|
L. E. J. Brouwer 1881-1966
DE
AMSTERDAMMER, WEEKBLAD VOOR NEDERLAND EEN
MACHTIG
BROUWSEL I Het is
ongelofelijk! meer dan tien jaren ligt dat stuk proza openlijk ter
lezing.
Enige honderden hebben het de schrijver horen voordragen, en
vermoedelijk
hebben nog enige honderden het gelezen. En niemand kent het, niemand
praat
erover, het ligt daar maar stil, in zijn lieve witte omslag, met zijn
dreigende, verschrikkelijke zwarte woorden – en rondom lacht en zwatelt
en
zwendelt de bende, en filosofeert en danst en schiet elkaar dood –
terwijl de
sombere Brouwer van dat hels-hemelse brouwsel vrij rondloopt, nu eens
in een
net colbertje, dan weer in een deftige toga, en door iedereen wordt
beschouwd
als een in onze samenleving passend, min of meer interessant en niet
alleen
onschadelijk, maar zelfs zeer achtenswaardig en nuttig individu. Verbaasd
vragen de lezers waar ik het over heb. Ze hebben nooit zo iets
gevaarlijks
opgemerkt, en geloven ook niet dat een stuk proza zoveel kwaad kan. FREDERIK
VAN
EEDEN
LEVEN, KUNST EN MYSTIEK door L.E.J. BROUWER
DELFT – J. WALTMAN Jr. - 1905
INHOUD.
I
Nederland ontstond en werd in stand gehouden door het aanslibsel van de rivieren. Er vormde zich een evenwicht van duinen, delta, getijden en afwatering. Een evenwicht waar tijdelijke overstromingen van gedeelten van de delta deel van uitmaakten. En in dat land kon een krachtig mensengeslacht leven en gedijen. Maar de mensen waren niet tevreden. Men bouwde langs de rivieren dijken om de overstromingen te regelen of te voorkomen, verlegde naar willekeur ter verbetering van afwatering of scheepvaartverbinding beddingen en hakte intussen de bossen om. Geen wonder dat hiermee het subtiele evenwicht van Nederland werd verstoord. De Zuiderzee werd verknoeid en de duinen werden langzaam maar onverbiddelijk weggeslagen. Geen wonder ook dat er tegenwoordig steeds zwaarder werk nodig is, om het land voor de algehele ondergang te behoeden. En is het niet merkwaardig te zien, hoe die zelf op de hals gehaalde arbeid niet alleen als onvermijdelijk wordt gezien, maar dat er zelfs een verheven karakter aan wordt gegeven van een in naam van God of het onontkoombare Lot opgelegde taak? De mensen leefden oorspronkelijk in afzondering. Ieder voor zich trachtte in de voortbrengende natuur, omringd door verderfelijke verleidingen, zijn evenwicht te bewaren. Dát vulde hun leven. Mensen bemoeiden zich niet met elkaar. Er was geen zorg om de dag van morgen. Dus ook geen werk en geen verdriet, geen haat, geen angst en ook geen genot. Maar de mensen waren niet tevreden. Men streefde naar macht over elkaar en naar zekerheid over de toekomst. Zo werd het evenwicht verbroken. De arbeid voor de onderdrukten werd steeds smartelijker en de intriges van de machthebbers steeds gruwelijker. Zo werd iedereen tegelijkertijd onderdrukte en onderdrukker. Het oude instinct van verdeeldheid leeft nog steeds voort in bleke nijd en jaloezie. Dieren en mensen lieten elkaar oorspronkelijk ongemoeid, totdat de ontevreden mensen op een deel van de dieren gingen vegeteren en trachtten de andere dieren uit te roeien. Zo werd, met alle ellende van dien, de oorspronkelijke orde uit haar verband gerukt. De moeite, zorg en de arbeid van het verzorgen van de huisdieren, de ziekte door de parasitaire voeding en een tijd lang met een hevige strijd tegen wilde dieren, die nog niet uitgeroeid waren. Nog ernstiger werd de mens in huis en hof door ongedierte en in het eigen lijf door bacteriën bestookt. Terwijl alles uit opstand tegen Gods wil is voortgekomen is de wetenschap zelfs trots op dat gevecht en berust zelfs in Gods wil! Tot het evenwicht van het eeuwige en alomtegenwoordige leven behoort, dat iedereen als zijn tijd gekomen is, uit dit aardse leven wordt weggeroepen. Ook, dat hij tot die tijd lichamelijk en psychisch ziek is, zoals past bij zijn verderfelijke gemoedstoestand van spaarzaamheid, zucht naar macht, ijdelheid en angst. Maar ook daar is men weer niet tevreden mee en knoeit aan de lichamen met medicijnen en voorgeschreven leefwijzen en aan de zielen met hypnose en suggestie. Zo verstoort men het vagevuur van de lusten, en verbreekt het evenwicht tussen psychische verantwoordelijkheid en de lichamelijke toestand. Het lichaamsgevoel is zozeer van het morele besef afgeweken, dat men voor zijn misdrijven en voor zijn daden op deze aarde, inderdaad niet meer verantwoordelijk gesteld kan worden. De geneeskunde gaat de laatste tijd prat op verlenging van de, overigens nog veel te korte, duur van het menselijk leven. Maar wat heeft dat voor waarde? Het is even tragisch dit leven ná zijn tijd, als vóór zijn tijd te verlaten, en wat de dood betreft: “De Natuur richt nooit schade aan zonder dat zij daar iets beters voor in de plaats stelt” Intussen hangt toch ook de waarheid in de lucht. Je kent het liedje van: ,,Visje, visje van de zee (Piggelmee),” het spreekwoord zegt: ,”eerlijkheid duurt het langst”, dat het betere de vijand is van het goede, en “al is de leugen nóg zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel”. Om kinderen te dresseren de waarheid te spreken, houden opvoeders hen voor, dat een leugentje nooit baat, want dat het ene het andere uitlokt, en dat ze uiteindelijk wel in een warnet verstrikt moeten raken. En tot slot zijn al die romans in omloop, die levendig schilderen, hoe het kwaad uiteindelijk zichzelf straft. De volgende waarheid dringt zich wel degelijk aan ons op:
“Wanneer uw verstand u een daad voorhoudt, die uw toestand lijkt te kunnen verbeteren, terwijl uw geweten die daad niet sanctioneert, laat haar dan na. Want het verstand ziet nooit de wereld in haar geheel, en de middelen die het voor het beperkte beoogde doel voorschrijft, zullen langs ondoorgrondelijke wegen aan het geheel slechts schade toebrengen.”
,,Als het in dit leven zo zou zijn, dat wij altijd een spiegel voor ons zouden hebben, waarin wij in één ogenblik alle dingen tegelijkertijd zouden kunnen zien en herkennen, dan zouden onze daden en kennis geen probleem zijn. Aangezien wij ons echter van het ene naar het andere wenden kunnen wij ons niet met het ene bezighouden, zonder ons voor het andere af te sluiten”(Meister Eckehart)
Maar al hangt de waarheid in de lucht, toch is het leven van ieder mens afzonderlijk en van de volkeren als geheel, één aaneenrijgen van zonden tegen de waarheid. Steeds weer worden alle pogingen verijdeld. Steeds worden er weer nieuwe pogingen gedaan. Alle luchtkastelen storten in en allemaal worden ze door nieuwe vervangen.
Het leven van het individu is een illusie. Het is een moeizaam najagen van doelen, wat uiteindelijk op een ontgoocheling uitloopt. Op het moment van zijn dood, die hij onvoorbereid en in volledige raadselachtigheid afwacht, schrikt hij bij het besef, dat hij zijn leven heeft vergooid, ware het niet dat zijn verstand hem geruststelt en sust met de gedachte, dat het leven zonder illusies toch eigenlijk helemaal niets geweest zou zijn, of dat hij in elk geval, als batig saldo, een aardige dosis ervaring in het graf zal meenemen. Ja, die arrogante ouden van dagen. Ze maken zich wijs, dat alleen ervaring, schade en schande en een lang leven van zonde, gekerfd op hun verstijfde en van alle natuurlijkheid ontdane gelaatstrekken en stralend uit hun levenloze ogen, tot wijsheid voert. En ze laten, als het er op aankomt, na de jongeren te zeggen, waar het in het leven om draait. Het leven van de mensheid als geheel is één arrogant bevuilen van haar nesten over de hele gave aarde, een knagend en schendend knoeien aan haar moederend gewas, en een onvruchtbaar maken van haar rijke scheppingskracht, totdat het alle leven heeft verziekt. Op deze verdorde aarde gaat de mensheid kankerend ten onder. De dwaasheid in hun hoofd, die dát veroorzaakt en hen zelf gek maakt, noemen ze: “De wereld begrijpen.” II
Kijk
nu eens, nu ik je zo de tragiek van deze maatschappij heb geschetst,
naar
jezelf. Je hebt een bewustzijn. Een bewustzijn, waarvan de inhoud
voortdurend
verandert. Ben je de baas over die veranderingen of niet? Je zult
zeggen van
niet. Want je bevindt je in een wereld, die je niet zelf gecreëerd
hebt, en
daarin overkomt je van alles, waar je tevoren geen weet van had. Maar
is het
niet zo dat een deel van de inhoud je bewustzijn door je stemming
bepaald wordt
en dat je daar ongetwijfeld invloed op uit kunt oefenen? Je kent toch
de
uitdrukking: “je hartstochten beheersen”. Of zijn dat loze woorden voor
je? Ongetwijfeld
heb je nu en dan zelf zo’n religieuze ervaring, waarbij je het gevoel
hebt
alsof je loskomt van je hartstochten, van je angst en verlangens, van
tijd en
ruimte, dus van de hele manier waarop je de wereld ziet. En tot slot
ken je die
veelzeggende uitdrukking: “Naar jezelf kijken.” Je schijnt dus over
zoiets als
een oplettendheid te beschikken, die zich om jezelf heen beweegt, en
die jezelf
bij die beweging enigszins in je macht hebt. Wat dat ,,zelf” is, daar
zul je
niet veel over kunnen zeggen en je zult er ook niet echt over kunnen
nadenken,
want je voelt wel, dat alle nadenken en alle spreken zich ver van het
zelf
afspeelt. Met nadenken of met woorden kun je ook niet dichter bij het
zelf komen,
maar alleen met dat ,,naar jezelf kijken”, als het je gegeven wordt.
Verder
geeft dat naar jezelf kijken een gevoel van dat het je moeite kost. Het
lijkt
alsof je daarbij een weerstand moet overwinnen en dat je aandacht sterk
geneigd
is om te blijven hangen waar ze is. Het lijkt alsof de weerstand
aanmerkelijk
groter is bij beweging naar het zelf toe, dan bij beweging er van af.
Wordt het
je desalniettemin gegeven alle weerstand te overwinnen en verder te
gaan, dan
gaan je hartstochten zwijgen. Je voelt je loskomen van de oude manier
van
kijken, los van tijd en ruimte en alle andere dingen. Dan gaan je niet
langer
geblinddoekte ogen open in een verheugende stilte. Dan begrijp
je dan al je vroegere
gedachten,
en begrijpt dan ook dat ze voorheen wel onbegrijpelijk voor je moesten
zijn. Begrijpen
in de zin van er vrede mee hebben en ze als van zelf sprekend vinden.
Het is alsof
je ze tegelijkertijd allemaal weer doormaakt, en toch niet doormaakt.
Niet doormaakt
in de zin van dat je je er totaal niet door gebonden voelt. Daarbij
ervaar je
tegelijkertijd ook een oneindige rijkdom van andere beelden, een
mengeling van
allerlei werelden, die nu evenveel, maar ook even weinig recht van
bestaan
hebben, als de jou voorheen als reëel ervaren wereld. En in die
ineenvloeiende
kleurenzee, zonder scheiding, zonder zekerheid, en toch zonder
beweging, in die
chaos zonder wanorde, zie je een weg, die je vanzelf volgt, maar ook
net zo goed
niet zou kunnen volgen. Je erkent je “Vrije Wil”, voor zoverre die vrij
was zich
aan deze maatschappij, waarin causaliteit de wet uitmaakt, te
onttrekken en
vrij te blijven. Dan pas heeft je vrije wil de juiste koers gevonden,
die hij
vrij en omkeerbaar volgt. Want het Zelf gaat gestaag en omkeerbaar zijn
eigen
weg, en alle uit het Zelf voortkomende beelden hebben een richting die
daar parallel
aan is en die ze gestaag en omkeerbaar volgen. Je voelt je dan vrij, om
al dan
niet in de boeien van veelheid, scheiding, tijd, ruimte en bewustzijn
van je
lichaam terug te keren, maar je doet het niet. Of beter gezegd, je doet
het
tegelijkertijd wel en niet. Terwijl je er vrij buiten blijft, leef je
je
gebonden lichamelijke leven in de mensenwereld lucide verder. Je leeft
geketend
en beseft hoe je die ketenen zelf vrijwillig aanvaardt en hoe ze
slechts aanwezig
zijn, zolang je vrijwillig in de mist loopt. De gebeurtenissen volgen
elkaar op
in de door de causaliteit bepaalde tijd, omdat je zélf in die
mist de
gebeurtenissen in die volgorde wilt zien. Maar door de muren van de
causaliteit
heen, glijden en vloeien voortdurend de “wonderen”, die alleen voor de
vrijen,
de verlichten, zichtbaar zijn. Je ziet hoe de “wonderen” voortdurend in
deze
geketende wereld doordringen en hoe de onzichtbare wrekende handen, die
de eeuwige
Gerechtigheid handhaven, zich manifesteren. Maar ook merk je hoe boven
de
fysieke causaliteit een duidelijke stroom in je eigen levensloop valt
te bespeuren,
gedirigeerd door het Zelf, en parallel met de stroom van het Zelf, en hoe het zogenaamde
toeval
Je reis door deze trieste wereld is dan een gestaag voortgaan in een lichte kleurrijke wolk en in liefde voor al het vanzelfsprekende daarin. In liefde, ook voor je dwalende en hunkerende medemensen. Want je ziet de wereld niet meer als een van het Zelf gescheiden werkelijkheid, maar gestuurd vanuit het Zelf en met het Zelf meestromend. Je voelt je almachtig, want je wilt alleen, wat met die stroom meegaat, en daarbij zullen bergen voor je wijken. Je voelt je alwetend, want je voelt in alle emanaties hoe in de tijdloze stroom verleden, heden en toekomst in jezelf samenvallen. Zo vraag je je niet af, wat je moet doen. Je doet het Goede vanzelf. Zo verlang je ook niet om iets te begrijpen, want alles is vanzelfsprekend. En steeds speelt op de achtergrond een pijnloze onvrede over jezelf, en de overtuiging dat alle vroeger ondervonden ellende je eigen verantwoordelijkheid was. Je had namelijk het Zelf losgelaten en je geketende bewustzijn was zonder zijn leiding. Je bewustzijn had massa en traagheid gekregen en volgde dwalend niet-omkeerbare wegen, heen en weer geslingerd door Verlangen én Angst. Je ziet dan hoe angst en zuinigheid, die het resultaat zijn van het je overgeven aan de illusie van tijd en verlangen en zucht naar macht, die het resultaat zijn van het je overgeven aan de illusie van ruimte, je geleerd hebben, die eigenschappen als op zichzelf staande te zien. Nu besef je dat het maar irreële vluchtige uitingen van het Zelf waren, die met datgene waaruit ze voortgekomen waren, niets te maken hadden. En je zult zien hoe de dwaalwegen van verlangen en angst de dwaler tot ploeteren leiden. Tot de moeizame arbeid in het zweet zijns aanschijns, die steeds nieuwe onomkeerbare veranderingen en een steeds diepere ellende met zich meebrengt. Zo bezie je dan met een glimlach de werkelijkheid van de tragiek van deze maatschappij, je vroegere illusie, met daarin de illusie van je eigen Angst en Verlangen, arbeid en pijn. Maar daar wordt je geluk niet meer door vertroebeld. Want ook dát is een irreëel hersenspinsel. Het hersenspinsel van verdriet en herinnering. III
En even onberoerd aanschouw je dan de door Angst en Verlangen gevallen en dwalende mensheid. Gevallen en dwalend door zuinigheid en zucht naar macht, door tijd en ruimte en zonder vleugels, om zich daarmee naar Zelfinzicht te verheffen. Onwrikbaar vastgeketend aan het kind van Tijd en Ruimte, het verstand, dat bij de mensheid in het hoofd versteend is. Dat is het symbool van de val van de mensheid. Wilde stammen zien koppensnellen als een reinigingsproces en ervaren het als het summum van genot, wanneer ze dat bij de meest ontwikkelde volkeren in praktijk brengen. Daar schuilt een diep wijsgerig inzicht in. Namelijk, dat in de levende natuur een grotere differentiëring met een zwaardere verdoemenis gepaard gaat. Dat inzicht zit bij hen niet in het hoofd, maar in het hart. Het hooggeachte verstand stelt de mens dus in staat en dwingt hem tegelijkertijd, om in Verlangen en Angst verder te leven, in plaats van dat het hem tot middel dient om voor zijn eigen bestwil, zijn toevlucht in Zelfinzicht te zoeken. Het dient tot middel om de verbijsterende tegenstrijdigheid van de dwalende denkbeelden op te heffen door ze, in plaats van afzonderlijk met het Zelf, met elkaar in verband te brengen. Zo blijft de mens zich vastklampen aan de schijnzekerheid van een eigen hoogmoedig gecreëerde en aan causaliteit gebonden, “werkelijkheid”, waarin hij zich uiteindelijk volkomen machteloos zal voelen. Dat verstand doet in het Leven van Verlangen van de mensen satanisch dienst door tussen de twee hersenspinsels, doel en middel, een verband te leggen. Het intellect reikt de mensen, gefixeerd op het verlangen naar het ene ding, het streven naar een ander ding als middel daartoe aan. Bijvoorbeeld het maken van een dam om de bedding van een rivier te verleggen. Het huis in brand steken om op een ander zijn jaloezie bot te vieren. Om veilig voor roofdieren te zijn, zijn huis op palen bouwen. Om de zon op zijn huis te laten schijnen bomen om te hakken. Met die omkering in het waarnemen van doel en middel gaat een verandering van het lichaamsgevoel gepaard. Men kan dan ook een verandering in de bloedverdeling waarnemen, die van het hoofd uitgaat. Ook hierin zie je hoezeer hoofd en verstand met elkaar verbonden zijn. De daad, die het middel zoekt, mist nu echter altijd enigszins doel. Het middel heeft een richting, die een hoek, zij het een kleine, maakt met de richting die naar het doel wijst. Het werkt dus, behalve in de richting van het doel ook nog op andere vlakken, een werking die, als men die niet in de gaten zou houden, misschien zeer schadelijk zou kunnen zijn. Maar het gaat nog verder. Langzamerhand verliest de aandacht het doel geheel uit het oog en ziet alleen nog het middel. En in deze trieste wereld, waar uit Angst en Verlangen tegelijkertijd met het verstand, Dressuur en Imitatie zijn voortgesproten en waarin niemand het hele mensengedoe meer overziet, zien velen een doel in wat oorspronkelijk een middel was. Zij jagen dus een, laten we zeggen, doel van de tweede orde na, waarbij misschien wéér een middel ontdekt wordt. En dat maakt opnieuw een kleine hoek met het bijbehorende doel. Wordt op die manier die verleidelijke sprong van doel naar middel enige malen herhaald, dan kan het gemakkelijk gebeuren, dat uiteindelijk een richting wordt ingeslagen, die behalve haar afwijking op andere vlakken, ook nog eens met de aanvankelijke richting een stompe hoek maakt en haar dus tegenwerkt. De industrie leverde oorspronkelijk haar producten met het doel om daarmee in de natuur een milieu met zo gunstig mogelijke voorwaarden voor het menselijk leven te scheppen. Daarbij verloor men uit het oog, dat die producten zelf uit natuurlijke producten vervaardigd werden, waarbij men de natuur verstoorde. Zo werd het evenwicht van de menselijke levensvoorwaarden verbroken, wat meer nadeel opleverde, dan de industrieproducten ooit aan voordeel zouden kunnen opleveren. Al het benodigde houtmateriaal heeft bijvoorbeeld zoveel bos doen verdwijnen of verknoeid, dat in gematigde gewesten bijna geen voedselgewassen voor de mens meer vanzelf groeien. En verder ging men het produceren van de industriële producten als doel op zich zien. Bij het nastreven daarvan, werden nieuwe industrieën in het leven geroepen om werktuigen te leven om de oude productie te vereenvoudigen. Dat gaf opnieuw een knauw in het oude evenwicht. Kortzichtig ging men in verre landen grondstoffen halen, wat handel en scheepvaart in het leven riep, met alle lichamelijke en morele verschrikkingen en onderdrukking van de volkeren onderling van dien. Omdat men wanhopig het Zelf, dat alles van verleden en toekomst weet, had verlaten ontstond daarbij ook nog onzekerheid omtrent de toekomst. Onzekerheid omtrent de toekomst en de wens om vooruit te kunnen zien. Die onzekerheid riep de wetenschap, die oorspronkelijk in dienst van de industrie stond, in het leven. De wetenschap, die in en over de buitenwereld generaliserende stellingen poneert, die Deo volente, zullen uitkomen. Maar als die dan onjuist blijken roepen de mensen: “O ja, we hadden die en die stilzwijgende vooronderstelling gemaakt,” Uit machteloosheid gaan ze de stelling vervolgens ingewikkeld maken en zogenaamd verbeteren. Maar het blijft niet bij een wetenschap in dienst van de industrie. Het middel wordt weer doel op zichzelf. Men gaat wetenschap bedrijven om de wetenschap. Inmiddels is het lichamelijke bewustzijn zover afgedwaald, dat het uitsluitend in het hoofd is geconcentreerd en dat de rest van het lichaam volledig genegeerd wordt. Tegelijkertijd raakt de mens overtuigd van het bestaan van zichzelf als zelfstandig individu en van een daarvan gescheiden en onafhanke-lijke buitenwereld. Nu treden pas echt in alle hevigheid veranderingen in de aandacht op, die hier het wetenschappelijk denken vormen. Want een richting van de wil, die tot het hoofd beperkt is, is een wetenschappelijke overtuiging. Een wetenschappelijke waarheid is niet meer dan een zekere verdwazing van het, hier uitsluitend in het hoofd levend, verlangen. Het onbehagen van elke wetenschap wordt dan ook steeds groter. Klimt ze te hoog, dan wordt ze door een nóg grotere inperking aan het oog onttrokken, doordat de basis van die wetenschap als iets zelfstandigs buiten de wetenschap zelf gezien wordt. Men gaat op zoek naar de ,,grondslagen” van die wetenschap, wat al gauw een nieuwe wetenschap wordt. Men gaat op zoek naar de gemeenschappelijke grondslagen van de wetenschap en beoefent “kennistheorie”. Maar het onbehagen groeit steeds verder, totdat alle koppen in de war raken. Sommigen houden er tenslotte gewoon mee op. Hebben ze b.v. lang nagedacht over het ongrijpbare verband tussen het waarnemend bewustzijn, dat zich tegelijkertijd met het buiten de wereld leven ontwikkelt, en die buitenwereld zelf, die zelf weer alleen bestaat door en in vormen van het waarnemend bewustzijn — een probleem dat uit de vergissing van het funderen van een eigen wereldbeeld voortgesproten is — dan stoppen ze het, eveneens en tegelijkertijd met dat wereldbeeld zelfgecreëerde Ik, in het gat en zeggen: Ja, er moet natuurlijk wel iets onbegrijpe-lijks overblijven, want ik ben het zelf, die het moet begrijpen. — Maar er zijn er ook, die van geen ophouden weten en die tot in het absurde doorgaan. Ze worden kaalhoofdig, bijziend, corpulent en hun maag werkt niet meer. En steunend van de astma en maagkwalen, verkeren ze in de illusie dat het evenwicht op deze manier bereikbaar is en dat ze er bijna zijn. Dit over de wetenschap. De laatste bloem en de verstarring van de cultuur. De door de menselijke cultuur voortgebrachte levensomstandigheden halen het niet bij de haar oorspronkelijk gegevene. Erger nog. Niemand had baat bij wat er bereikt werd. Ieder individu bleef zijn leven voortslepen in het leefklimaat van een van de hulpindustrieën. Wat een milieu vergeleken bij maagdelijke natuur die de naakte en onbedorven mens oorspronkelijk geboden werd! De weinige met het vermogen om, van datgene wat bereikt werd, in vrijheid te genieten, wisten daar door hun verdorven instincten geen raad mee! De volken slepen elkaar mee in de ellende van de cultuur, omdat de cultuur het van de natuur wint. Het is toch bekend, dat kleinzieligheid en laffe berekening altijd over heldenmoed zegevieren. Heldendom is immers niets anders, dan onverzettelijk een halt toeroepen aan de eeuwige spreuk: “Het doel heiligt de middelen!” Een halt toeroepen aan het eindeloze werk van het intellect en aan het eindeloze door elkaar halen van doel en middel. Maar aan de andere kant is ook de, aan het oorspronkelijke doel, tegenwerkende kracht van de intellectuele verwikkeling zo groot, dat wie uit een toestand van volledige naïviteit opeens met volledige inzet een of ander handwerk of wetenschap ter hand neemt met een wat dat betreft onbedorven lichaam of onbedorven verstand, steeds de meerdere is van wie daarin een lange ,,Bildung” achter de rug heeft. De Boeren en Japanners, die zich uit het niets op de moderne oorlog storten, presteren meer dan de Engelsen en Russen. En dominee Felke geneest met gezond verstand en zelfvertrouwen meer zieken dan medische professoren. Door alle bomen zien de cultuurmensen het bos niet meer. Sterker nog, ze weten niet eens meer, dat er een bos is. Wie zich afvraagt, waarvoor hij eigenlijk leeft, wordt in het dagelijkse leven, waarin eigenlijk juist alleen die vraag zinnig is, voor gek versleten. In het gekerkerde leven van Verlangens en Angsten van deze maatschappij is voor die vraag— naast de massapsychose van een systeem dat een aantal dingen, van wijn en rijkdom tot liefde en wijsheid toe, op zichzelf begerenswaard heeft bepaald en een aantal dingen, van tocht, kou, honger en armoede tot moord en overspel toe, op zichzelf angstwekkend bepaald heeft, — geen plaats. Het is een systeem, dat men met moeite maar tevergeefs in stand probeert te houden. Het wemelt van allerlei behoeften die voor eigen bevrediging elk voor zich tot moeizame arbeid noden, wat weer het onbevredigd blijven van andere behoeften betekent. Zo blijft uiteindelijk elke bevrediging illusoir. Ieders aardse leven eindigt met een grote onvoldaanheid en de ineenstorting van het systeem. Met de dood stort alles in. De dood loochent hun hele leven. Hij is de gewelddadige manifestatie van het Zelf in deze afgegrensde en zelfgecreëerde maatschappij. De dood betekent de onvermijdelijke instorting van de hoogmoedig gebouwde toren van Babel. Het Zelf manifesteert zich echter in dit bekrompen leven ook al vóór de dood, in de vorm van het geheel van verlangens en in het, door het verstand als drager van de dwaasheden en verzelfstandigde verlangens en angsten van de mens, geconstrueerde wereldbeeld. Dáár laat het Zelf van zich horen in het spreken van het Geweten, de weemoed over het verloren Paradijs en in het vage bewustzijn van het stille levensgeluk, dat de mensen oorspronkelijk was toebedeeld. En in de hang naar zaligheid, naar religieuze zekerheid en naar het vrije leven in overgave die, aangepast aan deze tragische wereld, honger naar het hogere, verheffende en transcendente wordt. Maar het Geweten, dat in deze ingeperkte wereld spreekt, wordt gesust. Binnen de afgesloten categorieën dringt het wel door, maar binnen die categorieën wordt de aandacht er van afgeleid — door sterke prikkeling en door overdadige bevrediging van andere behoeften — of het wordt dóór die aandacht geassimileerd — dat wil zeggen dat het als een behoefte binnen het gesloten systeem wordt gezien, die binnen dat systeem bevredigd moet worden. Beide manieren van het sussen van het geweten, die eigenlijk aanleiding tot boetedoening en inkering zou moeten zijn, worden door de industrie ingelijfd en verkracht tot een stimulans voor nieuwe doelstellingen en nieuw genot. De
hele genotmiddelenindustrie en het publieke vermaak, van kaartspel en
wijn tot
de meeste Fraaie Letteren toe, bestaat uit het sussen van het geweten
door het
afleiden van de aandacht.
Kunst en religie zijn in deze maatschappij slechts een morfine-industrie op grote schaal. De hang naar een beter leven wordt ermee gesust en verdoofd. Alleen iemand, die een radertje in het mechaniek van de maatschappij is en daarmee het heilloze massawerk helpt continueren, wordt met rust gelaten. Kunst en religie sussen hem in slaap en verdoven hem door hem in boeken en op het toneel hervormers, revolutionairen, kluizenaars, diepe minachting voor wet en gezag en zelfverloochening, vrijwillige armoede en honger, een vrij leven, een loochenen van de buitenwereld, onverschilligheid voor tegenspoed en het Koninkrijk Gods voor te spiegelen. Daar zal hij met diep ontzag die mensen en evangeliën vereren. Maar als hij zo iemand in levende lijve tegen zou komen, zou hij hem, verontwaardigd en bang, in de gevangenis of het krankzinnigengesticht op laten sluiten. Een moeilijk leven vol gevaren en magische krachten, waarin je ieder ogenblik de dood in de ogen kunt zien, maar waarin ten slotte de Rechtvaardigheid en het Zuivere Geweten zegeviert, kortom een leven, zoals wij het uit schuldgevoel zouden moeten leiden, maar dat we angstig ontvlucht zijn, is verbannen naar roman en melodrama. Dáár wordt het graag bewonderd, maar in het dagelijks leven gruwt men van zoiets. Het werkelijke leven eist aankleding, voor lichamen, gesprekken en omgang. Het hoort niet méér van zich te laten zien, dan wat bij het bekrompen leven hoort: het Hoofd, het Intellect en de in de maatschappij verrichte daden. Het hoort ook niet méér van elkaar te willen zien. Door derden verraste intimiteit wekt schaamte op. Maar Zelfinzicht ziet al die geklede lichamen, levens en opvattingen als lelijk, afschuwelijk, als innerlijk tegenstrijdig en als karikaturen. De Heiland uitgezonderd, kan iedereen als een karikatuur beschouwd worden. Naaktheid, in de ruimste zin des woords, wordt slechts in het afgesloten intellect bewonderd. Men gaat niet daadwerkelijk over tot de lange moeizame tocht vol pijn in ziel en stoffelijke leven, vol smart en ziekte, van het opgeven van het intellect en dan een voor een van alle hartstochten, waarbij elke stap nieuw verdriet en noodzakelijkerwijs een nieuwe stap teweegbrengt. Waarbij men zich pas langzaam voelt herrijzen tot die uiteindelijk doorbrekende met littekens overdekte naaktheid. Er is geen rustpauze op die weg. Wie eenmaal begonnen is en dán blijft staan, heeft het nog moeilijker, dan wie rustig blijft zitten waar hij zit. Zo is een vegetariër, die in zijn oude omgeving blijft hangen, een onmogelijkheid. Zo’n situatie volhouden, toont een meer dan gemiddeld onbeschoft gedrag en laat zien dat het vleeseten niet uit een innerlijke drang, maar uit een bespottelijke wens of een bespottelijke na-aperij wordt nagelaten. De vruchten van onze beschaving en macht over andere mensenrassen staan in nauw verband met ons vleesgebruik. Zo’n vegetariër is dus een parasiet. Die parasiterende halfslachtigheid gaat voor de meeste mensen, die vegetarisme, Vrije Liefde en anarchisme in praktijk brengen, op. De sociaal-democratie is, vergeleken met al die kleine evangelietjes, van die weerzin-wekkendheid vrij. De immorele en ontaarde levens worden in de lelijkheid en ziekelijkheid van de lichamen weerspiegeld. Al die geklede en gekunstelde mensen, die starre maskers van automaten, laten het onbedorven instinct schrikken. En ook hier wordt de hang naar beter gesust. De medische industrie tracht voor de verbannen lichamen een quasi-normale toestand te handhaven. De honger naar vechten en leven in de vrije natuur wordt door dieetvoorschriften en medicijnen afgeleid en de hang naar buitenlucht wordt met name door overvoeding afgeleid. Gymnastiek en sport sussen het lichamelijke geweten door schijnbevrediging. En in badplaatsen en sanatoria heeft de vis medicatrix naturae, die de meedogenloze doodsvijandin van de cultuur zou moeten zijn, in dienst van haar overweldigster, nederig het lakeienkleed aangetrokken. De medische industrie was bij barbiers en kwakzalvers in juiste handen. Bedreven als medische wetenschap in het afgesloten intellect, treft ze veel minder doel. Ook binnen het gesloten systeem van de wetenschap schept de manifestatie van het Zelf behoeften, die binnen datzelfde systeem bevredigd worden. Ook in de wetenschap bestaat honger naar iets hogers, maar die wordt gestild met openbaringsgeloofsartikelen, metafysica, moraal- en kunstfilosofie, spiritisme en theosofie, die allemaal de mens aan de misstappen van de wetenschap overgeven, aan het geloof in werkelijkheid en logisch denken. Ook hier bestaat in plaats van een reddende vlucht uit aardse ketenen, slechts stolling tot ongevoeligheid in een schijnevenwicht, ten koste van een steeds verdere complicatie van de behoeften, steeds slechtere levensomstandigheden, steeds zwaarder werk en een steeds verder afdwalen. Een enkele maal breekt het Geweten in deze maatschappij door, verlost van de banden met die tragische wereld. Zo manifesteert zich bij velen rond de achttien jaar een zuiver centrale en niet zomaar artistieke bewondering voor Dromers, Monniken en Kluizenaars en enkele van hen kunnen niet anders, dan zich min of meer weigeren te buigen voor wat de bezadigden het Leven noemen. Zij kunnen niet anders dan een hartgrondige, dat is een in het hart en niet in het hoofd gegronde, spot voelen voor alle vruchten van de cultuur, voor alle medearbeiders in de maatschappelijke chaos, voor alle medebouwers aan de toren van Babel, voor alle talentvolle koorddansers en goochelaars, die trots zijn op iets, waarvoor ze zouden moeten vluchten en zich zouden moeten schamen, en voor maatschappijverbeteraars van alle gezindten, die doen alsof God ons in het Leven geplaatst zou hebben om Zijn werk te verbeteren. Maar
dat vrije Geweten blijft niet in leven. De dressuur, die het inspint,
ligt op
de loer. Eerst beseffen ze dat er geen werk te verrichten is en dat er
niets
moois en niets belangrijks is. Vervolgens gaan ze zoeken naar wat nog
mooier en
nog belangrijker is, dan wat de mensen vragen. En uiteindelijk buigen
ze het
hoofd nog verder en worden een eerzaam lid van de samenleving, lakei in
het grote
paleis van verdorvenheid. Ze worden Lakeien met al hun lafheid voor de
meester
en al hun wreedheid voor de vreemdeling, met verachtelijk en
vernederend werk,
parasiteren tegelijkertijd stuitend onrechtvaardig en zijn bang voor
het eigen
vege lijf.
|