verbeeldt in deze tragische wereld het Koninkrijk Gods, de eeuwig emanerende en resorberende Zelfkennis, het onbestendige van alle denkbeelden en het παντα ρεϊ van Heraclitus

     ontkent ook op zichzelf staande en gesloten denkbeelden. De transcendente waarheid maakt een eind aan verlangens en angsten en intellectuele meningen. “Wenselijk” of “beangstigend” zijn namelijk slechts uitingen van het intellect dat nog in dienst van de rigide wil staat en objectief betekent het alleen dat het op zichzelf staande intellect zich vastgedraaid heeft.

     Ze kan in het bekrompen leven een onwerkelijke indruk maken. Ze voorziet dan als gewetensussend  middel in een behoefte en wordt met graagte ontvangen

     of ze ondermijnt de systemen van het bekrompen leven ook daadwerkelijk. In die verstorende vorm haat en verbant deze maatschappij haar hardnekkig. Toch komt ze altijd weer terug.

     In muziek en beeldende kunst, die meer als buiten het leven staande beschouwd en gevoeld worden, wordt de transcendente waarheid goed verdragen, maar wel slechts in mondjesmaat. Wat er voor het merendeel in die kunsten, overeenkomstig de maatschappelijke behoefte geproduceerd wordt, is dan ook in het aanschouwende netzomin immanente waarheid als transcendente waarheid in het morele. Hier leidt bijna alles, óf grof prikkelend de aandacht van het Geweten af, óf het bevestigt maatschappelijke idealen. Het stut bijtijds de zwakke muren van het huisje van de conventies, door aan officieel toegestane hartstochten en fantasietjes uitdrukking te geven, zodat de mensen zich daar met des te meer vertrouwen aan over kunnen geven. Of het schildert allerlei andere hartstochten, die in de heersende cultuur mogelijk zijn, zodat de mensen zullen kunnen blijven geloven, dat die cultuur nog niet zo beroerd is.

     Transcendente waarheid duikt slechts bij enkelen op: Bach, Leonardo.

     Bijna al het morele in de gangbare beroemde muziek en beeldende kunst is prikkelend en anarchistisch in slechte zin: Beethoven, Wagner, Rubens, Raphaël, Rembrandt.

     Idealenbevestigend zijn bijvoorbeeld Grieg, Michelangelo, Palestrina en alle goede kerkelijke muziek; Giotto, Memling en alle religieuze schilderkunst.


     Natuurlijk zijn de grenzen niet zo exact te trekken. In bijna alle duurzaam gebleken kunst, zit wel een heel klein vonkje waarheid, want zo krijgen de mensen de waarheid het liefst opgediend. De rol van kunst is in tijden van luxe, hoofdzakelijk de behoefte aan een prikkelende, in tijden van strijd en moeite aan een idealenbevestigende waarheid.

     In de taal is de transcendente nog veel moeilijker dan de immanente waarheid te openbaren, zonder het volk te kwetsen. Een duidelijke, ware uitspraak, met nadruk en ernst gezegd, wordt evenmin vergeven, als het openbaar verrichten van een wonder. Iedereen voelt bij de transcendente waarheid, dat het over hemzelf gaat en dat hem min of meer wordt gezegd, dat hij op moet houden met zijn onrechtvaardige en dwaze manier van leven, omdat hem anders de straffen van de hel wachten. Die pil is door een prikkelend metrum of welluidende klanken niet of nauwelijks te vergulden, ook niet door er, om geen verbittering te wekken, uitdrukkelijk aan toe te voegen, dat de zaak niet au sérieux genomen moet worden. De kerk hebben de mensen helemaal leren zien als iets dat buiten het leven staat, maar toch blijft het zaak er op de kansel omheen te blijven draaien en niet al te precies te vertellen, waarop het staat. Zelfs bij het werk van dode schrijvers, dat als een bedenksel uit lang vervlogen tijden wordt beschouwd en waarin de zelfingenomen mensen altijd iets pathologisch zien, blijft een sterke verdunning vereist. Zoals bij Spinoza, waar de waarheid door verdunning zo onherkenbaar is geworden, dat iedereen er uithaalt wat in zijn kraam te pas komt en zelfs de socialisten het boek zo interpreteren, dat het met hún zaak in overeenstemming te brengen is.

     Voor tijdgenoten is een zó grote verdunning vereist, dat zij, die echt de waarheid in zich voelen, geen effect zullen hebben, ondanks het feit dat zij door hun persoonlijke manier van leven tot wijd in de omtrek een niet mis te verstaan voorbeeld geven. Ze zullen het uitstralen, zelfs al houden ze hun mond. Daarom zal het volk hen verbeten tegenwerken. Zelfs de besten, die hen vereren, zullen hen bestrijden, uit een plichtmatige verdediging van hun eigen middel-matigheid. Intussen zijn ze door hun waarheid minder kwetsbaar. Voor de Heiland waren alle kwellingen verloren moeite. Toen ze hem gekruisigd hadden, hadden ze Hem nog niets aangedaan.

     Zo breekt de transcendente waarheid dus in de taal uitsluitend in de na-apers door, die de woorden van de profeet vaag hebben aangevoeld en als waarheid herkend hebben en alleen al door hun persoonlijkheid de vereiste verdunning gegeven hebben. Zij worden in hun kringen dan ook als geniale of zeer wijze mensen vereerd. Hun uiterlijk, met de waarheid in strijd, laat zien dat ze niet serieus genomen moeten worden. Ze worden deste aangenamer en interessanter gevonden om het geheimzinnige dat hen omgeeft. Want niemand begrijpt, hoe zo iemand aan zulke ideeën komt, die hij in zijn uiterlijk zo weinig uitstraalt.

     De grote zorg van de na-apers is natuurlijk om de profeet uit de omgeving, waarin ze zelf schitteren, weg te houden en op die manier zorgvuldig hun eigen mysterieusheid te behoeden. Ze zullen hun geestelijke vader eerst proberen dood te zwijgen en vervolgens te verloochenen. Die ongerustheid is echter meestal niet nodig, want de overeenkomst tussen het verdunde en het onverdunde wordt niet gemakkelijk onderkend.

     De schrijver, van werken over transcendente waarheid die tot ons zijn gekomen, is meestal een na-aper geweest. Zijn geestelijke vader zal nooit de drang tot schrijven hebben gehad, maar de waarheid straalde zijn leven lang, oneindig veel sterker en zonder dat hij sprak of schreef, van zijn persoon af. Hij zou in de vereiste verdunning niet eens kunnen schrijven, maar had ook geen behoefte, om de bovenaardse waarheid, op aarde te verspreiden of om de onuitspre-kelijke waarheid in taal uit te drukken.

     En hij zal ook nalaten, brokken van de waarheid bij zijn medemensen ingang te doen vinden, door een appèl op hun bekrompen leven en op hun angsten en verlangens te doen. Door hen bijvoorbeeld de rampzalige gevolgen van hun daden en de rampzalige consequenties van hun meningen voor te spiegelen, of door hen te laten zien, dat hun verschillende verlangens tegenstrijdig met elkaar zijn en dat hun vastgeroeste meningen elkaar niet verdragen. Hij wil niet voorkomen dat het kwaad zichzelf straft, en beseft, dat een op die manier tenietgedaan verlangen of dwaling slechts voor een andere plaats zal maken. Want het is de dorst naar hartstocht en dwaasheid, die in de mensen zit. Wordt het ene daaraan onttrokken, dan werpt hij zich weldra op het andere.

     Maar die tactiek wordt graag door de na-apers gebruikt. Zij zullen de wereld van allerlei slechts, doms en onrechtvaardigs bevrijden, voor weldoeners van de mensheid worden aangezien en de mensheid net zo ongelukkig laten als ze was. Zij zullen de mensen hun domme meningen afnemen en er hun andere domme meningen voor in de plaats geven en ze zullen voor wijzen worden versleten en de mensheid net zo dom laten als ze was.

 

     In het besef, dat bijna alle mensen er naar reikhalzen, zich beter dan anderen te kunnen voelen en te kunnen roepen: “Heer, ik dank u, dat ik niet ben, gelijk deze” en zich belangrijk te voelen om een geloof dat zij — en anderen niet — aanhangen, trommelen ze verenigingen van vegetariërs en theosofen bij elkaar. Ze kweken zelfs socialisten onder de bezitters, die niet merken, hoe krom het is, zich socialist te noemen en zich aan zijn kapitaal blijven vastklampen.

     Ze slaagden erin de mensen minder jaloers en hebzuchtig te maken, zonder enige betekenis. Vroeger lukte dat door hen voor te houden dat alle weldaden in het hiernamaals duizendvoudig vergoed zouden worden. Tegenwoordig wijzen ze hen erop, dat een leven van liefde en broederschap een ideale toestand voor mensen is, en dat wie naar die toestand streeft, het goede doet, en beter is dan anderen. Soms beweren ze zelfs, dat liefde tonen de gelaats-uitdrukking mooier maakt en op die manier, voor wie daar oog voor heeft, zichtbaar is.

     Het daarbij gevoegde aanschouwelijk kosmisch systeempje ging vroeger over Hemel, Engelen, Laatste Oordeel, Uitverkorenen en Eeuwige Zaligheid of Verdoemenis. Tegenwoordig gaat het over Odstralen, Magnetisme, Somnambulisme, Reïncarnatie en Zeven Hemelen, maar steeds met dien verstande, dat het alleen voor de besten, voor hen die er rijp voor zijn, weggelegd is om tot dat geloof te komen.

     Elke waarheid wordt, om ingang te doen vinden, pasklaar gemaakt en van toelichting voorzien.
     Als ze zeggen: “Tracht niet eerzuchtig te schijnen, wat je niet bent”, voegen ze daaraan toe, hoe zo’n schone schijn tot angst en ziekte leidt, en hoe uiteindelijk alle schijn toch ontmaskerd wordt.
     Ze zeggen niet gewoon openlijk: ,,Security is mortal’s greatest enemy; elke cent kapitaal, die je bezit, is een smet en sparen is zondig. De innerlijke stem verbiedt het je”, maar lichten het toe met: “Kijk maar naar de bomen en bloemen en wilde dieren, die leven óók bij de dag en redden het net zo goed”. Zo ontkennen ze de angst en zuinigheid van de mensen niet, maar erkennen en sussen dat. Anderzijds steunen ze het zelfs, met woorden als: ,,Kapitaalbezit verspert de weg tot geluk, want alleen de bittere noodzaak — honger en koude — geeft een zuivere ontwikkeling en die psychische zekerheid, die voor een lichamelijke gezondheid noodzakelijk is.” En de mensen zullen dat inzien, hen gelijk geven en hen grote wijzen vinden en verder blijven sparen en parasiteren.

 Ze zeggen niet gewoon: “Je behoort geen kleren te dragen. Die verhulling is een teken van angst, hoogmoed en ijdelheid”, maar lichten dat toe met de belangrijke rol van de buikadem-haling in de stofwisseling, dus met de heilzame werking van het aan de zuivere lucht blootstellen van de naakte huid. Zo worden zij hygiënische genieën en hervormers en de bête mensen gaan luchtbaden en al gauw licht- en zonnebaden nemen, wanneer ook de werking van het zonlicht wordt ontdekt. En uiteindelijk schemerbaden, duisternisbaden, regenbaden, windbaden, maanbaden, sterrebaden, bosbaden en weidebaden, áls maar aangetoond wordt, dat ze gezond zijn. En de mensen blijven even ongezond, want het is hun verdorven karakter, dat hen dan toch op andere wijzen tegen hun gezondheid laat zondigen.

     Ze zeggen niet kortweg: “Bid en Werk”, maar maken duidelijk, dat bidden een samenvatting, een concentratie is, die hen beter de levensweg doet overzien, hen daarna opgewekt en zeker doet gaan en hen voor verblinding en misslagen behoedt.

     Ze zeggen niet gewoon: ,,Je behoort naakt in de natuur te leven, die natuur intact te laten en niet te arbeiden”, maar lichten dat toe met: “Je bent bang voor te veel warmteverlies. Besef dan dat onze voorouders hier naakt leefden, in een tijd dat het klimaat volstrekt niet zachter was dan nu. Dat de Jakoeten bij 40 graden vorst zogoed als naakt lopen. Als je bang bent, dat de natuur niet je voldoende zal voeden, als je niet arbeidt, bedenk dan, dat wat de natuur voortbrengt, zolang dat nodig is door haar vanzelf in stand gehouden zal worden. En bedenk verder, dat Catharina van Siena helemaal niet at. Uiteindelijk ben je bang, dat wilde dieren je kostbare lijf zullen verscheuren. Weet dan dat geen wild dier een echt goed mens zal aanvallen. Zo’n mens heeft iets in zijn blik, dat jouw glazige ogen, die dat niet hebben, ook niet zien, maar wilde dieren wel. Alleen vroegere volkeren, die in onvrede leefden, moesten, om de wilde dieren te bestrijden, echte helden zijn.”

     Ze zullen niet gewoon zeggen: ,,Alle gebruik van verkeersmiddelen is uit den boze”, maar ze zullen daarbij wijzen op de nadelen van de rook van treinen voor de gezondheid, en de zenuwbeschadigende invloed van het elektromagnetisch veld van de electrische trams en op de onvermijdelijke lichamelijke disharmonie, die op verplaatsing in het krachtveld van de aarde zonder de daarbij behorende spierbeweging moet volgen.

     En als ze zeggen: “Alle cultuur is uit den boze. Parasiteren op natuurkrachten is even strijdig met het geweten, als parasiteren op mensen en dieren”, dan wijzen ze als toelichting op alle degeneratie, ziekte en ellende, die de cultuur met zich mee heeft gebracht.

     Ja, soms verklaren ze zich bereid, om met de dwazen, hun medemensen, te debatteren. Waar hun uitspraken de wil van de anderen zouden moeten ontkennen, gaan ze bij een debat niet alleen van die wil van de anderen uit, maar doen ook nog eens alsof ze zelf diezelfde wil met hen delen.

 
     En om een waarheid aan de man te brengen, zullen ze niet schromen, haar op een nadrukkelijke bevestiging en verkondiging van een gangbare dwaasheid te baseren. Zo wordt de waarheid van het maatschappelijk onrecht en de plicht tot beter leven door economische hervormers op onzinnige principes van angst en verlangen gebaseerd, alsof “het betere” pas bij gevulde magen zou kunnen bestaan — ,,primum vivere, deinde philosophari” roepen ze uit — alsof door verstandig redeneren en vervolgens actief ingrijpen een uitweg uit alle kwaad zou zijn te vinden.

     Vaak zullen ze ook, tot troost van de toehoorders, in de toelichting bij hun ontkenningen, die ontkenningen weer stilzwijgend herroepen. Zo zeggen ze niet gewoon: ,,Ontdoe je van de waan van de onveranderlijkheid van de materie. Het Zelf kan alles onbeperkt scheppen”, maar voegen daaraan verklaringen en hypothesen over wat stof dan wel is, toe, waarbij ze even onzinnig opnieuw de onveranderlijkheid van andere dingen, misschien elektronen, introduceren.

 
     En aan de uitspraak: “Ontdoe je van je verstand, dat geschenk van de duivel”, voegen ze iets toe, dat zich weer op standpunt van het verstand dat ze verwerpen stelt, bijvoorbeeld: “De natuur is oneindig veel knapper ingericht, dan je verstand ooit kan bevatten, zodat het nooit de zekerheid zal geven die je beoogt.” Terwijl deze maatschappij helemaal niet prettig of ingewikkeld, maar voor wie in staat is het verstand uit te schakelen alleen maar vanzelfsprekend is. Deze maatschappij wordt alleen als aangenaam ervaren door een arbeidend verstand dat beseft, dat zijn arbeid geen einde heeft.

     Zo is de rol van de predikers niet meer dan een leiding geven, een vrijblijvend begeleiding bij het veranderen en ontwikkelen van de op deze aarde bestaande verlangens zelf. Hier leiden alle dwaasheden een tijdelijk bestaan, tot ze zichzelf hebben overleefd en rijp zijn om door predikers opgedoekt te worden om voor nieuwe dwaasheden plaats te maken. Maar steeds blijven de mensen doen, alsof het doel de middelen heiligt. In hun dwaasheid ontwaren ze een voor hen wenselijk doel en jagen het na met door henzelf als stuitend ervaren middelen. Ze ervaren het fokken en melken en voeren van koeien als stuitend en verwachten daar toch zegeningen van. Ze blijven vlees en melk gebruiken, tot hun daar het schadelijke van wordt aangetoond. Ze ervaren het planten en snoeien en mesten in de tuinbouw als stuitend, en verwachten daar toch zegeningen van. Ze blijven gekweekte groenten en vruchten gebruiken, tot hen daar het schadelijke van wordt aangetoond. Ze ervaren het werk aan spinnewiel en weefgetouw als stuitend, maar blijven gordijnen en kleden gebruiken, tot hen daar het schadelijke van wordt aangetoond. Ze ervaren alle arbeid en ambitie als stuitend, maar toch verwachten ze zegeningen van de cultuur. Zelfs wie ontgoocheld raakt en het opgeeft, gaat toch weer ergens anders zijn best doen en arbeiden, want zijn best doen en arbeiden ligt in nu eenmaal in zijn aard.

     Zo zie je hoe in de geschiedenis van deze maatschappij de menselijke gevangenis slechts vervormd wordt, maar nooit worden de muren afgebroken.


     Tot de morele woordkunst, die niets met transcendente waarheid heeft te maken, behoort de lyriek. Daarin wordt gedroomd over emoties, die uit de krankzinnigheid van deze cultuur opbloeien. Naarmate ze minder of meer intellectueel is, zal ze voor de lezers alleen maar prikkelend zijn of zijn idealen bevestigen.

Het bezingt liefde en weemoed, passie en wanhoop, wolken, strand en zee, papavers, maan en madeliefjes, zoals die in deze gekerkerde wereld verschijnen. De lezer hoort zijn eigen fantasieën weerklinken en vindt er aangename steun, meer zelfvertrouwen en tevredenheid in. Dat vindt hij heel prettig. Zijn genoegen is het grootst, als er ,,Weltschmerz” in doorklinkt. Dat schijnt hem stilzwijgend de troostende belofte van evenwicht te geven, dat uit die ,,Weltschmerz” door stimulering van zijn gevoel vervolmaakt wordt. Tevreden kan hij dan in een bodemloos gemijmer zijn eigen onvrede ontvluchten, zodat hij tijdelijk vrij van pijn is.

     Zoals alle koopwaar, worden ook waarheid en lyriek vervalst. Ze worden zelfs bijna niet onvervalst aangetroffen. Netzomin als de fabrikanten van kindermeel en vleesextract in de waarde van hun product geloven en netzomin als de leiders van spiritistische seances te goeder trouw zijn, geloven de meeste filosofen en moralisten in wat ze schrijven en hebben de meeste lyrici zelf in hun verzen hun geluk gevonden. Maar het kritisch vermogen van de bedorven instincten is niet zuiver. Ook het vervalste wordt geaccepteerd. Mundus vult decipi. De priesters geloven niet, wat ze de menigte voorhouden. De leiders van politieke partijen bedriegen het volk willens en wetens, met woorden die ze zelf niet begrijpen. De meeste dichters, schilders en verdere artiesten, hebben zich ook die rol aangemeten, vanuit een slechte kans op een plaats in de arbeidsmarkt, door zwakheid of luiheid. En het kritiekloze publiek erkende na enige tijd hun plaats in het kunstvak, waar ze alleen maar vervalste waar leveren, omdat ze niet anders kunnen.


     Sóms klinkt zomaar in het leven een begeleiding van de transcendente waarheid door. De waarheid zelf blijft buiten — buiten het bekrompen leven en wordt dus niet begrepen. De uitingsvormen van de waarheid lijken uit het leven, waar ze een deel van uitmaken, volledig verdwenen te zijn. De ziener blijft, na terugkeer tot zijn nederige, aardse taak, ,,geloven” in zijn, door Zelfkennis, plotseling begrepen beelden, als een begeleiding door een hogere wijsheid. Daaruit roept hij natrillend de sturende stem van de Zelfkennis weer op.

     Die beelden zijn het harmonische resultaat van een luisteren naar het Zelf en werken in deze maatschappij.
     Voor wie zijn aandacht op deze maatschappij richt, spreken ze niet. Maar wie leeft in Zelfkennis, bevrijd van begeerte, angst en kennis, wie deze in maatschappij geen richting ziet en volgt en niets doet, dan wat anderen van hem willen, en zich zo voor onomkeerbare daden, dus voor karmaverzwaring, behoedt; wie zich door niets laat beïnvloeden, alles buiten zich om laat gebeuren, zich niet ontwikkelt, maar zich stil op zijn plaats handhaaft en zich tegelijkertijd vrij voelt om onbewegelijk buiten deze maatschappij te blijven, waarin hij aan zijn karma en aan verdriet, veroudering, ontbinding en dood is ontsnapt — die voelt hoe de beelden van een ander, die in diezelfde toestand verkeert, ook in zijn leven de waarheid begeleiden, zwevend boven deze maatschappij en los van de vormen van deze maatschappij.

     De in het leven gekerkerden noemen dat echter mystiek. Ze vinden het duister, maar wel waar. Het is het licht dat voor de duisterlingen duister is.

     De mystieke beelden worden in vormen gegoten, die het dichtst bij de nederige maar heilige taak staan, die ze in deze tragische wereld moet vervullen. Ze zullen dus niet gauw in muziek of beeldende kunst verschijnen, maar vooral in wat het dichtst bij de menselijke vloek staat, het intellect, dus in woorden.

     De mystiek ontkent dat er ook maar iets positiefs in het bekrompen leven schuilt zonder daar rekenschap van te geven. Zij spiegelt in vreemde beeldende klanken het eindeloos emanerende en resorberende Zelf. Slechts voor wie de melodie kent, heeft die begeleiding zin. Maar hij zal het herkennen, ook bij een vreemde begeleiding op een vreemd instrument, zoals de beelden van de oude en middeleeuwse mystici, ontleend aan hún stoffelijke buitenwereld. De mensen van deze tijd hebben, in de omgeving, waar hun plichten liggen, de buitenwereld niet zo levendig en niet zo pantheïstisch leren zien. Maar daarom zijn die beelden voor hen niet minder te begrijpen.

     Soms leggen woorden van waarheid, net als de mystieke woorden, geen rekenschap aan het intellect af, maar zijn wel toegankelijk voor het intellect. De mensen, die ze spraken, kenden de weg naar Zelfkennis, maar plaatsten die woorden, in het gekerkerde leven, telkens als op zichzelfstaand buiten zichzelf. Om zich te sterken door woorden van inzicht en levensvoering lieten ze die op zich inwerken, terwijl ze binnen het systeem van het bekrompen leven, waarop ze weer hun aandacht hadden gericht, verder leefden. Ze kunnen hemi-mystieken genoemd worden. Hun werken zijn voor de verstaander irritant omdat ze de bovenaardse waarheid niet verheven genoeg houden. En voor de niet-verstaander zijn ze uiterst gevaarlijk. Mensen die naar zekerheid zoeken en die ze tegenkomen, worden er door tot allerlei buitensporigheden gebracht. Aan bijna alle godsdienstige dweepzucht en sektevorming ligt een hemi-mystiek verkondigde waarheid ten grondslag.

     Vanuit dit standpunt had de Kerk groot gelijk met de veroordeling van de ketterij van Eckehart, Huss, Luther en Calvijn, die wat boven de aarde gelaten behoort te worden, naar de aarde neerhaalden. Die mensen konden zich niet staande houden in het onbewogen aanschouwen van de wisselvalligheden hier beneden en het als Gods wil beschouwen. Door hun eigen onzekerheid verleid, lieten ze die op hun wil en hun wil op hun onzekerheid inwerken.

     Ook de bijbel bevat veel te veel hemi-mystiek, om straffeloos door de menigte gelezen te kunnen worden.

     Maar de oude Indiërs en Chinezen en sommige Kerkvaders en ook Jacob Boehme zijn veel zuiverder mystici. Die houden hun uitspraken buiten het praktische leven en onbegrijpelijk voor het praktische verstand. Wel kunnen grote intellecten van die werken, in hun benevelde hersenen, soms beelden maken, waarin dan grote waarheden verschijnen, die de essentie van het oorspronkelijke volmaakt hebben verloren. Maar de menigte begrijpt daar niets van, zodat het spelletje voor zwakke zielen ongevaarlijk is . Want meer dan een spelletje is het niet, als zogenaamde wijsgeren de betekenis van God, Drie-eenheid, Onbevlekte Ontvangenis of Brahma-Wishnu-Çiwa rationeel verklaren. Nou, meer dan een spelletje is de exegese van de Bijbel ook niet.

     Zuivere mystiek is voor het intellect, voor het bekrompen leven, zinloos. Ze roept niet het geweten van slechte mensen wakker, laat de Groten der Aarde met rust, en wordt door hen als een onschadelijke curiositeit met rust gelaten.

     Verder kan er, omdat mystiek buiten het rationele leven staat, verstandelijk niet veel anders dan negatiefs over worden gezegd.

     Ze kan niet worden geleerd, maar alleen herkend worden. Waarheid schrijven kan iedereen met talent, en talent kan leven in een gekerkerde geest. De waarheid begrijpen kan ieder met gezonde aardse zintuigen. Mystiek schrijven of herkennen vereist een vrijheid van ziel, die niet door aardse krachten te verwerven is, maar alleen door goddelijke genade geschonken wordt.

 
     Mystiek is heel iets anders als occulte wetenschap. Veeleer het tegenovergestelde, omdat mystiek alle weten ontkent, en occultisme de hang naar weten tot in het uiterste volgt. Occultisme is amoreel. Mystieke wijsheid kan niet zonder morele hoogheid.

     Nergens volgt mystiek een lijn of een juiste volgorde. Elke spreuk staat op zich zelf en heeft geen andere die er aan vooraf moet gaan of die erop moet volgen, zoals begrijpelijk is voor iets, dat met datgene wat buiten de tijd is, samenhangt. Metafysische vraagstukken, zoals onsterfe-lijkheid, vrije wil, de zin van kunst en godsdienst en de grondslagen van de moraal, zijn hier niet meer dan raadselachtige uitvloeisels van het intellect en daarmee is het raadselachtige van al die vraagstukken verdwenen. Bovendien blijkt dat ze met het verstand onoplosbaar zijn.

     Voor het verstand klinkt mystiek onsamenhangend, orakelachtig, soms bombastisch en kan de toets van de kritiek niet doorstaan. En voor het verstand lijkt het alsof het wemelt van de tegenstrijdigheden.
     Hier volgen wat mystieke klanken, die zweven boven wat er in de vorige hoofdstukken verteld is:

 
       “De eerste Eigenschap is de begeerlijkheid, gelijk een Magneet, namelijk, de vattelijkheid van de Wil, alwaar de Wil iets wil zijn, en toch niets heeft waaruit hij zich tot iets maakt. Zo voert hij zich in een aannemelijkheid van zichzelf, drukt zichzelf samen, en vat zichzelf tot een iets. En ditzelfde iets is niets anders dan alleen een scherpe Magnetische honger, een wrangheid, gelijk een stijfheid, waarvan ook hardheid, koude en wezen ontstaat.

       De tweede Eigenschap van de eeuwige natuur ontstaat uit de eerste, en zij is het trekken of bewegen in de scherpte, want de Magneet maakt stijfheid, en de beweging verbreekt de stijfheid wederom; het is een altijddurende strijd in zichzelf. Zo ontstaat tussen deze beide Eigenschappen een bittere wee, zijnde een prikkel der bevindelijkheid, die er zonder scherpte en beweging niet zou zijn.

       De derde Eigenschap van de eeuwige natuur is de angst, zijnde het willen dat zich in aannemelijkheid tot natuur en ietsheid heeft ingevoerd. Deze beweging is gelijk een draaiend rad. Niet dat daar een zodanig draaien is, maar zo is het in de Eigenschappen, want de begeerte trekt in zichzelf, en de beweging dringt uit zichzelf. Deze angst is het ware fundament van de hel — in zoverre ze niet — zoals eeuwig in God geschiedt — in de vrijheid van het licht verzwolgen en opgeheven wordt (Boehme, uit Clavis of de Sleutel)     

“Het schepsel moet in deemoed en gehoorzaam onder God blijven en zich niet verder verheffen; want het is nog niet aan God gelijk; God wil kinderen en geen heren bij zich hebben: Hij is de Heer en niemand anders.” (ib. p. 65.)

       ,,Voor God het woord van de schepping begreep, draaide het wiel van de eeuwige essentiën zonder wezen in het wonder. Toen Hij echter goedkeuring aan de wil gaf, zetelde die zich in het wezen. En toen is de tijd begonnen, die voordien in eeuwigheid niet bestond. “(ib. p. 66.)

       ,,Daar de openbaring van de eeuwige en de uiterlijke stoffelijke en gevallen natuur tegenover elkaar staan, zo staan ook de geesten van de duistere wereld tegenover de geesten van de heilige wereld, bijzonder echter tegenover de mensen, die openlijk in het kwade en het goede staan. Zo heeft de goede God het ene tegenover het andere geplaatst, opdat zijn heerlijkheid zich zou openbaren, beiden is zijn liefde en in zijn toorn.” (ib. p. 78).

       “De engelen zijn onze dienaren en wachters, omdat wij Christen en geen dieren zijn ”. (ib. p. 79.)

       ”Er moet gestreden worden tot het duistere, harde en gesloten middelpunt uiteenbarst en de hemelse vonk middenin vangt, waaruit spoedig de edele lelietak, als uit een goddelijk mosterdzaadje, zoals Christus zegt, uitbot. Men moet ernstig en met grote deemoed bidden en men moet met het eigen verstand een tijdsspanne een zot zijn, en zichzelf daarin als dwaas beschouwen, tot Christus in deze nieuwe mens gedaante aanneemt.” (ib. I. p. 183).

       “Het is zeer wel mogelijk dat een arme dode zondaar bekeerd wordt, als hij bij de beelden stil wil staan en één moment wil luisteren naar wat de Heer in hem spreekt. Maar de verstokte, verbitterde geest, wil de stem van de Heer niet in zichzelve horen spreken, maar zegt slechts: Letter! Letter! het geschreven woord is het alleen. Dat haalt hij her en der aan en beroemd zich daarop, maar het levende woord, dat de woorden heeft uitgesproken, duldt hij niet in zich noch wil hij het horen. Wil hij echter tot inzicht komen, dan moet hij zich de letters eerst laten doden, vervolgens wordt de geest in de letters pas echt levend.” (ib. III p. 215).

 

       “Nu en dan slepen de van nature onstuimige zinnen het denken mee, ook van een wijs mens, zelfs al streeft hij naar volmaking.

       Laat iemand daarom, als hij de zinnen onder beheersing gebracht en zijn gedachten verstild heeft, standvastig in yoga verblijven met zijn denken op Mij als Allerhoogste gericht. Want hij wiens zinnen onder beheersing zijn gebracht, is stabiel van denken geworden.

       De mens, die verwijlt hij de objecten der zinnen, raakt eraan gehecht; uit gehechtheid ontstaat begeerte; uit de geest komt toorn.

       Uit toom ontstaat begoocheling; uit begoocheling een verward geheugen; uit een verward geheugen het verloren gaan van de rede; en door het verloren gaan van de rede gaat hij ten onder.

       Maar de mens met zelfbeheersing, die zich beweegt temidden van de objecten der zinnen zonder er door aangetrokken of afgestoten te worden, en die zich heeft onderworpen aan het Zelf, komt tot vrede des harten.

       In die vrede wordt alle leed en smart gedoofd want de rede komt snel tot evenwicht als de mens de vrede des harten kent.

       De onbeheerste, onharmonische mens, kent de zuivere rede niet; ook kent de onharmonische mens de concentratie niet, wie de concentratie niet kent, heeft geen vrede; en hoe kan er geluk zijn voor de mens zonder vrede? (Bhagavad Gîta II, 60—66).

 
       ,, Men moet niet verheugd zijn, als men het aangename verkrijgt, en geen smart voelen, als men het onaangename verkrijgt. Laat uw gemoed in een wolkenloze helderheid in Brahma rusten, zodat gij Brahma erkent en in hem leeft.

       Hij wiens zelf ongehecht is aan de objecten daarbuiten, en vreugde vindt in zichzelf; diens ziel is door overgave met Brahma verenigd, in eeuwige gelukzaligheid.

       De genietingen door beroering van de zinnen met de buitenwereld bergen smart in zich, want ze hebben een begin en een einde; de wijzen zoeken daarin geen vreugde.

       Hij die nog vóór hij van het lichaam bevrijd is, in staat is hier op aarde weerstand te bieden aan de onstuimige kracht van begeerte en hartstocht, is een gelukkig mens.

       Hij die innerlijk gelukkig is en met zichzelf in vrede leeft en in zichzelf het licht van de verlichting vindt, zulk een yogi is één met Brahma, en vindt het Nirvana in zichzelf. (Bhagavad Gita V, 20—24).
       ,,Wanneer door geestelijke beschouwing getemd, de gedachten tot volledige rust gekomen zijn, en wanneer hij in zichzelf schouwend, de innerlijke vrede in zichzelf gevonden heeft;

       Wanneer hij met die oneindige gelukzaligheid vervult, die voorbij het zinnelijke toeft en die slechts de ziel vatten kan — en wanneer hij daarin vast verblijvend, niet meer van de eeuwige waarheid afstand doet,

       Wanneer hij inziet dat als hij dat verkregen heeft, er niets hogers en beters te verwerven is; en wanneer hij daarin blijft en niet meer, zelfs niet door een grote smart geschokt wordt,

       Dan zal hij ervaren hebben dat de vereniging met het hoogste, de scheiding is van alles, wat lijden brengt.(Bhagavad Gîta VI, 20—23).

 

VIII

 

     Het Zelf, de transcendente waarheid, is ook in het dagelijks leven de metgezel van de vrijen in deze maatschappij. De vrijen die met hun oude, voldongen karma afrekenen, zonder zich met nieuw karma op te zadelen. De vrijen die nooit de nederig aanvaarde muren met geweld verbreken, maar ook nooit schromen om, zogauw zich buiten hun eigen toedoen een poort naar bevrijding opent, die door te gaan. De vrijen die doorgaans hun stoffelijke lichaam als beperking ervaren, maar dat aanvaarden, tot het God behaagt hen te verlossen en hen tot zich te nemen. Voor hun medemensen zal hun invloed in de wereld nietig lijken. Toch zijn juist zij de uitvoerders van het Noodlot, dat schijnbare toeval, dat buiten de causaliteit om, in het leven rechtspreekt en wreekt. Maar met hun doelbewuste handelen zullen ze niet in de loop van de gebeurtenissen ingrijpen. Ze zullen het kwaad dat zichzelf straft niet hinderen en het dus ook niet de moeite waard vinden de waarheid te prediken. Maar ondanks al hun nederigheid en terughoudendheid zal de waarachtigheid in hun optreden het geweten van de mensen lastig vallen en hun woede tegen hen opzwepen. Uit die hen aangedane smaad en pijn komen de evangelisatiebewegingen over de hele wereld voort, ogenschijnlijk positief en nieuw, maar uiteindelijk alleen maar negatief. Het is slechts wraak op het oude.

     Hun leven vertoont een veronachtzamen van genot, bezit en eer, en ook van werk, behalve van dat wat op hun weg komt. Want ze kennen geen tijdelijk doel en geen levensdoel en zoeken evenmin contact met hun medemensen. Verenigingen zijn voor hen slechts de zwaarste bezinksels van de dikke mensenvloeistof.

.    Zo zal bij een man het leven op absolute afzondering gericht zijn, maar niet bij een vrouw. Haar leven blijft een zoeken en zich, tussen het menselijke, dat wil zeggen, het mannelijke in begeven. Want zijn onlosmakelijke karma, waardoor en waaruit zijn leven gestuurd wordt, is de omgeving waarin hij geplaatst is, en de manier waarop hij daarop reageert is zijn intellect. Haar karma is de hunkering naar het mannelijke, zoals het leeft in de geliefde. Door die hunkering naar menselijkheid buiten maar onverbiddelijk van haar gescheiden, voert haar leven naar een langzame reiniging. Milieu, omstandigheden en eigen menselijke mogelijkheden zal ze negeren. Haar leven blijft gericht op de geliefde en blijft dus in deze maatschappij. Ze voelt, dat ze aan geen ontvluchten mag denken, zolang ze geen man is. Zijn weg leidt deze maatschappij uit en hij ijvert, zodra hij zich van zijn mannelijkheid bewust wordt, tot boetedoening en de eliminatie daarvan.


Aanvankelijk zal hij verstandelijk volgzaam en actief met de gewoonten en idealen van zijn omgeving hebben meegedaan, terwijl hij intussen nauwlettend luisterde en geduldig de ontdekking van de innerlijke tegenstrijdigheden van het verstand afwachtte. En omdat hij die ontdekking niet geforceerd heeft, zal hij die pas in de uiterste consequenties van de filosofie, waarin hij als in de top van een kegel vastliep, verkregen hebben. Maar toen vloog de waan van deze maatschappij weg en werd hem het Zelf geopenbaard. Vanaf dat moment zullen wetenschap en nadenken uit zijn leven verdwenen zijn omdat hij ze als consequenties van een willekeurige afgrenzing onderkend heeft. Hij leeft nog slechts in het heden, aanvaardt blijmoedig zijn omgeving en omstandigheden en reageert daar omkeerbaar op. Hij geeft nauwlettend acht op elke gelegenheid, om aan een door zijn omgeving uitgeoefende dwang te ontsnappen. En na de eerste kleine ontvluchting voelt hij zich niet meer thuis onder de mensen, die hij door ongewilde, uit de begonnen bevrijding voortvloeiende, buitenissigheden gaat irriteren. Hij gaat zich storen aan alles wat hem aan de gemeenschap bindt. Dat dwingt hem tot de uiterste voorzichtigheid in de sociale omgang en levert hem de moeilijke taak om met omstandigheden te leven zonder zich de door die omstandigheden te laten beïnvloeden. De verleiding zou groot zijn om de kleine bevrijding prijs te geven en in het oude leven terug te vallen, ware het niet, dat hem uit het Zelf almacht en absolute wijsheid overvloedig toevloeien, die samen met mystiek zijn weg steeds weer openen. Door de immanente en transcendente waarheid houden ze dreigende stollingen in het leven vloeibaar, die aan iedere verstarring eigen zijn en die kiem vormen van het weer vervluchtigen van die verstarring.

     Zo zullen die storende emoties zijn geduldig afwachtende gang slechts de samenleving uit sturen. Zijn behoeften worden steeds geringer. Aan die lichamelijke belastingen en wat er van overblijft, zal hij, uit pure weerzin tegen parasiteren, steeds directer door eigen arbeid voldoen en zijn pure weerzin tegen die arbeid, zal tot het verdwijnen van arbeid en behoeften leiden.

     Zo schrijdt buiten eigen toedoen het langzame losmaken van zijn omgeving en het vervluchtigen van de intellectuele mist voort, die hij samen met zijn onreine omgeving deemoedig verdraagt. Zo ziet hij zijn levensweg als een boslaan, die aan het eind duister leek, maar die steeds meer en meer opklaart.

     Hij verzeilt in een steeds grotere afzondering, armoede en bewegingloosheid. De samenleving zal hem uiteindelijk als kluizenaar zien, die heide zoekt boven domme vegetatie en nacht boven het domme daglicht. Hij zal veel in de Oceaan baden. Hij weet dat hij afstevent op een nog grotere armoe, in het geloof van:

 

“Het is een arm mens, die aan alle dingen die God geschapen heeft, niet genoeg heeft. Het is een arm mens, die niets wil, niets weet en niets heeft.”

       “En het is echter zo met de mens gesteld, dat God in hem een plaats vindt, waarin Hij werkzaam kan zijn, daarom zeggen wij: zolang dat in de mens is, is de mens niet arm in de diepste armoede, want God bedoelt met zijn werken niet dat de mens een plaats in zich heeft, waarin God werkzaam kan zijn, maar het is een armoede van geest, waar de mens voor God en al Zijn werken zo ledig moet zijn, dat God, wanneer Hij in de ziel wil werken, zelf die plaats is, waarin hij werkzaam wil zijn en dat doet hij gaarne. Dan is de mens wat hij was en dan neemt hij af noch toe, want dan is hij een onbewegelijk Oorzaak, die alle dingen beweegt. Hier vindt God geen plaats in hem, want de bereikt met zijn armoede dat hij eeuwig is en altijd blijven zal; Hier is God een van geest, en dat is de diepste armoede die men vinden kan.” (Meester Eckehart).

 
     Het weinige wat hij nog doet, doet hij omkeerbaar. Het maakt hem niets uit of zijn werk resultaat oplevert. Omdat al zijn daden omkeerbaar zijn, kan hij zich net zo goed in het kwade, als in het goede laten gaan. Soms zál hij het kwade doen, soms zál het lijken alsof hij zijn aardse banden verzwaart. De wegen van het Zelf zijn ondoorgrondelijk. Misschien zal hij in het leven terugkeren en daar zonder berouw blijven en daar ogenschijnlijk reddeloos door hartstochten regelrecht naar de hel worden voortgedreven. Maar het raakt hem niet, hij staat buiten deze maatschappij. Hij heeft er geen verplichtingen meer aan. Hij kan er niet zondigen. Hij doet er niets. Hij is al lang dood. Zijn aandacht zweeft in betere gewesten en: ,,L’apostasie est permise, quand le cœur est pur.” (Flaubert).


      
De juiste ware gemoedsrust is het afsterven van de afkeer tegen God. Wie zijn zelfheid volkomen verlaat en zich met zijn gemoed en begeerte, zinnen en willen aan Gods erbarmen, in het sterven van Jezus Christus, overgeeft, die is met de aardse wereld met de wil afgestorven en is een tweevoudig mens. De afkeer werkt nu in zichzelf, ook tot de dood; maar de gelaten wil leeft in de dood van Christus en staat daar immer in zijn opstanding in God op. En of die eigen begeerte zondigt, dat toch niets anders kan dan zondigen, zo leeft toch de gelaten wil niet in de zonde; want hij is van de begeerte naar zonde afgestorven en leeft door Christus in God, in het land van de levenden, maar de zelfheid leeft in het land van de dood, als in een altoos sterven.” (Boehme ed. Claassen III p. 263).


       ,Wie in zijn binnenste de hemel der gelukzaligheid vindt, wie zich in zijn geestelijke zelfbewustzijn over zijn oneindige Zijn verheugt en een volkomen tevredenheid in zichzelf (in God) heeft, voor hem is er geen werk meer te verrichten.

       want boven alle werelden verheven, bekommert hij zich niet meer over wat er in deze maatschappij gebeurt of ook niet gebeurt; en hoeft hij tot geen enkel schepsel zijn toevlucht te zoeken.

       Doe daarom, wat er gedaan moet worden, maar zonder betrokkenheid. Wie zonder enige betrokkenheid handelt, bereikt het Al-Ene. 

       Alles was gebeurt wordt door de krachten van de natuur volbracht. Wiens ziel door eigendunk verblindt is, denkt dat hij de handelende is.

       Wie echter het wezenlijk onderscheid kent tussen natuur en het Oer-Zijn, en wie de krachten onderkent die in de krachten werkzaam zijn, die voelt zich niet aan zijn daden gebonden.” (Bhagavad Gîta III 17—19; 27—28)

       ,,Wiens zuivere geest vast verenigd is, wie zichzelf beheerst, wiens zinnen onderworpen zijn, en een mat allen is, wordt ofschoon hij handelt, daardoor niet beroerd.

       Wie in het Ene opgaat, wie de waarheid kent, die zegt met recht; “Niet ik ben het die handelt!” wanneer zijn natuur ziet, hoort, voelt, waakt, ruikt, eet, slaapt en ademt.

       In het spreken, vasthouden of laten gebeuren, het openen of sluiten van de ogen, weet hij dat het de zintuigen zijn, die zich met de wereld der zinnen bezig houden.

       Wie ongebonden alles in naam van de Allerhoogste verricht, wordt niet door zijn zonden bevlekt; zoals het in het water drijvende lotusblad niet door het water bezoedeld wordt.

       De volmaakten, van alle banden met deze maatschappij verlost, volbrengen hun werk door lichaam, gemoed en verstand en zelfs door de zintuigen, ter reiniging van hun wezen.

       De toegewijde, die afstand doet van de vruchten zijner arbeid, bereikt de eeuwige vrede. De mens van deze maatschappij, meegesleept door begeerten, is gebonden.” (Bhagavad Gîta V 7—12).


     Maar de vrije mens heeft, of hij nou voortgaat door elke poort te ontvluchten of in het leven terugkeert, de muren van het leven niet aangeraakt. Hij heeft er geen contact mee gehad en geen druk van ondervonden. Juist daardoor blijven die muren transparant voor zijn schoonheid, die alleen voor zijn gelijken zichtbaar is. Hij straalt door alles wat hem bindt, zijn huis, zijn kleren, zijn vaderland en zijn lichaam, als zijn “idee”, het karma, dat hem vanaf zijn geboorte belastte, en waarboven hij uitgestegen is. Die schoonheid is vrij van deze maatschappij en dus vrij van verwording en vergankelijkheid. Het is de schoonheid van vrijheid, zichtbaar in gebondenheid, waarin de vrijheid altijd op de proef gesteld wordt.


     Zolang hij nog niet uit de samenleving weg is, zullen er vrouwen zijn, wier leven naar het zijne toestroomt. Worden ze door hartstocht gedreven of zoeken ze in hun zwakke mannelijkheid zijn steun, dan dringt hun leven niet tot het zijne door, want ze zien hem niet. Maar leven ze ín hem in een gereinigd vrouwelijk leven, als vrouwen zonder eigen leven, dan zien ze hem, en zal hun leven samenvloeien met het zijne. Omdat dan verder de afwezigheid van een eigen leven de vrouwen niet toestaat, van de samenleving los te komen, zal het door die vrouwen zijn, dat hij tot het laatst contact houdt met de samenleving. Het zal door zijn vrouwen zijn, dat hij uiteindelijk nog door dunne draden met de samenleving verbonden is. Hun onbewust uitgestraalde verleiding zal hij als de vreemde bekorende gloed van bloemen in zijn droom beschouwen, die door een aanraking verdwijnt en de schuldige gedood heeft. Maar het heiligt het leven van hem, die er in eerbiedig ontzag langsheen gaat. Die verleiding die immaterieel is, en juist daarom buiten bereik van de in veelheid en materie gevangen aandacht, die ze prikkelt. Maar in de heldere ziel, die zich immaterieel handhaaft, dringt ze zonder weerstand door.

     De vrouwen, die hartstochtelijk om hem heen zweven, zijn als vampiers, maar voor hem, evenals als de roofdieren van zijn eenzaamheid, onschadelijk.

     Op het eind wordt hij in de samenleving niet meer gezien, want: “Alle Dinge, die Gott schuf, tun ihm nicht genüge.” Is hij dood, dan is hij aan zijn karma, dus aan alle verder Bestaan en Beperking ontsnapt. Maar juist, omdat hij aan zijn karma is ontsnapt, is er voor hem geen reden meer om dood te gaan. Maar ook niet om in een land met onbekende verten, en onbegrepen medemensen te leven. Hij zal dus naakt zijn op een niet te groot en niet te klein eenzaam eiland, dat hij kan overzien. Ligt het op de aarde? Neen, want de aarde heeft geen reden van bestaan meer en is dus niet meer. De zee is kalm, de horizon scherp. Hij voelt de behoeften van zijn lichaam, waarvan hij al wist dat ze niet fysiek waren, verdwijnen. Nu is er, juist daarom, geen reden meer, waarom zijn lichaam zou sterven. Hij eet niet meer, hij overziet zijn eiland in het rond, een vos, een paar konijnen vluchten ritselend. Hij ziet het niet — de vogels zitten stil op de takken. Hij hurkt neer op het strand, en kijkt naar de horizon. Een zachte regen valt. Aan de hemel achter hem staat de maan, over de zee ligt een bleke glans. De vogels, ook achter hem, kijken hem aan, zwijgend, verwonderd, maar verlamd. Alles staat stil, zal altijd blijven en is ten eeuwigen dage geweest.


     Dit laatste was mystiek. Als immanente waarheid opgesloten in het kleed van de fantasie, laat Flaubert het zien in “Le Gymnosophiste”:


      
“Aan de rand van het woud staat iets vreemds, iets wat op een stapel hout lijkt  — een man — volledig naakt en bedekt met koeienmest, uitgedroogder dan een mummie; zijn gewrichten, aan het uiteinde van zijn botten, die op stokken lijken, zijn als knokkels. Hij heeft stukken schors aan zijn oren, een zeer lang gezicht, zijn neus is als van een gier. Zijn linkerarm steekt recht in de lucht, verstijfd, onbuigzaam als een staak; — en

hij heeft daar zo lang gestaan dat de vogels een nest in zijn haren gemaakt hebben.

       Op de vier hoeken van zijn brandstapel branden vier vuren. De zon schijnt precies op zijn gezicht. Hij slaat die met wijd open ogen gade.” Dan zegt hij, (de vlammen spelen om hem heen):

       ,,Als een rinoceros heb ik mij in de eenzaamheid teruggetrokken. Ik woon in die boom daar achter mij.

       En ik voed me met bloemen en vruchten, en houdt zo zorgvuldig de regels in acht dat zelfs een hond mij iet kan zien eten.

       Omdat het bestaan voortkomt uit ontaarding, de ontaarding uit de begeerte, de begeerte uit het gevoel, het gevoel uit het contact, ben ik alle doen ontvlucht, elk contact; en — zonder meer te bewegen dan de steen op een graf, ademend door mijn twee neusgaten, mijn blik gefixeerd op mijn neus, en de ether in mijn geest, de wereld in mijn ledematen, de maan in mijn hart wetend, — overdacht ik het wezen van de grote Ziel, waaruit als vuurvonken onafgebroken de levensbeginselen ontsnappen.

       Ik heb eindelijk de hoogste Ziel in alle wezens gezien en alle wezens in de hoogste ziel; —en ik ben erin geslaagd mijn ziel, waarin ik al mijn zinnen had teruggetrokken, daar te doen ingaan, 

       Ik heb mijn kennis rechtstreeks uit de hemel gekregen, zoals de vogel Tchataka die slechts zijn dorst lest aan de regendruppels.

       Daardoor ken ik de dingen, de dingen die niet meer bestaan.

       Voor mij is er nu geen hoop meer en geen angst, geen geluk, geen deugd, dag noch nacht, jij noch ik, absoluut niets.

       Mijn gruwelijke ontberingen hebben mij krachtiger gemaakt dan alle Machten. Eén samentrekking van mijn gedachte kan honderd koningszonen doden, koningen onttronen, deze maatschappij ontwrichten......Ik heb een afkeer gekregen van vorm, een afkeer van waarnemen, een afkeer zelfs van de kennis zelf — want de gedachte overleeft het voorbijgaande feit dat het veroorzaakte niet, en de geest is net zo’n illusie als de rest. 

       Al het geschapene zal ten ondergaan en alles wat dood is zal herleven; de schepsels die nu verdwenen zijn vertoeven nog niet geformeerd in de baarmoeders, en zullen op aarde wederkeren om met smart de andere schepsels bij te staan.

       Maar omdat ik door een eindeloze menigte van levens gegaan ben in omhulsels van goden, mensen en dieren, zie ik verder af van die reis, ik wil die afmatting niet meer! Ik verlaat die smerige herberg van mijn lichaam, gemetseld met vlees, roodgekleurd met bloed, bedekt met een afzichtelijke huid, vol vuil; — en als beloning ga ik eindelijk slapen, dieper dan het absolute, in de “Vernietiging.”


     Misschien vindt je het vreemd dat voor het leven, dat de meest hoogstaanden en wijzen kiezen, zo weinig capaciteiten nodig zijn en dat die ledigheid en overgave zo gemakkelijk is. Maar je moet bedenken dat zij al in het begin van die levensgang alle streven naar moeilijke en kunstige dingen en naar de ontwikkeling van capaciteiten, hadden afgeleerd. Al lang hebben ze op aarde niets meer vereerd, niets meer bewonderd en weten, dat er niets eerbied- en niets bewonderenswaardigs is. Ze zien hun talenten als verleidingen, die naar actie in deze maatschappij lokken (die zich weer opdringt als waar het in de wereld werkelijk om draait). Maar machteloos stuiten die verleidingen af op het inzicht in de ,,Grandeur et Décadence” van alle aardse grootheid en alle aardse krachtsontplooiing. Vanaf het moment dat hen de innerlijke tegenstrijdigheid van het intellect werd onthuld, hebben ze hun talenten ontweken en genegeerd. In deze maatschappij doen ze geen kunstjes, niet eens voorspellen, in het besef dat, al kijken ze door verleden en toekomst heen, dat met de uiterlijkheden van deze maatschappij en de taal niets te maken heeft, laat staan ermee uit te drukken is.

     Maar met wat op hun weg komt kunnen ze alles, en meer dan kunsten, dan kunnen ze wonderen verrichten.


     En nu de vrije vrouwelijke levensloop. Die voert door het dichtste van de samenleving heen, en eindigt er in, ook al blijft haar eigenlijke kern er buiten, want die is buiten tijd en ruimte.
     Zij zal evenmin zekerheid zoeken of erkennen. Op niets en niemand zal ze vertrouwen. Aan niets en niemand zal ze trouw zijn. Maar door de scheidingsmuur, die door haar onontkoombare karma om haar heen gebouwd is, is ze gedoemd het hoogst voor haar waarneembare mannelijke te aanbidden en haar uitwendige leven aan zijn vrije ontplooiing aan te passen. Geen wetten en gewoonten van de samenleving zullen haar daarbij binden. Ongehinderd strooit ze misdaad en wreedheid op haar weg. En met diezelfde onmatigheid behoedt ze op die weg haar eigen leven, dat op zichzelf van geen belang is, in dienst van de beminde. Daaraan offert ze, openhartig, zonder schaamte en tot eigen eer, mensenlevens op. Ze probeert ervoor te zorgen, dat hij háár niet doorheeft, maar mocht zijn leven aan het hare gaan raken, dan zal ze verkiezen hem te dienen in de meest nederige en verachte taak, in het besef, dat de vrouw, zonder ziel en schuldig aan de zondeval, in deze maatschappij voor niets te goed is.

     De muur om haar heen zal opengaan, als haar geliefde blijvend uit zijn karma valt. Daaruit blijkt de innerlijke tegenstrijdigheid van dat karma, dat zichzelf in de steek laat. Daaruit blijkt ook het illusoire van haar ideaal. Maar. . . . als ze een groter mannelijk karma tegenkomt, dan schijnt een groter licht door de oude grensmuur heen, die dan een niets blijkt te zijn, met een achterkant, die de voorkant opheft. De diepere en lichtere wand, die achter de oude zichtbaar geworden is, trekt haar volledige aandacht. De nieuwe geliefde heeft haar gehele hart. Voor zijn eigen bestwil wordt de oude misschien met geveinsde trouw bedrogen.

     Het bescheiden leven van de vrije man bestaat uit intellectueel reageren op zijn omgeving. De vrouw leeft een leven van liefde, dat háár onontkoombare karma is, . . . totdat de laatste, ijlste en lichtste muur gevallen is en ze in de lege ruimte staart. De schijnzekerheid in de mannelijkheid buiten haar, waardoor haar vrouwelijkheid alleen kon bestaan, is vervluchtigd. Dan is ook haar leven volbracht. Bij die laatste onthulling is haar leven ineengestort.

     Nadat ze achter elkaar velen gediend heeft, in een steeds in zuiverder stadium, verschijnt haar de laatste Vriend, in wie het mannelijke zichzelf heeft opgeheven en die als hoogste mannelijke beginsel tot zijn Vader is weergekeerd. De laatste Vriend, die ze niet ander kan dienen, dan door hem los te laten en weg te gaan. En ze gaat weg en legt zich neer om te sterven.

 

IX

 

Er is nog iets, waar het vrije leven zijn handen zorgvuldig niet aan vuil maakt, zolang het banden met de maatschappij heeft, namelijk de economie. Het is absoluut zeker dat, voor deze maatschappij, onzin en onrecht essentieel zijn. Zou de maatschappij beter zijn en zouden liefde en broederschap regeren, dan zou deze maatschappij geen reden van bestaan hebben en er gewoon niet zijn. Het is niet aanlokkelijk rationeel de manieren en wetmatigheden van die rampspoed en dat onrecht nader onder de ogen te zien. De vrije mens ervaart van deze maatschappij slechts datgene, wat voor er hem zelf aan dwang en grenzen bestaat en de doem van zijn eigen schuldenlast, die hij door boetedoening ongedaan moet maken. Al zijn aandacht is op die doem en de zich langzaam voltrekkende vrijwording gericht. Nergens glijdt hij in verleidingen af. Noch streeft hij iets begerenswaardigs na, noch maakt hij iets betreurens-waardigs goed. Want wie iets als begerens- of betreurenswaardig beschouwt, die ziet het als iets buiten zichzelf, als deel van een wereld die onafhankelijk en onveranderlijk bestaat, als deel van een vast en onvervreemdbaar bezit, dat men kan kweken, verzorgen, zuiveren en doen groeien, zoals men met zijn bloemen en kippen kan doen. Invloed uitoefenen op de buiten-wereld is een teken van verblinding, ijdelheid en zucht naar macht, of het nu om de wereld te verbeteren of voor eigen macht is.

     De vrijen zien hun medemensen veel meer als tot medelijden verleidende en hun levensweg storende hersenspinsels, die als schuldenlast verdragen moeten worden. Hun vrijheid dulden die medemensen niet naast zich. En de vrijen glijden daar behoedzaam langs heen.

     Het overhoop halen en veranderen van de maatschappij zullen ze rustig aan de gekken met ambitie overlaten. Ze weten toch dat die gekken er altijd zullen zijn en zijn niet bang voor de mogelijkheid dat er tekort aan zou zijn. Want als er geen mensen zouden zijn die de illusie hebben de wereld te kunnen regeren, dan zou de wereld volmaakt zijn en geen regering en geen gemeenschapszorg nodig hebben.

En als de maatschappij volmaakt zou zijn, dan zou die er helemaal niet meer zijn.

     De verandering van de maatschappelijke leugen wordt door de hand van de waarheid, vermomd als leugen gestuurd, en het blijft daarom niet bij een louterend verbreken van het oude onrecht en de oude onzin. Uit de drang van mensen naar onzin en verlangen groeien nieuwe onzin en nieuw onrecht.

     Kijk maar hoe de theorieën, die een uitgeleefde maatschappij, een verouderd systeem van onrecht, ondermijnen, in hun eigen positieve opvattingen de kiem van een kwaad, dat even groot is als het oude, dragen.

     Ze hebben het over “Rechten van de mens, ” alsof de mens in het leven rechten en als straf voor zijn geboren-worden vreselijk ellendige plichten meegebracht heeft.

     Ze hebben het over de noodzaak van “arbeid” en het geluk dat het met zich meebrengt. Alsof de arbeid van de mensheid iets anders zou zijn, dan een blinde stuiptrekking van angst voor iets wat geen kwaad is, en van een verlangen naar wat ellende brengt. Die arbeid, waardoor het insectenleger van de mensensoort Moeder Natuur, die haar voortgebracht en in evenwicht gehouden heeft, heeft teruggedrongen en weggevreten, zodat de arbeid eenzaam, in ellende, zonder evenwicht en zonder steun, om het leven te rekken, diensten aanneemt van helse machten, zoals cohesie en vuur. Die arbeid, die met helse machten luxe schept, die wegvloeit in zinnelijkheid, de mensheid nóg verder uitbreidt, nóg ellendiger en nóg meer van de diensten van de hel afhankelijk maakt. Die arbeid die, zolang de misstappen van de mensen deze maat-schappij onherroepelijk maken, als werktuig van angst en begeerte, die wereld onafwendbaar somber, dwaas en ongelukkig in stand zal houden.

     Ze hebben het over “arme verdrukten” en over “onderdrukte klassen”! Alsof hier ook maar iémand in een toestand van onderdrukking geboren zou worden, die het niet verdient! Alsof er een maatschappelijke beperking zou kunnen bestaan voor diegene, die zich niet uit angst heeft gebogen! Is de aarde dan niet de tuin van ellende, existerend door innerlijke tegenstrijdigheid, waar in een machteloze worsteling en neergesmakte overmoed ieder loon naar werk en schuld ontvangt? En zal het zo niet blijven en zullen de mensen niet tegen hun straffen vechten om ze te in stand te houden?

     Ze praten dan ook over talenten en levensvreugde, die in de arme onderdrukte klassen niet tot hun recht zouden komen. Nou bestáát levensvreugde helemaal niet. Er wordt alleen maar naar verlangd, want het leven is vreugdeloos. En talenten verleiden tot het afdwalen van de aandacht, en negeren van talenten behoedt voor veel onzin en veel verdriet. Maar mócht bij iemand, in het leven op weg naar vrijheid, door boetedoening en verlossing van zijn karma, het woekeren met zijn talenten behoren, dan zal hem dat lukken als hij contact met het Zelf houdt, al

was hij in de meest onderdrukte klasse geboren.

     Of ze hebben het over het “Rechtvaardigheid” en roepen in kinderlijke overmoed voor de toekomstige vreugde, dat de “Rechtvaardigheid” uiteindelijk eens op aarde zal heersen. Maar is het recht niet gewoon een manier om een gemeenschap van mensen stabiel te houden, waarin het uitdrukking geeft aan hun verdeeldheid in afhankelijkheid? Heeft de mensheid zich niet in het recht verenigd uit gemeenschappelijke angst voor het onzekere en voor elkaar? Heeft het intussen iets anders opgeleverd dan het verderweg verplaatsen van het terrein van onzekerheid en onderlinge strijd, dan toen ze openlijk en met alle beschikbare middelen elkaar vermoordden? Met het recht als basis, wordt de strijd feller en stuitender, dan zonder recht. Het weerzinwekkende begint al bij het duel, waar wapenen èn het begin van het gevecht de spontaniteit missen. Maar bij ons is niet alleen het vuistrecht afgeschaft en duelleren we niet meer, maar we moeten ook onze schulden betalen en mogen geen valse handtekeningen zetten, waardoor de gluiperige macht van het geld en de parasitaire staatsinrichting beschermd blijven, en het terrein van geoorloofde strijd naar een hoogst onfrisse achterhoek verplaatst is. En dáár ligt nu het zwaartepunt van het maatschappelijk leven, dáár vermoorden en bedriegen ze elkaar. Trouwens, wie daar niet wil vechten en het recht wil negeren, die doet maar. De strijd tégen het recht is uitnodigender en menswaardiger dan die met het recht in handen. En voor wie helemaal niet bang is, is het recht geen moeilijke partij. Schrik niet: 90% van alle moorden worden nooit opgelost. Troost je met de gedachte dat het voor de vermoorden het beste was en dat ze hun lot verdienden.

     De economen en volksleiders spreken ook graag over de ,,toekomstige staat, met mensen die bewust met elkaar samenwerken”. Dat zou misschien voor mensen zonder angst en verlangen mogelijk zijn, maar dié zouden helemaal niet werken en een wereld met zo’n mensen zou dus onbestaanbaar zijn. En onder het volk dat zich, hunkerend samengelopen en luisterend, al dat moois laat vertellen, weet ieder voor zichzelf wel, dat hij niet aan de eisen voor zo’n toekomstige staat beantwoordt.

     Maar het volk is door hevig verlangen zó verblind, dat het niet eens durft te zien, hoe zijn leiders afgezonderd van hen in onrechtmatige rijkdom leven en macht over hen uitoefenen. Ja, dat in een politieke partij een grotere mensonterende discipline en onderdrukking van de persoonlijke ontplooiing heerst, dan de staat, die ze bestrijdt, over zijn meest verdrukte onderdanen uitoefent. Socialistische arbeiders zijn meer slaaf van hun leiders dan van hun economische meesters. Vroeger vocht het volk voor de heren in naam van bevrijding en verdediging van het land. Nu vechten ze ook voor de beloofde bevrijding en verdediging van de klasse. Maar het volk zelf wordt nooit bevrijd, het blijft onderdrukt en geëxploiteerd ten bate van de begeerten of onzinnige waanideeën en idealen van enkelen.
     Het terrein van die onderdrukking en exploitatie verplaatst zich slechts, onder leiding van de doorgebroken waarheid. Het onrecht zelf blijft, rijkelijk door angst en verlangen en dwaasheid gevoed en in zijn tijdelijke vorm steeds weer door een nieuw aspect van het “recht”, onder-steund.
     Neen, deze maatschappij kan niet zodanig veranderd worden, dat ze mensen het goede geeft. De levensomstandigheden van de maatschappij blijven rampzalig en het leven van elk mens blijft een ellende, die hij door een hoopvol streven naar verbetering van zijn lot en door ontwikkeling slechts vergroot. Alleen als men álles op zou geven en overal vrede mee zou hebben, zou de ellende verdwenen zijn. Maar kijk naar deze maatschappij vol ongelukkigen, die denken dat ze iets bezitten, bang zijn om dat bezit los te laten, en hoopvol ploeteren om nog meer te verwerven. Kijk naar dit volk, dat naar luxe en naar rijkdom streeft en hoewel zijn rijkdom verzekerd is en zijn effecten in veiligheid gebracht zijn, met een even onverzadigbare honger naar kennis, macht, gezondheid, of eer, of zingenot doorgaat.
 
     Maar alleen degene, die beseft dat hij niets bezit en niets kan bezitten en dat er geen zekerheid te vinden is en die zich in berusting overgeeft, die alles opoffert, die alles geeft, die niets meer weet en niets meer wil en niets meer wil weten, die alles loslaat en verzaakt, wordt alles gegeven en voor hem opent zich de wereld van vrijheid, van pijnloze contemplatie, de wereld van het niets.





Pijltje Voorpagina website



Download deze pagina
Pijl
  
 
 
Printer Print deze pagina