L. E. J. Brouwer  1881-1966


Pijltje Voorpagina website
    



Leven, Kunst en Mystiek, hertaling met commentaar en verheldering 2005


IV

 

     Je ziet nu dat deze dwalende maatschappij alleen bestaat, doordat ze dwaalt. Door haar niet ,,doing right”. Een rechtvaardige wereld is voor jou even ongerijmd, als je eigen sterfelijkheid. Dwaasheid en ongeluk sturen, met elkaar in evenwicht, deze maatschappij. En een streven naar een betere orde, zou slechts een druppel meer in die zee van dwaasheid betekenen. Voor een door jou als werkelijk ervaren wereld is het essentieel, dat ze vol is van strijd en strijdige, met elkaar onverzoenlijke belangen en dat ze altijd naar een uitwendig evenwicht zoekt, dat met een uiterlijk bestaan onverenigbaar is. Elke poging om de onevenwichtigheid op te heffen geeft slechts een verplaatsing van die onevenwichtigheid. Het is onvermijdelijk dat een uiterlijk zichtbare wereld op de illusie van de vrije wil leeft. Zo zoekt ze naar geluk, terwijl die wil toch onlosmakelijk in de causaliteit gevangen zit. Zo komt het dat alle machtsontplooiing, elke krachtige levensuiting en alle bloei en groei, als men wil wel plaats zal vinden, maar om, ondanks alle benauwde geploeter om het eenmaal bereikte te handhaven, helaas weer te vervluchtigen. Over alles wat op deze aarde tot stand gebracht is, vertelt het korte verhaal in twee bedrijven, genaamd: ,,Grandeur” et ,,Décadence”, en:


                       
“In Gods raadsbesluit is verordend
                        Dat men van het liefste wat men heeft —

                                   Moet scheiden.”


Zo heb je je dus neergelegd bij deze dwalende wereld en vindt haar troosteloosheid vanzelfsprekend. Sterker nog. Je voelt het als je onontkoombare karma, waarmee je je verzoend hebt en dat je moet vervullen.

 


Over het “onontkoombare Karma” en het vervullen daarvan:

Wie zich losgemaakt heeft van deze maatschappij en een toeschouwer geworden is, ziet zich geplaatst in een krankzinnige wereld, temidden van mensen die niet weten wat ze doen. Brouwer, die de wereld op deze manier zag, beschouwde dat als een eindpunt, waarmee hij moest leren leven, een ziende in het land der blinden, een mens temidden van automaten. Dat beschouwt hij als het voldongen of onontkoombare Karma, waarmee hij het de rest van zijn leven moet doen. Dat is zijn grote vergissing geweest, die de rest van dit boekje bepaalt. Bovendien gebruikt hij hier het begrip Karma op een oneigenlijke manier. Het Karma is je bagage waarmee je door je opvoeders bent opgezadeld, het geheel van meningen en vooroordelen, waarmee je je wereld- en zelfbeeld hebt geconstrueerd, en waarmee je geleerd hebt je in een vijandige wereld te handhaven. Alles wat je aangeleerd hebt kun je ook weer afleren en dat is het je ontdoen van je Karma of bagage.

Wie buiten het systeem terechtgekomen is, wie toeschouwer geworden is, begrijpt niet alleen hoe, maar ook waarom mensen leven zoals ze leven. Hij ziet hoe overal om hem heen mensen zichzelf hun ellende aandoen, ziet hoe kleine kinderen aangepast worden aan het systeem, en opgezadeld worden met datgene, waar hij zich met pijn en moeite ontdaan heeft, en dan rest hem nog maar één taak en dat is daar een eind aan maken en niet “horen, zien en zwijgen.”

 

Jij, die weggedreven bent uit het Zelf, en die je geplaatst ziet in het leven, waar pijn en werk, verlangen en angst, je deel zijn en alle Waarheid voor je verhuld is. Je ziet dat leven als de weg van je plicht, en leeft het, alsof het uit je Zelf gestuurd wordt. Dat wil zeggen dat je alle aardse banden die je onontkoombare karma vormen, als rechtmatig beschouwt, en dat die zo lang blijven bestaan, tot God je ervan verlost. Laat je niet door nieuwe verlangens daarvan afwijken en verzwaar je karma niet ondoordacht. Maar probeer ook niet beter te willen zijn, dan je bent, want dát zou een vrijwillig volgen van een onjuist verlangen betekenen. Tracht ook niet de wereld beter te willen hebben dan ze is, want dát zou een onjuiste zucht naar macht inhouden. Zeg liever: “Wat is nou een God, die geen vlees wordt in een tragische wereld?

 


Verduidelijking:

Brouwer heeft kennelijk begrepen dat het niet zijn eigen verdienste is geweest, dat hij uit de wereld gevallen is, maar noemt dat dat “God hem ervan verlost heeft”. Dat het niet een kwestie van willen is geweest, maar dat het hem toegevallen is. Hij heeft ook begrepen dat een mens niets anders kan zijn dan mens, dat je andere mensen niet kunt veranderen en dat je de wereld niet kunt verbeteren, maar dat het alles of niets is.

Weer mens worden, zijn, is zijn als “God”, “Ik ben, die zichzelf is”.


       “Het verlangen dat van de Goddelijke kracht naar de natuur uitgaat, waaruit de natuur en de vrije wil ontstaan zijn, smacht naar verlossing van de natuurlijke (wereldse) vrije wil. Datzelfde verlangen is samen met het stempel der natuur in jouw wil geplant, om reden dat zij daarmee God heeft binnengehaald. Aan het einde der tijden zal zij van de van de opgezadelde ijdelheid van de natuur verlost  worden en uitmonden in een kristalheldere natuur. Dan zal het duidelijk worden waarom God haar in de tijd opgesloten en aan de pijn van het lijden onderworpen heeft, namelijk omdat de mens door de natuurlijke pijn door vormen, gedaante en sterfelijkheid zijn eeuwige kracht zal ervaren en dat hem zijn scheppende leven in die tijd en ook zijn spel van verzet tegen de Goddelijke wijsheid onthuld zal worden. Want door de dwaasheid openbaart zich de wijsheid, omdat de dwaasheid zich eigen macht aanmeet, maar een andere basis en oorsprong heeft en eindig is. Zo wordt het eeuwige leven door de dwaasheid tentoongespreid, opdat daarin een lofprijzing ter ere van God opwelt en het eeuwige, onveranderlijke in het sterfelijke gezien wordt.”

 

       ,,Opdat je de eeuwige gelukzaligheid in jezelf zult ontdekken, moet de felheid van de kwelling — niet al horend bij de werkelijkheid, maar als een mogelijkheid tot verandering of ontrouw — leiden tot de gelukzaligheid en moet de duisternis leiden tot de openbaring van het licht, opdat je de openbaring van het licht zult ervaren. Was je volmaakt gebleven, het was niet nodig geweest. Uit het tegenstrijdige zul je begrijpen wat liefde en lijden zijn.” (Jacob Boehme, uit Theoscopia).


     Zo zul je je dan met jouw wereld verzoend hebben en die niet proberen te veranderen. Zo zul je werken, eten en slapen en rondreizen in jouw wereld, omdat je het als je onontkoombare karma voelt. En juist daardoor, door je nederigheid, zul je zoveel te meer in de volheid des Heren groeien, die je, los van je plicht, beschermt voor verlangens en angsten.

 


Commentaar:

Maar het is wel een wereld, die dan bevolkt wordt door medemensen, die in hun verblinding doorgaan met het vernielen van de schepping, die de wetten en regels maken waar je je aan te houden hebt, die de grenzen bepalen waarbinnen je te leven hebt, die de coulissen van het toneel bouwen en onderhouden, waarop je hun spel mee moet spelen.

 

V

 

     Het verstand is onlosmakelijk verbonden met de taal. Het leven met het verstand maakt het onmogelijk, om op directe wijze — door gebaar en oogcontact, instinctief, of nog materielozer, over elke scheiding in afstand heen — met elkaar te communiceren. Dus gaan de mensen zichzelf en hun kroost dresseren in het maken van contact door middel van tekens in de vorm van grove klanken. Dat gaat moeizaam en nogal onbeholpen, want nooit nog heeft iemand door middel van de taal zijn ziel aan een ander kunnen blootleggen. Taal kan alleen een bestaande onderlinge verstandhouding begeleiden. Waar twee mensen toch al dezelfde verlangens en behoeften hebben, maar de stuurloos dwalende verlangens ieder ogenblik dreigen om op zijpaden van elkaar af te drijven, houden ze elkaar door het gemeenschappelijke van de taal moeizaam en angstvallig bijeen. Alleen in zéér eng afgegrensde hersenspinsels, zoals die uitsluitend in intellectuele wetenschappen —  die geen enkel verband met de werkelijkheid hebben die dus het minst met het eigenlijke mens-zijn te maken hebben — voorkomen, is het elkaar begrijpen vrij lang en goed vol te houden. Over “gelijk” en over “driehoek”, zal weinig misverstand mogelijk zijn. Toch zullen daarbij twee personen nooit precies hetzelfde voelen, en zelfs bij de meest nauw omschreven wetenschappen, de logica en de wiskunde, die eigenlijk niet scherp van elkaar te onderscheiden zijn, zullen bij de grondbegrippen, waaruit ze zijn opgebouwd, geen twee mensen hetzelfde denken. Maar toch loopt hier de wil bij beiden parallel. Bij beiden wordt op dezelfde wijze, door een klein onbelangrijk gebied in het hoofd, de aandacht afgeleid. Zo beantwoordt de taal ook aan haar doel, waar een aantal mensen samen tegen de vijand vechten, of samen een huis bouwen of een brug, of samen handel drijven of bezig zijn een koop te sluiten, dat wil zeggen, om de wil van de afzonderlijke personen in hetzelfde spoor te houden.

     Maar het gebruik van de taal wordt ridicuul, wanneer het gaat over subtiele nuances van de wil, zonder dat naar die nuances wordt geleefd. Zoals bij zogenaamde wijsgeren of metafysici die het met elkaar hebben over moraal, over God, over bewustzijn, onsterfelijkheid en de vrije wil. Mensen, die elkaar niet eens liefhebben, laat staan dat ze een onderling begrip in de subtiele bewegingen van de ziel delen. Ja, die elkaar soms zelfs niet eens persoonlijk kennen. Dan praten ze óf langs elkaar heen, óf ze bouwen een logisch systeempje, dat alle verband met de werkelijkheid mist. Want logica is leven in de hersenen en kan dan wel het leven daarbuiten begeleiden, maar kan het leven nooit eigenmachtig een richting opsturen. Het met elkaar eens zijn kan schijn en logica met voeten treden. Zo kan het gezamenlijk zeggen: “er is geen kwaad” en “er is niets dan kwaad” slaan op eenzelfde ,,het met elkaar eens zijn.”

     Het gebruik van de taal is ook ridicuul, waar een meningsverschil is en waar men door redeneren probeert het eens te worden. Beide partijen verkeren daar zodanig onder invloed van de publieke massapsychose, dat ze zich zouden schamen toe te geven dat ze “onredelijk” zijn, dat wil zeggen toe te geven, dat ze iets anders zoeken, dan het quasi-algemeengeldige, de door de maatschappij voorgehouden hersenschim van het “goede” en “juiste”. En zo kan hier dus de taal, die van een verlangen naar hetzelfde uitgaat, een gevecht vergezellen. Maar uiteindelijk zouden ze net zo goed kunnen zwijgen. Ze spelen niets anders dan hun wil uit, spelen op elkaars verlangen en angst in en dan wint de sterkste.

Ook in de conversatie is de taal ridicuul. Ieder bazelt, maar het is de kunst te bazelen, zonder dat het ridicule de, binnen het gezelschap heersende, conventies doorbreekt. Die kunst om anderen de loef af te steken, hún ridiculiteit bloot te leggen en zelf voortdurend binnen de perken en gedekt te blijven en daarbij toch de subtielste onderwerpen aan te durven raken, is een virtuositeit, die vooral in Frankrijk hoog in ere staat en waarmee men de naam van ,,spirituel” verwerft. Zulke spiegelgevechten zijn ten minste meer te verteren, dan de would-be ernstige prietpraat over kunst en politiek.

     Komisch wordt de taal in de conversatie tussen jongens en meisjes. Hier is de goede verstandhouding van tevoren al in orde en heeft allesbehalve de hulp van de taal nodig. Zij dient hier juist om de goede verstandhouding te verdoezelen, in dienst van de schaamte, die haar niet onder ogen durft te zien. Zij dient hier, om door grappen de ernst te verhullen. Ernst is in zo’n gesprek alleen geoorloofd, waar het gedwongen samenzijn tot een plichtmatige uitwisseling van enige volzinnen noopt. Zo gauw men ernst tussen de beide seksen binnen laat sluipen, gaat al het edele van de schroom verloren. Wie ernst heeft laten zien, kan niet alles meer laten zien. Hoewel gespeelde ernst, een soort van speelse behaagzucht, vaak het enige verdedigings-middel tegen onbeschaafde indringers van de eerbaarheid is.

     Het toppunt van weerzinwekkendheid hierin wordt bereikt in verenigingen, zoals er onder Amsterdamse studenten een bestaat, waar mannelijke en vrouwelijke leden gezamenlijk ,,het seksuele vraagstuk bestuderen”, zoals ze het noemen. De vereniging noemt zich ,,Ethos”, en is het meest liederlijke wat zich tot nu toe publiekelijk heeft durven vertonen. Dat het in deze maatschappij mogelijk is, bewijst slechts, hoe ver het kritisch besef van de mensen van hun basale instincten afgedreven en rationeel ingekapseld is.

     In het dagelijks leven heeft de taal alleen zin om de al gelijkgestemde wil van twee personen op hetzelfde spoor te houden. Daarbij heeft men aan het geloof in een voor alle mensen geldende, buiten hen en onafhankelijk van hen bestaande werkelijkheid, een zo’n belachelijke waarde toegekend, dat “de waarheid spreken” vaak minder doeltreffend is, dan het zogenaamde “liegen”. Als iemand gevangen zit in het geloof aan een logisch samenhangend complex van uiterlijkheden, dat hij werkelijkheid noemt, (wat moeiteloos in een bepaald gebied van de hersenen te lokaliseren valt) dan is het vrijwel onmogelijk hem in die onzin te volgen. Men zal dan op z’n minst moeten overdrijven om toch de gewenste stemming bij hem op te roepen met woorden, die door hem zelf als overeenkomstig zijn werkelijkheid geaccepteerd worden. Zo kunnen de subtiele plagerijtjes, die een man zijn vrouw aandoet, een buitenstaander misschien niets zeggen, maar hij zal ze wel enigszins kunnen aanvoelen, als hem bepaalde tastbare feiten, die wel niet echt gebeurd zijn, maar die in die bewuste relatie als uiterste consequentie mogelijk zouden zijn, als echt gebeurd worden verteld. De aandacht kan zich zo moeilijk uit het intellect losmaken, dat alleen buitengewone feiten nog tot het basale gevoel van de mensen doordringen. Met de taal als slavin van de waan van de werkelijkheid, is de wáárheid niet te zeggen.

 


Toevoeging:

"Het basisgereedschap voor de manipulatie van de werkelijkheid is de manipulatie van woorden. Als je de betekenis van woorden kunt beheersen, kun je de mensen, die de woorden moeten gebruiken, beheersen." (Philip K. Dick)

Het schrift is ontwikkeld om het mogelijk te maken grote menigten van mensen administratief manipuleerbaar te maken. Het enige culturele verschijnsel dat ermee gepaard ging, is het ontstaan van steden en rijken, met andere woorden de integratie in een politiek stelsel van een aanzienlijk aantal individuen en hun hiërarchische indeling in kasten en klassen. Dat is in elk geval de typische ontwikkeling die men ziet, van Egypte tot China toe, vanaf het ogenblik dat het schrift zijn intrede doet. Het schijnt dus het uitbuiten van de mens te begunstigen vóór het zijn geest verlichtte. (Claude Levy Strauss in “Het trieste der tropen”)

Want dat simpele volk uit de gouden eeuw, met geen wetenschap gewapend, leefde enkel volgens de leiding en ingeving der natuur. Waar diende grammatica immers toe, daar allen dezelfde taal hadden en men van het spreken niets anders eiste dan dat de een de ander begreep? Wat was het nut van dialectiek, daar er immers geen enkele strijd tussen botsende meningen bestond? Waar had men redeneerkunst nodig, daar niemand de ander last bezorgde? Waartoe zou men de wijsheid der wetten verlangen, daar er geen slechte zeden bestonden waaraan ongetwijfeld de goede wetten hun bestaan danken? (Erasmus in Laus Stultitiae)

Ik ben er van overtuigd dat spreken een veel bedrieglijker handeling is dan men gewoonlijk meent – zoals trouwens bijna alles wat de mens doet.......de zuivere waarheid is namelijk dat het de mens onmogelijk is zich met zijn gelijken te verstaan omdat hij gedoemd is tot volstrekte eenzaamheid en hij zich dus uitput in vruchteloze pogingen zijn naaste naderbij te komen ......wanneer de mens begint te spreken doet hij zulks omdat hij meent dat hij zal kunnen zeggen wat hij denkt. Welnu, dat is het bedrieglijke. Zover reikt de taal niet.......duo si idem dicunt non es idem. (José Ortega y Gasset in Rebellion de las Masas)


     Trachten niet de ,,comédie de caractére” en het naturalisme op dezelfde manier een blik op de wereld als werkelijkheid mee te delen, door die werkelijkheid te overdrijven of te verzinnen? En onderscheidt zich op dezelfde manier de schilderkunst niet van het kopiëren van de natuur?
     Zoals taal het willen beheersen van elkaars wil, het willen samenhouden van elkaars wil kan begeleiden, zo begeleidt het krijgsgeschreeuw van de Indianen het willen breken van elkaars wil.
     De taal is op zichzelf zinloos, en alle wijsbegeerte, die daarmee zekerheid wilde brengen, bracht zichzelf alleen maar in verlegenheid. En dutte men in bij die veronderstelde zekerheid, dan kwamen ontoereikendheden en tegenstrijdigheden later toch aan het licht. Een taal, die geen zekerheid aan de wil ontleent en die op zichzelf in het zuivere “begrip” wil voortleven, is een onding. Het is een grote kunst om een tijdlang door te kunnen spreken, zonder op tegenstrijdigheden, of op impliciete, op de wil gebaseerde, vooroordelen te worden betrapt. Dat noemen ze nou “hegelen” waarvoor je hersenkracht van iemand, als de heer Bolland, nodig hebt. Een hersenkracht die vergelijkbaar is met die van een acrobaat. De heer Bolland laat zien, dat het spreken in de gesloten rede en het onttrekken van de taal aan de soevereiniteit van passie en aandoening, waaruit ze net als alle levensuitingen ontstaan zijn, mogelijk is, zonder dat je er ziek of gek van wordt. Zo laat een fysioloog soms zien, dat voortleven van het kikkerhart, ook al is het van het organisme gescheiden, mogelijk is. Maar dat kikkerhart houdt het maar een tijdje uit, en zo zegt de heer Bolland ook, dat zijn filosofie slechts zijn Zondagse pak is. En als het “hegelen” levende zaken beroert, zoals liefde, natuur en politiek, dan levert het slechts levenloze uitspraken, die voor het leven onzinnig zijn.

     De taal leeft slechts met en door de cultuur, die aan de ene kant een behoefte aan wederzijds begrip en aan de andere kant de onmogelijkheid van een direct contact met zich meebrengt. Maar ook bevestigt het taalgebruik de cultuur, doordat ze zich op haar terrein afspeelt. Mensen met taal verliezen primaire verlangens, die, hoe onnatuurlijk ook, veel dichter bij het Zelf stonden. Bang voor hun enige vaderland, de eenzaamheid, worden de mensen automaten in dienst van die monstermachine: het maatschappelijk verkeer. Hun aandacht heeft zich van alle andere invloeden en wezenlijke contacten afgesloten. Breken die invloeden toch door binnen de categorieën van hun intellectuele wereldbeeld met zelfgeschapen “natuur”wetten, dan trachten ze die eerst gewoon te loochenen. Als dát niet lukt, gaan ze die invloeden bestuderen en rubriceren en binnen het terrein van de hooggeroemde “wetenschap” halen. Ze realiseren zich niet dat op alle invloeden het zuiverst wordt gereageerd bij het eenvoudig openstellen van het onbevangen gevoel, niet belemmerd door enige kennis. Zelfs het meest eenvoudige werk in het dagelijks leven zou beter in een gedachteloze en nederige sleur kunnen worden verricht, dan vanuit enige kennis van zaken. Maar dan zouden die bij dat dagelijks leven niet noodzakelijk betrokken invloeden in elk geval als naar Gods wil en voor onze kennis verborgen beschouwd dienen te worden. Alleen zo kan men rustig op zijn daden en mening vertrouwen. Teiresias en Cassandra waren geen leden van Verenigingen voor Psychologisch Onderzoek. Ze zagen de toekomst, toen het nodig was, maar ze hadden om dat inzicht niet gevraagd en hadden er nog minder moeite voor gedaan.

     Voor de tegenwoordige wetenschap is echter niets heilig genoeg. Is er eenmaal een invloed geconstateerd, dan moet die worden onderzocht en binnen oude, intellectuele categorieën gepast worden. En dan moeten daarover de vragen: “hoe oud?” — “hoe ver?” — “hoe groot?” — “hoe sterk?” en “hoe duur?” beantwoord worden. (maar nooit de vraag “waartoe” of “waarom”)

     Maar wie het gevoel nog uit het keurslijf van de conventies van de publieke opinie kan bevrijden en wie zijn fijnere waarneming gecultiveerd en in ere gehouden en niet als “niet ter zake” opzij geschoven heeft, zal vast op zijn droomgezichten en voorgevoelens vertrouwen, zonder die te willen verklaren. Hij zal de hem gegeven tekens buiten zijn hoofd om begrijpen en zal ieders karakter van zijn gezicht aflezen, of nog eenvoudiger en directer uit zijn handen, waar geen maskers van onechtheid en behaagzucht af te rukken vallen. Voor hem staan de meest beroemde en geleerde mannen, met zelfgenoegzaamheid op hun gezicht, door dwazen toegejuicht, bewonderd en op een troon gehouden — na een blik op hun handen, naakt en ontdaan van alle glorie, te kijk. Zelfs de meest gewiekste redenaar of filosoof, waar hij geen woord tegenin kan brengen, wordt door zijn handen ontmaskerd.

     Maar dat geldt niet voor wie de Fysiognomie van Lavater of de Chiromantie van Papus heeft bestudeerd, of ook maar enige rationele overweging met zijn intuïtieve blik heeft vermengd.

     Voorgevoelens en inzichten zullen degene die zijn onbevangen zintuigen nederig openstelt, het leven steeds tijdig de weg wijzen. Maar niet bij degene die telepathie en spiritisme wetenschappelijk heeft onderzocht, of aan seances en voorstellingen op dat gebied heeft meegedaan.

     En wie, zoals de theosofen, wat van het leven na de dood wil weten, die zal het daarginds jammerlijk vergaan.

     Al die mensen, die die dingen aan de wetenschap willen onderwerpen, zal het lukken, omdat ze het zo willen zien. Zij hebben hun nederige onbevangenheid verloochend en de schijnevenwichten, waarin ze een toevlucht menen gevonden te hebben, zullen steeds door nieuwe ontdekkingen worden verstoord. Steeds zwaarder en gecompliceerder wordt de arbeid van het lichaam op aarde, en zo gaat het ook met het denken en het onderzoek door het intellect. En steeds zal, ondanks zwaartekracht en massa, het geloof letterlijk “bergen verzetten” en over het water lopen. Zelfinzicht zal spelenderwijs alle “natuur”wetten breken.

 

Verduidelijking:
Je kunt geloven wat anderen zeggen en op hen vertrouwen, maar het gaat erom dat je jezelf (je Zelf) gelooft en op jezelf vertrouwt. Vertrouwen op jezelf wil zeggen, vertrouwen op wat je geweten je ingeeft, tegen alles in wat je geleerd hebt. Dan kun je bergen verzetten en “wie zich één el onder de oppervlakte van de zeespiegel bevindt, verdrinkt net zo goed als wie er 500 vadem onder is.”(Plutarchus)  Maar wie er bovenuit stijgt kan “op het water lopen”.

 

 

VI

 

     Het uitbreken van de Waarheid binnen het afgebakende leven zijn de manifestaties van het Zelf in de vormen van dat leven. Overal en altijd hangt de Waarheid in de lucht en wáár ze uitbreekt is komt het voor de goede verstaander steeds weer op hetzelfde neer.

     De Waarheid, die doorbreekt, verwijst naar het leven dat, vanuit het teruggevonden en niet meer losgelaten Zelf, nederig de aardse boeien heeft aanvaard, volkomen bewust van het voldongen karma van deze tragische maatschappij en van zijn eigen individualiteit daarin.

     Toch is het niet de Waarheid, die iemand kan helpen het Zelf weer te vinden. Wat dat wel kan stijgt boven de vormen van deze maatschappij uit, en is alleen mystiek met het woord “Goddelijke genade” aan te duiden.

     Immanente Waarheid is de waarheid die: 1. In deze maatschappij op het onontkoombare karma van die wereld wijst, 2. In alle emoties naar de Eeuwige Gerechtigheid verwijst, 3. Als van zelfsprekend op de botsing van de tegenstrijdige en nooit met elkaar te verzoenen belangen, wijst, 4. Weg van alle uiterlijkheden, uitingen van het gekerkerde verlangen, wijst.

     Transcendente Waarheid is de waarheid die in deze maatschappij wijst naar het persoonlijke leven, bevrijd uit de ketenen van angst en verlangen, waar de gelukzaligheid en wijsheid en de stille juichkreten van de Zelfkennis bloeien op nederigheid, armoede, en rustige plichtsvervulling in het aardse leven, wat je eigen onontkoombare karma is.

De immanente waarheid verheldert, de transcendente waarheid maakt vroom.

 


In begrijpelijke taal:

In het leven in deze onrechtvaardige maatschappij worden mensen doorlopend geconfronteerd met allerlei gebeurtenissen, die hen wijzen op de noodzaak om voor hun eigen bestwil hun manier van leven te veranderen. Wie luistert naar zijn geweten zal dat begrijpen, maar wie daar doof voor is, zal alle onbehagen wijten aan de ander of omstandigheden. Alle letterlijke en figuurlijke pijn en elke emotie wijst terug naar het oorspronkelijke leven, terug naar jezelf. De waarheid is dat alle ellende voortspruit uit ieders manier van leven en zich dat ook af en toe wel realiseert, maar dat besef meteen verdringt, omdat hij denkt dat hij nu eenmaal zo is en niet anders kan. Bovendien wordt iedereen vastgehouden in een web van relaties, dat hem niet toestaat te veranderen. Het is dus niet alleen het zien van hoe je gevangen zit, maar de drang en durf om te ontsnappen is, zoals Brouwer terecht opmerkt, geen keuze, maar valt je toe, wordt je geschonken. Brouwer noemt dat “Goddelijke genade”. Maar eigenlijk is het zo dat zolang mensen nog een dragelijk leven hebben en zelfs in de illusie verkeren dat ze gelukkig zijn, geen drang voelen om zich van het leven in deze bizarre wereld los te maken, omdat ze weten wat ze hebben en niet weten wat ze krijgen.

Het onderscheid dat Brouwer maakt tussen immanente waarheid en transcendente waarheid is een kunstmatig en verwarrend onderscheid. Mensen zoeken bevestiging van hun manier van leven en de waarheid is dat iedereen vuile handen heeft, dat de manier waarop mensen met elkaar omgaan moordend is, dat wat mensen liefde noemen ruilhandel is, dat deze maatschappij gebouwd is op macht van de een over de ander en dat elke cultuur één grote vergissing is. Daarom is de waarheid gruwelijk en willen mensen die niet horen.

      

     De immanente waarheid ziet de “idee” van de wereld. Vanuit het gezichtspunt van de zogenaamde ,,werkelijkheid” zal ze leugenachtig of overdreven schijnen, vanwege de onechte vormen, waarin ze zich moet kleden. Dat doet ze in de literatuur en in de beeldende kunst. Ze is strijdig met de heersende opvattingen, die allemaal uit het beschouwen van de uiterlijke wereld zijn voortgekomen, wat wil zeggen, beïnvloed door de verlangens van de mensen. En toch wordt de immanente waarheid alleen getolereerd, zolang ze in het bekrompen leven ingepast kan worden, zonder de constructie ervan te ontwrichten. Zo gaat het in de muziek, die een beroep op de zintuigen doet, die nog niet door het intellect zijn aangetast. Veel minder in beeldende kunst, zoals de Lex Heinze heeft laten zien. Maar het minst wordt het in de literatuur getolereerd, die zich direct op het intellect, op het leven zelf, richt. Daar is ze verplicht als een gehoorzame dienaresse van de leugen van de cultuur op te treden, om als verheffende, veredelende of stichtende afwisseling te worden genoten, maar niet om au sérieux te worden genomen in de eis, de wereld anders te bekijken. Dode schrijvers lijken zich minder dan tijdgenoten direct tot de levende wil van de lezers te richten. Deze laatsten kunnen in de literatuur alleen naam maken als ze arbeiders in de industrie van gewetensussende schijn, verheffing of prikkeling worden. En ook de waarheid kan hen daarbij in een dikke, aan het heersende cultuursysteem ontleende verpakking, tot materiaal dienen. Maar later, als het cultuursysteem veranderd is, is hun verpakking niet meer actueel en leven ze zelfs als dode schrijvers niet voort. Een naakte waarheid wordt een tijdgenoot nimmer vergeven, maar over het werk van een dode legt het verleden een verzoenende sluier van onwerkelijkheid. Bij hen wordt de naakte waarheid als vaag aangevoelde stichting gelaten geslikt.

     De waarheid wordt in poëzie gemakkelijker dan in proza getolereerd. Daar heeft ze in het maatgevoel, een van de banaalste sentimentaliteiten van het in de tijd gevangen intellect, het slavinnekleed aangetrokken en begeleidt daar het beste wat ze heeft met ,,rikketik, rikketik”, “flauwe kul, flauwe kul”, en maakt de indruk, eigenlijk zelf niet te geloven, wat ze zegt. Hoor je het versje:

 
           
“La vie est vaine
            Un peu d’amour,

            un peu de haine,

            Et puis bonjour”,


dan krijg je de indruk van zomaar een stemminkje, zoals er zovele aan onze cultuur ontluiken, maar niet van een intens ervaren cultuurvijandige waarheid.

     En opnieuw spreekt de waarheid in boeken en op het toneel veiliger, dan in een serieus gesprek. Dáár past degene, die zijn leven lief heeft, wel op.

     Vooral ook op de preekstoel klinkt de waarheid onwerkelijk en wordt rustig aanhoord. De dominee preekt dan wel dat het zondig is om bezorgd te zijn over de dag van morgen, maar zelf heeft hij zijn huis tegen brand en inbraak verzekerd. Misschien wordt nergens meer waarheid gesproken dan in de kerken, maar nergens ook is ze zo zorgvuldig gereduceerd tot iets om wel te aanhoren, maar niet om naar te leven.

     Kunst, die echt waar is, zal overal gezond verstand, causaliteit en wetenschap als leugen aan de kaak stellen. Het rekent af met het optimisme, dat het onzinnige aardse gedoe in gang houdt. De kunst zal in ieder mensenleven het wrekend Noodlot zien en dat illusie en hoop en vertrouwen op zekerheid in deze maatschappij, nog rampzaliger is dan het hersenspinsel van de causaliteit. De kunst zal als consequentie van de veelheid in deze maatschappij, bij elk afzonderlijk deel een beperkte wil zien, die nooit tot rust komt en steeds weer teniet gedaan wordt door de tegenovergestelde wil van een ander afzonderlijk deel. In tijden waarin in geen andere kennis dan die van het intellect en in geen andere natuurkrachten, dan die van het dagelijkse leven wordt geloofd, zal de innerlijke waarheid in de kunst onverstoorbaar blijven spreken over magie, voorgevoelens, moord door gedachte, opstanding van doden, genezingen door liefde, geestverschijningen en hemelse boodschappen. Zij zal geen mensen aan tuberculose en jicht en bloedvergiftiging zien sterven, maar omdat hun tijd gekomen is. Zij zal iemand, die morgen verpletterd door een vallende boom sterft, er niet minder op aankijken dan iemand die door een beroerte sterft.

     Vanuit dit gezichtspunt is de kunst in het naturalisme oneerlijk. Volgens Zola beschrijft het naturalisme de natuur, zoals ze wordt gezien door het individuele temperament. Het tempera-ment is niet meer dan een tot dolzinnig enthousiasme prikkelen van de verbeelding en staat niet hoger, dan de emoties van een Zondagavondpubliek voor een melodrama. En als dat er afgelaten wordt, resteert in wezen niet meer dan een gedeelte van de buitenkant van de wereld, meestal van de menselijke samenleving, dat als een door de causaliteit beïnvloed op zichzelf staand fysisch verschijnsel beschouwd wordt. Dus blijft het een als ieder ander min of meer gereguleerd ,,historisch materialisme”, een verdwazing van de wetenschap, maar geen waarheid.

     En de spottende blik van Molière op menselijke verlangens, zwakheden, domheden en tekortkomingen, is alleen een negatieve waarheid. Het verstoort de automatenblik, die zijn medemensen optimistisch, waarderend en misschien bevreesd bekijkt. Maar het positieve, dat daarvoor in de plaats gesteld wordt, blijft een zinloos, onbeduidend en onbegrepen spel van uiterlijkheden, een ,,komediespel” in de slechts mogelijke betekenis. Het is niet beter dan de visie van de astronomie op de grote kosmische gebeurtenissen.

     De naakte immanente waarheid staat los van de heersende toestanden, van het heersende cultuursysteem. Daarom is Kunst, die de waarheid toont, van alle tijden.

     Ware kunst is te herkennen, naarmate ze meer wijst op de zelfvernietiging van de waan van de dag of van het hersenspinsel van de ruimte.

 


Commentaar:

Ware kunst is een contradictio in terminis. Kunst is per definitie onecht, daarom heet het ook kunst en alleen werkelijk is echt. Kunst kan nooit de waarheid tonen, noch de werkelijkheid. Kunst kan alleen de vervreemding en de hunkering van de mens laten zien. Maar zoals Brouwer eerder terecht stelde, behoort kunst tot de gewetensussende vermaak-industrie en levert slechts producten, waarmee de gevangenen hun gevangenis opsieren. Ook de kunst is van middel doel geworden.

 

     De eerste wordt in de muziek getoond, maar veel volmaakter, hoewel minder hevig, in de literatuur en daar het meest duidelijk in het drama, waar ze de tijd vanuit een stilstaand “nu” bekijkt. Het verhalende epos, laat de toeschouwer de kloof door afstand in de tijd zien, waardoor het vanzelf in uiterlijkheden blijft steken. Verder treedt de komedie in haar stilstaande “nu” niet uit de tijd, maar leeft naast de tijd. Het blijft in een vervloeiing van de tijd steken. Haar ontkenningen overtuigen niet en leveren, omdat ze bij het uiterlijke blijven stilstaan, slechts prikkelende emoties op. In de tragedie echter wordt uit de tijd in een stilstaand heden getreden. Dát wordt als een voortdurende schepping en onafwendbare bevrijding van het leven uit de waan van de tijd beschouwd. Een worden en verworden. Een illusie en een wrede ontgooche-ling door het Noodlot, wiens grote over de aarde uitgespreide nevelvleugels, alle uitstijgen boven het onontkoombare karma, meedogenloos in het slijk terugwerpt. Die nederige onderworpenheid aan het Noodlot wordt als rechtvaardig en vanzelfsprekend beschouwd, net zo goed als dat het hoogmoed vernedert. Een lijdzame wereld zou geen bestaansgrond hebben.

Het karma wil boven zichzelf uitstijgen en wordt in zichzelf teruggeduwd.

     Zo kun je in de treurspelen van Sophocles en Shakespeare over Oedipus, King Lear en Julius Caesar, die in machteloze dwaling hun lot moeten volvoeren, van het begin af aan het einde voorvoelen. In Hamlet worden illusie en desillusie zo sterk als één gevoeld, dat zij hier als het ware beiden steeds samen optreden. De held sterft in het stuk duizend doden. Terwijl hij in zijn daden zekerheid zoekt, wordt die hem direct ontnomen, zodat hij telkens weer voelbaar wordt gedwongen zich alleen van zijn karma te ontdoen. En ten slotte komt de dood, wiens tragische rechtvaardigheid, als ontkenning van het Leven zelf, onverbrekelijk met elk goed treurspel is verbonden. Het spreekt vanzelf dat Hamlet aan het einde van het stuk sterft. Onder elke illusie van geluk, trouw en liefde, was de grond onder zijn voeten vandaan geslagen. Waarom dan niet evengoed onder het leven, de samenvatting van dat alles? Zo moet ook in King Lear Cordelia, die niets misdreven had, evengoed als haar boze zusters haar leven met de dood betalen.

     Al het positieve in het leven, elke daad, elke karaktertrek, goed of slecht, zal zichzelf met een wrede dood straffen. Een wrede dood, want hij wordt smartelijk ervaren, of hij nou van te voren gevreesd en in de laatste uren als pijnlijk ervaren wordt of niet. En in deze trieste wereld verricht iedereen daden en iedereen heeft een karakter en leeft dus in de erfzonde van zijn geboorte en in afwachting van smartelijke boetedoening.

 


Over de erfzonde:

Hadden de christenen voorheen hun predestinatieleer, de katholieken hun erfzonde en het oosten het Karma, inmiddels is je lot genetisch bepaald. Dat is dus de nieuwe erfzonde, maar nog verderfelijker dan de oorspronkelijke en wetenschappelijk onontkoombaar. Helaas is het zo dat kinderen niet meer volmaakt geboren worden omdat ze tijdens hun intra-uteriene leven al negen maanden blootgesteld worden aan de door emoties, angsten en zorgen ontregelde moeder met alle consequenties van dien. Eigenlijk is het haast onvoorstelbaar dat er nog zoveel ogenschijnlijk gezonde kinderen worden geboren. Maar al meteen na de geboorte worden ze blootgesteld aan de goede bedoelingen van de opvoeders, die hen in het keurslijf van kleding, tijdschema’s en dressuur van de opvoeding dwingen en hen daardoor niet laten blijven zoals ze zijn. Zij maken hen klaar voor een leven in deze bizarre maatschappij en zadelen hen daarmee op met bagage, waar ze zich later in een pijnlijk en moeizaam proces (smartelijke boetedoening noemt Bbrouwer dat) ge manier.r in een pijnlijk en moeizaam proces weer van moeten ontdoen, willen ze weer mens worden.  van kledrouwer dat) weer van moeten ontdoen, willen ze weer mens worden. Een nogal omslachtige manier.

 

     Het vloeien van de tijd ontbreekt in de beeldende kunst. Die kan dus niet wijzen op de zichzelf straffende illusie van de tijd. Maar dieper en directer dan het drama kan de kunst wijzen op de illusie van de ruimte, de illusie van de veelheid, die in het heden zijn straf al uitgediend heeft, de pijn van het zich machteloos niet-begrijpend blindstaren op die veelheid. De pijn, waar men zich voor afsluit, van het nooit bevredigde verlangen van het willen bezitten en zich weer verenigen met het eigen, zich smartelijk verlaten voelende, individuele zelf. Verder en verder afdwalend richt de aandacht zich op de buitenwereld en verzwaart zo de last van het karma. Het leidt naar zucht naar macht, zucht naar geld, eerzucht en.....naar de illusie van de vrouw. Ook dat laatste is een verzwaring van het karma. Want voor de vrouw is bij geen enkele man plaats in het onontkoombare karma. Zij is een Sirene die hem van zijn weg afleidt.

 

 


Commentaar:

Hier gaat Brouwer vreselijk de mist in, wat een 23-jarige, levend in het laatst van het Victoriaanse tijdperk, niet echt kwalijk genomen mag worden, maar zijn visie op de vrouw is voor hem wel een onneembaar obstakel geweest. De buitenwereld, de wetenschappen, kunsten en politiek, werd vrijwel uitsluitend bevolkt door mannen. Freud had de westerse mens al vergiftigd met zijn waanideeën en had geponeerd dat de vrouw de negatie van de man was, een stolp over de leegte (Prof. J.H. van den Berg, Metabletica pg 157). Brouwer beschrijft hier kennelijk de vrouwen zoals hij ze als student ontmoette, de vrouwen uit de leisure class, de aanhangsels van hun echtgenoten.

Op exact dezelfde manier als de man zich door de vrouw van zijn weg naar Zelfkennis af laat leiden, laat de vrouw zich door de man daarvan afleiden. Brouwer maakt precies dezelfde vergissing die de schrijver van het Thomasevangelie ±1850 jaar eerder maakte in logion 114: Simon Petrus zei tot hem:" Laat Maria van ons weggaan, want de vrouwen zijn het Leven niet waardig." Jezus sprak:" Ziet, ik zal haar leiden en haar tot man maken, opdat zij ook een levende geest worde, gelijk u mannen. Want iedere vrouw die zichzelf mannelijk zal maken zal het Koninkrijk der Hemelen ingaan.” Als de man de vrouw als verleiding ziet, zegt dat uitsluitend iets over hemzelf en omgekeerd. Dus alles wat Brouwer hieronder over de vrouw ten opzichte van de man schrijft, geldt evenzeer voor de man ten opzichte van de vrouw. Noch de vrouw, noch de man hebben in deze maatschappij gekozen voor de rol die ze moeten spelen, maar het is de rol die hen door de anderen is toebedeeld en waar ze zich beiden van kunnen ontdoen.

 

     Er is een evenwicht tussen de schuld, waarmee de mensheid belast is en de haar opgelegde arbeid en moeite. Zo is er ook een evenwicht tussen de lichtzinnigheid van de vrouw en haar neiging tot karmaverzwaring en de mate van vrouwelijkheid, die zij de maatschappij als verleiding biedt. In een maatschappij, die tot een nederige aanvaarding van het karma gekomen zou zijn, zouden geen vrouwen zijn. Maar als de maatschappij dat punt bereikt zou hebben, dan zou ze geen bestaansgrond meer hebben. Zo is het voortbestaan van deze maatschappij onafscheidelijk van enerzijds haar lichtzinnigheid en anderzijds haar dulden van vrouwelijkheid verbonden. Het is wonderlijk dat beiden ook door ondervinding onafscheidelijk worden gezien.

     Het is een goed voorbeeld van de verschillende, eeuwig strijdende en nooit met elkaar te verzoenen belangen in de veelheid van deze maatschappij. De man die, wil hij niet onnaden-kend zijn karma verzwaren en ten onder gaan, de vrouw moet mijden en negeren — luister hoe bij Shakespeare Antonius bekoord door Cleopatra machteloos uitroept: ,,I must from this enchanting queen break off” — en de vrouw, die niet zonder de man kan, terwijl haar onontkoombare karma alleen maar haar sekse betreft. Daarom is het verschil tussen het wezen van een vrouw en een leeuwin kleiner, dan tussen twee mannelijke tweelingbroeders.

     De vrouw moet leven in een wereld, waarvan ze alles voelt, zonder iets er in te kunnen betekenen. In haar lichaam voelt ze de idee van soort, ras en familie, zonder dat ze daar aan mag toegeven. Eén ding slechts mag ze. Eén, die haar ideaal is, met de ogen volgen, zonder iets van hem voor zichzelf te vragen, geen wederliefde, zelfs niet door hem te worden opgemerkt. Ze moet een werktuig van de hemel zijn, om de banden van zijn karma, waar hij zich mee verzoend heeft, los te maken. Ze zal trachten storende verleidingen verre van hem te houden. Maar daarbij zal ze niet merken, dat ze zo gauw ze zijn leven binnentreedt en hij haar allesgevende liefde gaat voelen, zelf de grootste verleiding voor hem wordt. Met haar begrip en aandacht helpt ze hem, zijn leven te zuiveren. Daaronder, in de duistere onderwereld van de sekse waarmee ze belast is, lokt ze hem op paden, die hem tot verderf voeren.

     Nederig moet ze zijn en nederig moet ze alle onedele werk uit zíjn handen willen nemen, alle ándere werk dan het pure uitleven van de mogelijkheden van het lichaam, waarin hij de aarde bewandelt. Zonder aarzeling moet ze haar leven geven om zijn evenwicht te redden.

     Rustig moet haar blik zijn, volhoudend en geduldig leeft ze voort en doet, wat voor de geliefde is. Haar lijf is ongerimpeld, onbewogen, zonder verleidelijke hartstocht, onbewust van haar verleidelijkheid, en tegelijkertijd in zijn tergende rust zo onuitstaanbaar verleidelijk, dat geen man het uithoudt,

     De Venus van Milo laat het vrouwelijke karma duidelijk zien; dat karma van de starre, begeerteloze, onbewuste en toch zo demonisch verleidende vrouw.

     Maar zuivere vrouwenliefde kan heel goed zonder verleiding bestaan. Zo kun je dat soms, het meest onvertroebeld, in de liefde van zuster tot broer zien.

     Intussen zal de man net zo goed als de vrouw tegen zijn karma zondigen en het verzwaren. Zij, door haar vrouwelijke hartstocht naar de geliefde, die zijn leven op zichzelf wil richten, en hij door zijn mannelijke activiteit. Een voorbeeld van het eerste is de monoloog van Gretchen in Faust:

 

,,Meine Ruh ist hin,                   Sein hoher Gang
Mein Herz ist schwer;                Sein’ edle Gestalt
Ich finde sie nimmer                  Seines Mundes Lächeln
Und nimmermehr.                     Seiner Augen Gewalt,


Wo ich ihn nicht hab’                 Und seiner Rede
Ist mir das Grab,                       Zauberflusz,
Die ganze Welt                                     Sein Händedruck,
Ist mir vergällt.                          Und ach! sein Kusz!


Mein armer Kopf                       Mein Ruh ist hin,
Ist mir verrückt                          Mein Herz ist schwer;
Mein armer Sinn                       Ich finde sie nimmer
Ist mir zerstückt                        Und nimmermehr.


Mein Ruh ist hin,                       Mein Busen drängt
Min Herz ist schwer;                 Sich nach ihm hin;
Ich finde sie nimmer                  Ach, durft’ ich fassen
Und nimmermehr.                     Und halten ihn!

 

Nach ihm nur schau’ ich            Und küssen ihn,
Zum Fenster hinaus,                 So wie ich wollt’,
Nach ihm nur geh’ ich                An seinen Küssen
Aus dem Haus                          Vergehen sollt’!”

 

Die vrouwelijke hartstocht is heel iets anders dan de mannelijke. Die is onafhankelijk van de illusie van ruimte en kent dus geen bevrediging door bezit. Het is een blinde hersenschim in haar zelf. De straf is uiteindelijk meestal een walgen van de man die zij aanvankelijk begeerde en een toch niet kunnen laten hem te begeren.

De zonde van de mannelijke activiteit, het zich uitleven op de in haar lichaam uitgedrukte idee, met het ontkennen dat haar vrouwelijkheid dat niet toelaat, wordt door de hedendaagse critici die het spoor bijster zijn, gesanctioneerd. Er mag zelfs straffeloos over ,,gelijkwaardigheid van man en vrouw” gemompeld worden. Nou zal wat menselijke dwaasheid wil toch wel gebeuren. Misschien zal al het mannenwerk van nu mede door vrouwen worden verricht en misschien zelfs uitsluitend in vrouwenhanden overgaan. Toch kan de menselijke dwaasheid niets aan de grote lijnen van het onontkoombare karma van deze maatschappij veranderen. De toestand blijft hetzelfde. Het edele, telkens weer aan de idee van soort en ras aangepaste werk blijft voor de mannen en het onedele zoveel mogelijk voor de vrouwen.

 


Commentaar:

Ook hier is Brouwer niet consequent. Hij noemt werk de “zelf op de hals gehaalde taak” door het verlaten van de oorspronkelijke toestand. Edel werk is dus uitsluitend een maatschappelijke kwalificatie want uiteindelijk is werken voor de dwazen. Bovendien zijn er geen soorten en rassen van mensen, maar alleen maar mensen die denken dat ze anders van soort en ras zijn.

 

Het langzamerhand in bezit nemen van bepaald werk door de vrouw, zal onverbiddelijk leiden tot een degradatie van dat werk. De waardering van werk verandert met de tijd. Vechten en jagen was edel in de riddertijd, later werd dat de politiek en laatste tijd de wetenschap, vooral het soort wetenschap dat op de universiteit beoefend wordt. Vrouwen waren altijd van dat edele werk uitgesloten. Twee verschijnselen van de allerlaatste tijd zijn de degradatie van de universiteiten tot kweekscholen voor loondienaars in onaangenaam, ellendig noodzakelijk, mensonterend werk in de maatschappij en het verschijnen van de vrouwen op die plaatsen. Tot voor kort werd een positie in de staat, in het publieke leven, als iets eerbiedwaardigs, zelfs metafysisch gezien en een maatschappelijke betrekking gold als een edele taak. Huishoudelijk werk was noodzakelijk, maar ellendig en onedel. Maar socialistische stromingen hebben in de vorige eeuw dat eerbiedwaardige weggespoeld en tegelijkertijd namen vrouwen functies in de maatschappij in. Voorlopig alleen nog op ondergeschikte en administratieve plekken. Het grote geheel in gang houden vereist nog mannelijke hartstochten en mannelijke dwaasheid. Als de staat echter aan het eind van de socialistische verwording een gesmeerd lopende automaat geworden zal zijn, zal de administratie misschien geheel aan de vrouwen overgelaten worden. Dat het geld voor het levensonderhoud door de man wordt verdiend, is even weinig essentieel, als het geld zelf. Het is iets bijkomstigs van deze tijd, waar meer of minder verdienen met meer of minder edel werk gepaard gaat. Bij de oude Germanen gold destijds de zorg voor het levensonderhoud en het bebouwen van de grond als onedel werk en dus deden de vrouwen dat.

     Als alle productieve arbeid door het socialisme saai en onedel gemaakt zal zijn, zal het uitsluitend nog door de vrouwen worden verricht. Intussen zullen de mannen, ieder naar zijn aanleg, aan sport en gymnastiek doen en vechten, filosoferen, tuinieren, houtsnijden, reizen, dieren dresseren en alles doen, wat dan nog als edel werk beschouwd wordt, tot dobbelen om wat de vrouw verdient toe. In feite is dat veel edeler dan bruggen bouwen of mijnen graven.

     Zo brengt de zonde van de mannelijke activiteit de vrouwen tot een machteloos gevecht tegen het noodlot, dat hen alleen het onedele werk toebedeeld heeft. Dat straft zichzelf weer door het onbehaaglijke gevoel dat zij, nooit van binnenuit de sterkende aandrang tot dat mannenwerk ervaart. Hoe goed ze het werk ook kan doen, nooit zal ze begrijpen wat ze doet.

     Van wat voor soort haar mannelijke activiteit ook is — gewoon leven naar het mannelijke idee, of lichtzinnige afdwalingen daarvan — het maakt haar zonde niet groter of kleiner. Een amazone, een schrijfster of een schilderes, is niet beter dan een vrouwelijke dokter of slager. Een menslievende vrouw is even belachelijk als een wrede of een eerzuchtige vrouw.

     Is een vrouw echter in staat zich vrij van hartstocht en activiteit te houden, dan zal ze toch de knellende banden om haar natuur ervaren, als straf voor haar oude schuld, van het niet kennen en vinden van haar ideaal. Tastend zal ze, slechts in staat aan subtiele sentimentjes van een man deel te nemen, in haar kinderlijkheid eerst kleine mannelijke talenten en denkbeelden bewonderen en delen. Slechts aan de minderheid wordt daarna een individu, die uitdrukking aan zijn Noodlot geeft, in zijn geheel geopenbaard. Dat kan pas liefde worden genoemd. Dan ziet zij zijn Noodlot en Levensgang beter dan hijzelf en moet zij bij zijn afdwalingen de druk, hem niet zo hoog te kunnen achten als zij zou willen, geduldig dragen. En valt hij duurzaam uit zijn karma, anders dan naar haar toe, de enige val die ze niet kan zien — dan is zijn vallen naar zichzelf toe, tevens een van haar weg vallen. Zij moet alles wat haar leven inhoud geeft opgeven. Toch doet ze alleen zo haar plicht. Zich uit wanhoop aan hem blijven vastklampen zou een teken van mannelijke verbetenheid zijn. Het is geen echte liefde, die verachting overleeft. Ze zal haar eenzaamheid geduldig dragen, tot een nieuwe, hogere mannelijke sfeer voor haar opengaat, een minder belastend mannelijk karma. Zo zal de een na de ander haar geliefde worden. En telkens laat ze hem los, als hij duurzaam uit zijn karma valt, of als een andere man, in een hogere fase, op haar weg komt. En in en door haar leven wordt haar ideaal haar pas duidelijk: het hoogste mannelijk wezen, dat voorbij angst en begeerte is. Een mens die niet meer uit zijn karma kan vallen, omdat hij boven zijn karma uitgestegen is. Die geen belang hecht aan macht of talenten, noch aan uiterlijk of karakter en die slechts bescheiden moedig is en alles helder ziet. Voor de rest van haar leven is het besef van dat ideaal en dat nergens ter wereld kunnen vinden, haar laatste kwelling.

     Maar zo is de levensloop van vrouwen niet, want ook vrouwen dwalen door hun karma. Allereerst wil haar vrouwelijke hartstocht de geliefde naar zich toe trekken. Ze ervaart zichzelf als een leegte, die ze met hem wil opvullen. Vervolgens creëert haar mannelijke activiteit, die haar lichaam belast, als haar ideaal niet het hoogste mannelijk principe, maar een of ander eigenschap, namelijk een eigenschap, die bij haar eigen karakter past, terwijl de man datgene, wat hij in zijn onwetendheid buiten zichzelf projecteert, wil bezitten en dus het gemakkelijkst op het tegenovergestelde van zijn eigen type valt. Opnieuw is dit een voorbeeld van strijdige belangen in deze maatschappij.

Bij Gretchen in Faust zie je die bewondering van een eigenschap van mannelijke activiteit:


                       
,,Du lieber Gott! ware so ein Mann
                        Nicht alles, alles denken kann!
                        Beschämt nur steh’ ich vor ihm da,
                        Und sag’ zu allen Sachen ja.
                        Ein doch ein arm unwissend Kind,
                        Begreife nicht, was er an mir findhet.”

 
Maar de vrouw dwaalt steeds verder af. Ze wordt, verblind door eerzucht, angst en jalousie, ook ván haar ideaal weg, naar andere mannen toegetrokken. Is ze zich op een mannelijke manier van haar type bewust en heeft ze een mannelijke zucht naar macht, dan zal ze mannen gaan verleiden, en zo haar ideaal voor zijn tegendeel verruilen.

     Zo bedroevend is de toestand van de liefde in deze maatschappij en zo hoort het. De zuivere vormen van liefde kunnen pas komen, met het verdwijnen van deze maatschappij en haar zelfingenomenheid.

 


Commentaar:

In deze maatschappij en in elke cultuur zijn relaties gebaseerd op de complementairheid van het karma, of bagage, van beide partners. Twee halve mensen die elkaar aanvullen, hun wederhelft vinden. Op de weg naar zelfkennis, waarop mensen zich ontdoen van hun bagage, veranderen mensen zodat geen relatie stand kan houden. En telkens komt de zoeker anderen tegen die weer passen bij hun veranderde karma, maar ook zij zijn slechts een belemmering op hun weg naar het einde. Belangeloze liefde is in deze maatschappij een onmogelijkheid, niet van deze wereld.

 


     De waarheid in de kunst laat een constant patroon zien: de man behoort de vrouw te mijden en te negeren, maar de vrouw behoort in de man te leven, zich nietswaardig, krachteloos en waardeloos te achten en alles aan de geliefde op te offeren. Een echte vrouw is bleek, soepel, zonder expressieve lijnen, met doffe, dromerige ogen, heeft geen spierkracht, en deinst nergens voor terug. En een man, die zich aan een vrouw overgeeft, verliest zijn leven. Het wordt in het kort verhaald in een visioen van Marie Madeleine:


           
,,Ich träumte ja nur. — Ich sah einen Baum,

            so jugendüppig, zo frühlingsstark,
            und ich sah eine Tropenblume im Traum
            die zich um ihn wand, und sie trank sein Mark.

 
            Sie war sehr weise. Und seltsam erschlafft
            im Sonnenhauch einer fremden Flur.
            Und sie trank sein Blut und trank seine Kraft.
            Da verdorrte van de Baum. — Ich träumte ja nur.”


Een kunstwerk, waarin alleen de vrouw een verheven indruk in de liefde maakt, doet erg werkelijkheidgetrouw aan. De man is daarin een volledig ontredderde stumper. In Hamlet, het allerwaarachtigste van alle treurspelen, spreidt de held ook het mannelijk karma zo zuiver ten toon, dat hij zich terwille van zijn geweten ondanks alle liefde, die hij voor Ophelia voelt, en ondanks alle verleidende bekoring, waardoor hij zich bevangen voelt, niet kán laten gaan en zich niet kán geven! Maar bij háár wordt alle aandacht opgeslorpt door zijn Noodlot, verdriet en verwarring en door zijn niets ontzienende levensweg.

     Overal maakt mannelijke liefde de indruk van lichtzinnigheid en tragische verblinding en vrouwelijke liefde van een verheven beproeving. Dat beeld van het liefdeleven is het onderwerp van Shakespeare’s Antonius en Cleopatra. Zij wil het leven in de hoogste vorm, die ze bevatten kan en zoals ze dat in de geliefde ziet verwerkelijkt, met hem delen. Hij wordt daardoor juist van zijn levensweg afgeleid en vergooit voor haar de edelste reden van zijn bestaan, waardoor zijn leven te gronde gaat. Zij neemt vervolgens, na zijn dood, na het verdwijnen van het leven dat haar deed leven, zonder aarzeling ook afscheid van haar eigen leven, dat nu voor haar inhoud-loos is geworden. Weduweverbranding is een heilige rite, maar de barbaarse westerse regeringen verbieden het als barbaars.

     Adelbert von Chamisso zong helder over de vrouwenliefde. Waar twee van de drie zusters over het lijden van hun liefde vertellen, ziet hij de pijn van de derde het duidelijkst. Zij zegt:


                        ......
vier Worte nur: ich wurde nie geliebt;”


beter zou zijn geweest: ,,ich habe nie geliebt.”


     Hoe een vrouw pas door liefde bestaat, maar daarbij haar individualiteit verliest, spreekt uit haar woorden:


                       
,,Den Freund, in dem erschrocken und entzückt

                        Ich selber mich verloren und gefunden.”


En luister, hoe weinig ze hem naar zich toe wil trekken en haar leven aan het zijne binden wil:

 

                        ,,Wandle, wandle deine Bahnen;

                        Nur betrachten deinen Schein,

                        Nur in Demuth ihn betrachten,

                        Selig nur und traurig sein !”

En:


                       
,,Höre nicht mein stilles Beten,

                        Deinem Glücke nur geweiht.”

 

     Want de meest heilige liefde gaat met de grootste schaamte gepaard, een voor hem instinctief ontwijken van de verleiding, die van haar uitgaat. Want of hij in verleiding raakt of niet, alleen al het denken aan haar leidt hem af.

     Wat ze doet en wat haar omstandigheden zijn, is voor haar geluk van geen belang. Voor haar zijn alleen zijn leven en zijn lotgevallen van belang. Alleen het dieet van de geliefde beïnvloedt de gezondheid van een ideale vrouw. Niet haar eigen dieet. Ook fysiek leeft ze letterlijk alleen van liefde. Elke ziekte is door zijn adem, door zijn handen, direct te genezen. Zij heeft geen wederkerige macht over hem. (dit is echt flauwekul, Brouwer)

     Daar ze alleen maar in liefde leeft, zal ze zelf geen behoefte, noch een richting voor een eigen leven voelen. Menselijke, dat wil zeggen, mannelijke begeerten zijn haar vreemd. Matigheid en nuchterheid zijn speciaal vrouwelijke eigenschappen. In wereldse ambities en politieke overtuigingen zal ze naïef de geliefde volgen. Klakkeloos van hem overgenomen opvattingen zal ze als objectief vaststaande axioma’s tegen alle aanvallen door derden verdedigen. Bij twistgesprekken met zo’n vrouw komt de ridiculiteit van de taal als middel om tot overeenstemming te komen, helder voor de dag in de vorm van de beruchte “vrouwenlogica”. Goethe sprak:


                                                          
    die Weiber, die bestandig
                                               Zurück nur fallen auf ihr erstes Wort,
                                   Wenn man Vernunft gesprochen stundenlang”.

 


Hier eindigt dan zijn filippica tegen de vrouw. Neem het hem niet kwalijk!

 


     De immanente waarheid breekt óók in de wetenschap verder door. De wetenschap heeft het waargenomene van de waarnemer (het ik) gescheiden, het in een onafhankelijk van het waargenomen bedachte buitenwereld geplaatst en de band met het alleen voedende en sturende Zelf verloren. Zo bouwt de wetenschap búiten het leven een hersenschimmig wiskundig-logisch substraat en bínnen het leven een Toren van Babel met alle spraakverwarring van dien. Maar een mens met zelfinzicht beschouwt de huidige toestand van deze maatschappij veroorzaakt door het eigen belaste karma, en de verwarring, die door het doen en denken in de wereld gesticht wordt, als eigen ondoordachte verzwaringen van dat karma. Hij zal zich dus uit deze maatschappij terugtrekken en zich niet meer bemoeien met die door eigen hoogmoedig ingrijpen in de natuur teweeggebrachte verschijnselen, waar de tegenwoordige natuurweten-schap zich voornamelijk mee bezig houdt.

 


Commentaar:

"Alle Wissenschaft wäre überflüssig wenn Wesen und Erscheinung der Dingen unmittelbar zusammenfielen", schreef Karl Marx. De mens kan namelijk pas óver de werkelijkheid en de natuur gaan denken als hij zich búiten die werkelijkheid en de natuur geplaatst heeft, zoals hij pas over zichzelf na kan denken als hij zich buiten zichzelf geplaatst heeft en zoals Brouwer schrijft: de band met het alleen voedende en sturende Zelf verloren heeft. Dan is de buiten-wereld opeens vreemd en vol bedreigingen en met behulp van theorieën probeert de mens dan zijn angsten te bezweren en daar ligt de bron van de wetenschap, die hem steeds verder van huis brengt. De natuurwetenschappen trachten vat te krijgen op de buitenwereld, de psychologie op de binnenwereld.

 

En wat men als onafhankelijk van eigen daden beschouwt, zal hij zien en ervaren als een door een steeds groter wordende gespletenheid over zichzelf afgeroepen vloek. Die vloek zal hij ondergaan vanuit het Zelf en zowel vrij als vanzelfsprekend noodzakelijk beschouwen. Levend in wat hij ziet als de ene pool van die polarisatie, zal hij daarbij de band met de andere pool, die eeuwige zekerheid, rust en wijsheid geeft, niet verliezen. Zo zal hij de blauwe onwankelbare hemel ervaren als de exacte tegenpool van zijn eigen nederige en contemplatieve stemming, de onwankelbare loop van de sterren als tegenpool van eigen vrijheid, en de kleuren en vertakkingen van de planten als tegenpool van de andere kleuren en het stromen van de hartstochten in het eigen bloed.

     Als immanente waarheid breken die inzichten in de wetenschap van deze cultuur door. De alchemie en de astrologie waren in het verleden ook zo’n storende doorbraken. De chemie en astronomie van tegenwoordig zijn ware slavinnen van de cultuur, net zo goed als alle huidige natuurwetenschappen. De doorbrekende Waarheid verplaatst het zwaartepunt telkens weer van het waargenomene naar de waarnemer terug. Copernicus verplaatste de omwenteling van de hemellichamen naar de aarde. Ooit zullen ze die omwenteling nog in het eigen lichaam plaatsen. Kant zette, in plaats van de eigenschappen van de dingen te onderzoeken, de indeling van de dingen in categorieën in zijn hoofd zelf. Positieve kwantitatieve eigenschappen worden steeds weer vervangen door polaire, zoals bijvoorbeeld in de nieuwere theorieën over elektriciteit en licht. Ondanks de kleurentheorie van Newton, die de lichtstralen in het medium ontbond, gingen Goethe en Schopenhauer, meer gevoelig voor de Waarheid, de kleuren beschouwen als een polaire splitsing van de activiteit van het oog.

     Dat helpt natuurlijk allemaal niets. Het laat deze wereld even dom. Het is geen Zelfkennis, geen terugkeer tot de vrije waarheid, maar een optreden van de Waarheid in de vormen van Dwaasheid.


     En het meest voelbaar breekt de immanente waarheid in deze maatschappij door in het altijd maar weer optreden van ongeluk bij alle manieren van streven naar geluk. Het ongeluk loochent geluk, door binnen de vormen van geluk als mislukking ervan op te treden. De kaartenhuisjes waarbinnen de mensen zich zo angstig opsluiten, storten eens allemaal in. Aan iedere stervende wordt duidelijk, dat weer een leven leeg is geweest. Het is een waarschuwing, dat ondanks alle arbeid en geknoei, het Noodlot deze maatschappij binnen haar banen houdt.

Naar hoofstuk  VII - IX Pijltje


Pijltje Voorpagina website



Download deze pagina
Pijl
  
 
 
Printer Print deze pagina