L. E. J. Brouwer  1881-1966


Pijltje Voorpagina website
    



Leven, Kunst en Mystiek, hertaling met commentaar en verheldering 2005

 

DE AMSTERDAMMER, WEEKBLAD VOOR NEDERLAND
8 Sept. ’16 – No. 2046

 

EEN MACHTIG BROUWSEL I

     Het is ongelofelijk! meer dan tien jaren ligt dat stuk proza openlijk ter lezing. Enige honderden hebben het de schrijver horen voordragen, en vermoedelijk hebben nog enige honderden het gelezen. En niemand kent het, niemand praat erover, het ligt daar maar stil, in zijn lieve witte omslag, met zijn dreigende, verschrikkelijke zwarte woorden – en rondom lacht en zwatelt en zwendelt de bende, en filosofeert en danst en schiet elkaar dood – terwijl de sombere Brouwer van dat hels-hemelse brouwsel vrij rondloopt, nu eens in een net colbertje, dan weer in een deftige toga, en door iedereen wordt beschouwd als een in onze samenleving passend, min of meer interessant en niet alleen onschadelijk, maar zelfs zeer achtenswaardig en nuttig individu.

     Ongelofelijk is het. Een verbijsterend bewijs van de wezenloze vaagheid, de suffe sleur, de ontoerekenbaarheid van de menigte.

     De mensen-wereld schijnt mij een grote kinderpartij, waar de lieve kleintjes dansen en krakelen in hun beste pakjes – en in het midden van de pret ligt een groot ding, niemand let er op, het lijkt wel dood – wat is het? Een kussen? Een crapaud? Kom er eens dicht bij en bekijk het eens goed. Een sidderend lichte beweging, een paar strakke ogen, een snel uitgeschoten tongetje – het ding leeft hoor! Een grote boa. Pas op, kindertjes.

 

     Verbaasd vragen de lezers waar ik het over heb. Ze hebben nooit zo iets gevaarlijks opgemerkt, en geloven ook niet dat een stuk proza zoveel kwaad kan.

     Ik heb het over een boekje, getiteld Leven, Kunst en Mystiek – voordracht in Delft gehouden voor het gezelschap Vrije Studie in 1905, door de toenmalige student L.E.J. Brouwer, thans professor in de mathésis aan de Amsterdamsche Universiteit en lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen.

     Begrijpt mij nu wel, kindertjes! Ik zelf vind die boa niet zulk een lelijk beest. Ik vind hem prachtig en machtig – hoewel ik een en ander op hem aan te merken heb – en hem beter op zijn plaats vind in de wildernis dan op ons kinderbal.

     Maar gij! – kindertjes! – gij behoort hem te vrezen, te verafschuwen, te verfoeien – gij behoort onmiddellijk op de vlucht te slaan en de politie te waarschuwen, en de brandweer op te schellen en een aantal ervaren oppassers van Artis te laten komen, met touwen en strikken en wat verder nodig is om zulk een ongure gast te breidelen en veilig achter de dikke glasruiten van het reptielen-huis te bergen, waar hij straffeloos kan worden aangegaapt, met griezeling bewonderd en in zijn geheimzinnig ijzingwekkend leven bestudeerd.

     Deze honderd bladzijden Hollandsch proza zijn wel de machtigste, maar ook de verschrikkelijkste, naar mijn mening, die in deze eeuw zijn gepubliceerd. Ze zijn schoon en diep en vol waarheid. Maar ze zijn fel revolutionair, volstrekt-vijandig aan onze gehele maatschappij. Ze gaan regelrecht in tegen de orde, het geloof en het recht van de mensen.

     Daarin komen ze overeen met vele profeten-woorden – en het zou bijna een belachelijke inconsequentie, een onvergefelijke onbenulligheid zijn, als de mensheid, die Socrates vergiftigde, de profeten stenigde, Jezus kruiste en Bruno verbrandde, deze geweldige onheilbrouwer liet rondlopen zonder hem op te knopen of ten minste achter prikkeldraad te interneren.

     En zie! – de man is professor aan de Amsterdamsche Universiteit en lid van de Koninklijke Academie. En dat is hij alles geworden na de publicatie van dat stoute stuk. Is hij er soms van teruggekomen? Heeft hij zijn woorden ingetrokken? Ik heb er niets van vernomen. Ik meen zeker te weten van niet.

     Maar lieve hemel, wat voor soezebollen zitten er dan toch in de academische- en regerings-lichamen! kunnen die mensen alleen cijferen en administreren – en helemaal geen Hollandsch lezen?

     Ze moeten toch, vóór zijn benoeming kennis genomen hebben van al zijn geschriften, ook van dit geschrift.

     Nu zijn Excellenties en Hooggeleerden, als het algemeen menselijke wijsheid geldt, soms merkwaardig incompetent. Vooral in onze dagen is dat op pijnlijke wijze aan het licht gekomen.

     Men moet aannemen dat ze eigenlijk, in wijsgerige zaken, geen ernst van onzin kunnen onderscheiden. Ze hebben over die honderd bladzijden heen gelezen en gedacht: “nu ja! dat is maar zo wat fantastisch gezwets van een onbesuisde jongeling. Dat telt niet mee. Daar meent hij natuurlijk niets van. Wij hebben alleen met zijn mathematisch vernuft te maken. Dat is geniaal en solide. Ergo, wij negeren die buitensporigheden, die hij zelf wel gauw vergeten zal, en wij nemen hem op in onze officiële, academische Hemel, waar hij tronen mag tussen de gelauwerden en geridderden, en zich zonder twijfel spoedig even bezadigd, even correct-weten-schappelijk en fatsoenlijk gedragen zal als wij allen.”

     Deze houding is echter min of meer ridicuul. Ze schijnt te getuigen van een hoge wetenschappelijke neutraliteit. Maar in waarheid bewijst ze onwetendheid in de hoogste geestes-functies van de mens, en onbekwaamheid in het lezen en verstaan van onze taal.

     Want het meest opvallende in die honderd bladzijden proza is het met nadruk verwerpen van het menselijk intellect als hoogste geestelijke functie. Daardoor stelt de schrijver die kleine brochure zelf nadrukkelijk boven zijn mathematisch-wetenschappelijke prestaties, en de Excellenties en Hooggeleerden hadden zich behoren af te vragen, of het pas gaf, en overeenkwam met de waardigheid van de Staat, en van de officiële wetenschap, zulk een aartsketter in hun midden op te nemen.

     Misschien denken sommigen mijner lezers aan de benoeming van professor Bolland, als een soortgelijk geval. Maar dat heeft er niets van. Bolland is wat zonderling, wat eigengereid, wat ruw in zijn optreden, wat bazig in zijn houding, maar Bolland is geen ketter. Hij gelooft in de zuivere Rede, in het intellect, in de wetenschap – al acht hij zijn wetenschap de vorstin aller wetenschappen.

     Maar Brouwer is een echte ketter, en staat ketters tegenover het hele geestesleven van de mensheid waarin hij verkeert. Hij spreekt van “zonden van de Wetenschap” – van “het geloof aan een werkelijkheid” en van “het logische denken” als van dwalingen, aardse banden waaruit wij verlost moeten worden. Hij spreekt van het verstand als een geschenk des Duivels, waarvan men zich ontdoen moet.

Bij zulke ketterijen vergeleken, is de leer van Bolland onschadelijk conventioneel gebabbel.

     Nu komt het wel voor, dat begaafde jonge mensen, door onvoldoende studie, door gebrek aan een kritische omgeving, door dilettantisme dus, aan het dóórslaan gaan, en pennevruchten publiceren, waarvoor ze zich later schamen.

     Er zijn ook permanente warhoofden, die er van alles uitflappen, luk raak, soms schijnbaar zeer diep, soms bespottelijk en er hun leven lang niet aan toekomen om zich daarover te schamen.

     Maar de drieëntwintigjarige student, die de honderd bladzijden proza schreef, was geen warhoofd, Warhoofden kunnen nog wel eens bij vergissing of door protectie professor worden – maar leden van de Academie worden ze niet.

     En evenmin was de student Brouwer een dilettant, van het slag Piet Pijl. Hij weet drommels goed wat hij zegt, elk woord is zwaar van innerlijk wel-beproefde overtuiging. En hij weet niet minder secuur wat er over de onderwerpen die hij bespreekt reeds in de wereld is gezegd.

     Het is dus in elk opzicht gewenst en de moeite waard zijn geschrift met de grootste zorg en aandacht te bestuderen en te bespreken.

     Ik hoop dat de lezer mij hierin geduldig zal willen volgen.
 

FREDERIK VAN EEDEN                                                                                                                

 

 

 

 

LEVEN, KUNST EN MYSTIEK

door

L.E.J. BROUWER

 

DELFT – J. WALTMAN Jr. - 1905

 


L. E. J. Brouwer
 

 


INHOUD.

 

I.          De tragische Wereld

 

II.         De Weg naar Zelfkennis

 

III.         De val door het Verstand

 

IV.        De Verzoening

 

V.         De Taal

 

VI.        Immanente Waarheid

 

VII.       Transcendente Waarheid

 

VIII.      Het bevrijde Leven

 

IX.        Economie

 

 

I

 

     Nederland ontstond en werd in stand gehouden door het aanslibsel van de rivieren. Er vormde zich een evenwicht van duinen, delta, getijden en afwatering. Een evenwicht waar tijdelijke overstromingen van gedeelten van de delta deel van uitmaakten. En in dat land kon een krachtig mensengeslacht leven en gedijen. Maar de mensen waren niet tevreden. Men bouwde langs de rivieren dijken om de overstromingen te regelen of te voorkomen, verlegde naar willekeur ter verbetering van afwatering of scheepvaartverbinding beddingen en hakte intussen de bossen om. Geen wonder dat hiermee het subtiele evenwicht van Nederland werd verstoord. De Zuiderzee werd verknoeid en de duinen werden langzaam maar onverbiddelijk weggeslagen. Geen wonder ook dat er tegenwoordig steeds zwaarder werk nodig is, om het land voor de algehele ondergang te behoeden. En is het niet merkwaardig te zien, hoe die zelf op de hals gehaalde arbeid niet alleen als onvermijdelijk wordt gezien, maar dat er zelfs een verheven karakter aan wordt gegeven van een in naam van God of het onontkoombare Lot opgelegde taak?

     De mensen leefden oorspronkelijk in afzondering. Ieder voor zich trachtte in de voortbrengende natuur, omringd door verderfelijke verleidingen, zijn evenwicht te bewaren. Dát vulde hun leven. Mensen bemoeiden zich niet met elkaar. Er was geen zorg om de dag van morgen. Dus ook geen werk en geen verdriet, geen haat, geen angst en ook geen genot. Maar de mensen waren niet tevreden. Men streefde naar macht over elkaar en naar zekerheid over de toekomst. Zo werd het evenwicht verbroken. De arbeid voor de onderdrukten werd steeds smartelijker en de intriges van de machthebbers steeds gruwelijker. Zo werd iedereen tegelijkertijd onderdrukte en onderdrukker. Het oude instinct van verdeeldheid leeft nog steeds voort in bleke nijd en jaloezie.

Dieren en mensen lieten elkaar oorspronkelijk ongemoeid, totdat de ontevreden mensen op een deel van de dieren gingen vegeteren en trachtten de andere dieren uit te roeien. Zo werd, met alle ellende van dien, de oorspronkelijke orde uit haar verband gerukt. De moeite, zorg en de arbeid van het verzorgen van de huisdieren, de ziekte door de parasitaire voeding en een tijd lang met een hevige strijd tegen wilde dieren, die nog niet uitgeroeid waren. Nog ernstiger werd de mens in huis en hof door ongedierte en in het eigen lijf door bacteriën bestookt. Terwijl alles uit opstand tegen Gods wil is voortgekomen is de wetenschap zelfs trots op dat gevecht en berust zelfs in Gods wil!

     Tot het evenwicht van het eeuwige en alomtegenwoordige leven behoort, dat iedereen als zijn tijd gekomen is, uit dit aardse leven wordt weggeroepen. Ook, dat hij tot die tijd lichamelijk en psychisch ziek is, zoals past bij zijn verderfelijke gemoedstoestand van spaarzaamheid, zucht naar macht, ijdelheid en angst. Maar ook daar is men weer niet tevreden mee en knoeit aan de lichamen met medicijnen en voorgeschreven leefwijzen en aan de zielen met hypnose en suggestie. Zo verstoort men het vagevuur van de lusten, en verbreekt het evenwicht tussen psychische verantwoordelijkheid en de lichamelijke toestand. Het lichaamsgevoel is zozeer van het morele besef afgeweken, dat men voor zijn misdrijven en voor zijn daden op deze aarde, inderdaad niet meer verantwoordelijk gesteld kan worden. De geneeskunde gaat de laatste tijd prat op verlenging van de, overigens nog veel te korte, duur van het menselijk leven. Maar wat heeft dat voor waarde? Het is even tragisch dit leven ná zijn tijd, als vóór zijn tijd te verlaten, en wat de dood betreft: “De Natuur richt nooit schade aan zonder dat zij daar iets beters voor in de plaats stelt”

     Intussen hangt toch ook de waarheid in de lucht. Je kent het liedje van: ,,Visje, visje van de zee (Piggelmee),” het spreekwoord zegt: ,”eerlijkheid duurt het langst”, dat het betere de vijand is van het goede, en “al is de leugen nóg zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel”. Om kinderen te dresseren de waarheid te spreken, houden opvoeders hen voor, dat een leugentje nooit baat, want dat het ene het andere uitlokt, en dat ze uiteindelijk wel in een warnet verstrikt moeten raken. En tot slot zijn al die romans in omloop, die levendig schilderen, hoe het kwaad uiteindelijk zichzelf straft.

De volgende waarheid dringt zich wel degelijk aan ons op:

 

“Wanneer uw verstand u een daad voorhoudt, die uw toestand lijkt te kunnen verbeteren, terwijl uw     geweten die daad niet sanctioneert, laat haar dan na. Want het verstand ziet nooit de wereld in haar                                  geheel, en de middelen die het voor het beperkte beoogde doel voorschrijft, zullen langs                                                      ondoorgrondelijke wegen aan het geheel slechts schade toebrengen.”

 

,,Als het in dit leven zo zou zijn, dat wij altijd een spiegel voor ons zouden hebben, waarin wij in één     ogenblik alle dingen tegelijkertijd zouden kunnen zien en herkennen, dan zouden onze daden en    kennis geen probleem zijn. Aangezien wij ons echter van het ene naar het andere wenden kunnen wij ons niet met het ene bezighouden, zonder ons voor het andere af te sluiten”(Meister Eckehart)

 

     Maar al hangt de waarheid in de lucht, toch is het leven van ieder mens afzonderlijk en van de volkeren als geheel, één aaneenrijgen van zonden tegen de waarheid. Steeds weer worden alle pogingen verijdeld. Steeds worden er weer nieuwe pogingen gedaan. Alle luchtkastelen storten in en allemaal worden ze door nieuwe vervangen.

 

     Het leven van het individu is een illusie. Het is een moeizaam najagen van doelen, wat uiteindelijk op een ontgoocheling uitloopt. Op het moment van zijn dood, die hij onvoorbereid en in volledige raadselachtigheid afwacht, schrikt hij bij het besef, dat hij zijn leven heeft vergooid, ware het niet dat zijn verstand hem geruststelt en sust met de gedachte, dat het leven zonder illusies toch eigenlijk helemaal niets geweest zou zijn, of dat hij in elk geval, als batig saldo, een aardige dosis ervaring in het graf zal meenemen.

     Ja, die arrogante ouden van dagen. Ze maken zich wijs, dat alleen ervaring, schade en schande en een lang leven van zonde, gekerfd op hun verstijfde en van alle natuurlijkheid ontdane gelaatstrekken en stralend uit hun levenloze ogen, tot wijsheid voert. En ze laten, als het er op aankomt, na de jongeren te zeggen, waar het in het leven om draait.

Het leven van de mensheid als geheel is één arrogant bevuilen van haar nesten over de hele gave aarde, een knagend en schendend knoeien aan haar moederend gewas, en een onvruchtbaar maken van haar rijke scheppingskracht, totdat het alle leven heeft verziekt. Op deze verdorde aarde gaat de mensheid kankerend ten onder.

     De dwaasheid in hun hoofd, die dát veroorzaakt en hen zelf gek maakt, noemen ze: “De wereld begrijpen.”

 


Over “Gods Wil”:

Het Onuitsprekelijke, Volmaakte, een attribuut toekennen is slechts projectie. Iets willen is een kenmerk van onvrede. “God en de natuur zijn één” zei Spinoza en de volmaakte ordening, die door de eeuwige en onveranderlijke natuurwetten in stand gehouden wordt, wil niets. Alles wat is, is. De mens die afgedwaald is van het rechte en eenvoudige pad, verstoort de volmaakte ordening (‘rukt de schepping uit haar verband’, schrijft Brouwer) en de onveranderlijke natuurwetten streven er slechts naar om die verstoorde ordening weer te herstellen. Alle ellende is dus voortgekomen en komt nog steeds voor, uit het overtreden van de onveranderlijke natuurwetten, uit het verstoren van het oorspronkelijke evenwicht, door verstoorde mensen. ‘Alles is uit opstand tegen Gods Wil voortgekomen’, noemt Brouwer dat.

 

Commentaar:

Oorspronkelijk hadden mensen geen vaste woonplaats, maar zwierven, ongehinderd door kunstmatige grenzen, over de aarde. Er leefden dus niet, zoals Brouwer schrijft, een krachtig mensengeslacht in onze streken, maar mensen volgden, net als trekvogels, de seizoenen en voedden zich met alles wat de natuur rijkelijk voortbracht. Mensen leefden in en een met de natuur, stonden er niet tegenover, waren niet afhankelijk van elkaar en hadden elkaar dus niet nodig. Ze hadden niets te verliezen, dus kenden ook geen angsten. Ze kenden geen eigenbelang, waren niet bang voor elkaar en hadden elkaar dus lief met een belangeloze liefde. Brouwer schrijft dan wel dat de mens een heilloze weg insloeg omdat hij ontevreden was, maar zegt niet waarom hij ontevreden was, noch maakt hij duidelijk waarom er verderfelijke verleidingen waren en waar die verleidingen dan uit bestonden. Ontevredenheid, verleidingen, macht over elkaar uitoefenen, zijn geen oorzaak, maar een gevolg van het verlaten van de natuurlijke toestand, en als je eenmaal begint is het einde zoek, hoezeer ook alle onbehagen, alle pijn, lijden en verdriet alleen maar terugverwijst naar de paradijselijke oertoestand.

Ook is, zoals Brouwer beweert, verdeeldheid geen instinct, maar een gevolg van het verlaten van de oorspronkelijke aard van de mens, net als het optreden van ziekten, maar dat morele besef is, zoals hij terecht opmerkt, volledig ondergesneeuwd onder alle theorieën die de mens bedacht heeft. “Alle kwaad komt van buiten.” 

Iedereen is ziek, iedereen heeft vuile handen, iedereen is afgeweken van het rechte en eenvoudige pad. Iedereen is blind en doof en ziet en hoort niet wat hij ziet en hoort en is dus zwakzinnig en in hun hedonistisch streven naar genot creëren de mensen hun eigen vagevuur. De artsen en therapeuten verstoren dat vagevuur niet, zoals Brouwer schrijft, maar de artsen verzachten de symptomen en de therapeuten leren de mensen hoe ze het best in het vagevuur kunnen overleven.

 

 

II

 

     Kijk nu eens, nu ik je zo de tragiek van deze maatschappij heb geschetst, naar jezelf. Je hebt een bewustzijn. Een bewustzijn, waarvan de inhoud voortdurend verandert. Ben je de baas over die veranderingen of niet? Je zult zeggen van niet. Want je bevindt je in een wereld, die je niet zelf gecreëerd hebt, en daarin overkomt je van alles, waar je tevoren geen weet van had. Maar is het niet zo dat een deel van de inhoud je bewustzijn door je stemming bepaald wordt en dat je daar ongetwijfeld invloed op uit kunt oefenen? Je kent toch de uitdrukking: “je hartstochten beheersen”. Of zijn dat loze woorden voor je? Ongetwijfeld heb je nu en dan zelf zo’n religieuze ervaring, waarbij je het gevoel hebt alsof je loskomt van je hartstochten, van je angst en verlangens, van tijd en ruimte, dus van de hele manier waarop je de wereld ziet. En tot slot ken je die veelzeggende uitdrukking: “Naar jezelf kijken.” Je schijnt dus over zoiets als een oplettendheid te beschikken, die zich om jezelf heen beweegt, en die jezelf bij die beweging enigszins in je macht hebt. Wat dat ,,zelf” is, daar zul je niet veel over kunnen zeggen en je zult er ook niet echt over kunnen nadenken, want je voelt wel, dat alle nadenken en alle spreken zich ver van het zelf afspeelt. Met nadenken of met woorden kun je ook niet dichter bij het zelf komen, maar alleen met dat ,,naar jezelf kijken”, als het je gegeven wordt. Verder geeft dat naar jezelf kijken een gevoel van dat het je moeite kost. Het lijkt alsof je daarbij een weerstand moet overwinnen en dat je aandacht sterk geneigd is om te blijven hangen waar ze is. Het lijkt alsof de weerstand aanmerkelijk groter is bij beweging naar het zelf toe, dan bij beweging er van af. Wordt het je desalniettemin gegeven alle weerstand te overwinnen en verder te gaan, dan gaan je hartstochten zwijgen. Je voelt je loskomen van de oude manier van kijken, los van tijd en ruimte en alle andere dingen. Dan gaan je niet langer geblinddoekte ogen open in een verheugende stilte.

 


Commentaar:

Brouwer draait het om als hij zegt dat de inhoud van je bewustzijn bepaald wordt door je stemming. De inhoud van je bewustzijn zijn namelijk je gedachten en zonder gedachten geen emotie, zoals kleine kinderen en dieren geen jalousie, ergernis en angsten kennen. Dus eerst bepalen je gedachten je emotie en vervolgens in een heilloze spiraal je emoties je gedachten enzovoort. Naar jezelf kijken is vreselijk pijnlijk omdat je je dan af moet vragen waar je nu eigenlijk mee bezig bent en daaraan twijfelen wil zeggen dat je je hele verleden zult moeten herzien en je al je zekerheden als schijnzekerheden zult moet ontmaskeren.

 Het gaat er ook niet om om je hartstochten te beheersen, want daar wordt je ziek van. Het gaat erom dat je begrijpt hoe je hartstochten opgeroepen worden door alles wat je wilt. Wie niets meer wil kent geen hartstochten meer, want de wens is de vader van de gedachten en geen gedachten, geen hartstochten. Op het schaarse moment dat je volmaakt tevreden bent, zijn er geen gedachten meer, is je hoofd leeg en voel je je, zoals Brouwer dat terecht zeg, “loskomen van de oude manier van kijken, los van tijd en ruimte en alle andere dingen. Dan gaan je niet langer geblinddoekte ogen open in een verheugende stilte.”

 

       ,,Wanneer alle beelden van de ziel verdwijnen en ze alleen het Enige Ene ziet, dan vindt het naakte zijn van de ziel het naakte vormloze Zijn van de Goddelijke Eenheid, dat is het Voortreffelijke Zijn, dat ontvangend in zichzelf ligt” (Meister Eckehart)    

       ,,Wanneer je één ogenblik in datgene kunt verwijlen in waar geen schepsel woont, dan hoor je wat

God spreekt”.

        “Het is in je. En als je in staat bent één uur al je willen en je zintuigen een zwijgen te leggen, dan zul je de onuitsprekelijke woorden van God horen.”

  ,, Wanneer je zwijgt in de zinnen en de wil van je ikheid, dan wordt in jou het eeuwige horen, zien en spreken openbaar, en God hoort en ziet door jou. Je eigen horen, willen en zien belemmert je, waardoor je God ziet, noch hoort.”

        “Wanneer je stil bent, ben je hetgeen God was, vóór er natuur en schepsel was, en waaruit Hij jouw natuur en vorm maakte. Dan hoor en zie je met datgene waarmee God in jou zag en hoorde, vóór je eigen willen, zien en horen begon.” (Jakob Boehme. Uit: ‘Over het Bovenzinnelijke Leven’)

 

    Dan begrijp je dan al je vroegere gedachten, en begrijpt dan ook dat ze voorheen wel onbegrijpelijk voor je moesten zijn. Begrijpen in de zin van er vrede mee hebben en ze als van zelf sprekend vinden. Het is alsof je ze tegelijkertijd allemaal weer doormaakt, en toch niet doormaakt. Niet doormaakt in de zin van dat je je er totaal niet door gebonden voelt.

Verduidelijking:
Je begrijpt dan dat je alles wat je in je verleden gedaan hebt, uit onwetendheid gedaan hebt, omdat je niet wist wat je deed. Je hebt gedaan wat anderen van je wilden, omdat je geleerd had dat het zo moest. Je voelt je daar dan ook niet schuldig over, hoogstens heb je een gevoel van schaamte, dat je niet gezien hebt wat zo voor de hand lag. Je verleden bepaalt dan je heden niet meer.

  Daarbij ervaar je tegelijkertijd ook een oneindige rijkdom van andere beelden, een mengeling van allerlei werelden, die nu evenveel, maar ook even weinig recht van bestaan hebben, als de jou voorheen als reëel ervaren wereld. En in die ineenvloeiende kleurenzee, zonder scheiding, zonder zekerheid, en toch zonder beweging, in die chaos zonder wanorde, zie je een weg, die je vanzelf volgt, maar ook net zo goed niet zou kunnen volgen. Je erkent je “Vrije Wil”, voor zoverre die vrij was zich aan deze maatschappij, waarin causaliteit de wet uitmaakt, te onttrekken en vrij te blijven. Dan pas heeft je vrije wil de juiste koers gevonden, die hij vrij en omkeerbaar volgt.

Verduidelijking:
Dan zijn de schellen van je ogen gevallen en aanschouw je de onverdeelde werkelijkheid, zoals je die nooit hebt durven zien. Dan voel je je het middelpunt van de wereld en voel je je één met alles en iedereen. Dan zijn er geen afzonderlijke dingen meer, maar zie je hoe alles met alles samenhangt. Dan begrijp je hoe je jezelf in de weg gestaan hebt en de illusie gehad hebt dat je een vrije wil had en keuzes kon maken, terwijl je gedachten en dus je wil je heeft laten doen wat je gedaan hebt. Dan loop je eindelijk op het rechte en eenvoudige pad, laat je je meedrijven op het leven en hebt geen enkele behoefte meer om daar van af te wijken, omdat je beseft dat dat alleen maar ellende, pijn en ziekte geeft. Dan sta je in de wereld, maar bent niet meer van de wereld. Je begrijpt dan dat jezelf de enige verantwoordelijke voor je gelukzaligheid en je ellende bent. Je kunt dan wel weer wat willen, maar je beseft meteen hoe belachelijk dat is. Je begrijpt dan ook dat je het spel in de maatschappij mee moet spelen, maar in het weten dat het een bizar spel is. Je kunt afwijken van het pad, maar je weet dat het omkeerbaar is, dat je weer terug kunt.

 Want het Zelf gaat gestaag en omkeerbaar zijn eigen weg, en alle uit het Zelf voortkomende beelden hebben een richting die daar parallel aan is en die ze gestaag en omkeerbaar volgen. Je voelt je dan vrij, om al dan niet in de boeien van veelheid, scheiding, tijd, ruimte en bewustzijn van je lichaam terug te keren, maar je doet het niet. Of beter gezegd, je doet het tegelijkertijd wel en niet. Terwijl je er vrij buiten blijft, leef je je gebonden lichamelijke leven in de mensenwereld lucide verder. Je leeft geketend en beseft hoe je die ketenen zelf vrijwillig aanvaardt en hoe ze slechts aanwezig zijn, zolang je vrijwillig in de mist loopt. De gebeurtenissen volgen elkaar op in de door de causaliteit bepaalde tijd, omdat je zélf in die mist de gebeurtenissen in die volgorde wilt zien. Maar door de muren van de causaliteit heen, glijden en vloeien voortdurend de “wonderen”, die alleen voor de vrijen, de verlichten, zichtbaar zijn. Je ziet hoe de “wonderen” voortdurend in deze geketende wereld doordringen en hoe de onzichtbare wrekende handen, die de eeuwige Gerechtigheid handhaven, zich manifesteren.

Commentaar:
Het zijn geen “wrekende” handen maar meedogende handen die mensen, voor hun eigen bestwil, de weg terug naar zichzelf wijzen

  Maar ook merk je hoe boven de fysieke causaliteit een duidelijke stroom in je eigen levensloop valt te bespeuren, gedirigeerd door het Zelf, en parallel met de stroom van het Zelf,
 

en hoe het zogenaamde toeval
                                   met vaste wonderbaarlijke hand
                                                                       wordt bestuurd.
En door je wijsheid
                                   leef je in een bestendige vreugde
                                               je leven in deze tragische wereld,
en beseft: ,Er is geen kwaad, en geen gevaar;
                                   mij kan niets overkomen.”
     “Ik ben een kind, door God bemind,
                                   en voor het geluk geschapen.”

 


Verduidelijking:

Toeval bestaat slechts voor de mens die met zijn gekokerde zintuigen het geheel niet kan overzien en dus niet kan zien hoe alles met alles samenhangt. Die zichzelf, zijn medemensen en de wereld niet begrijpt, die gestoord door zijn meningen en zijn zelfgeconstrueerde wereldbeeld, dus door zijn gestoorde zelfbeeld heen, slechts een gefragmenteerde wereld ziet, waarin in zijn optiek zomaar van alles gebeurt. Alle ellende die de afgedwaalde mens overkomt, wijst maar in één richting: terug, terug, terug, totdat hij uiteindelijk weer zijn oorspronkelijke evenwicht bereikt en dan beseft: “Er is geen kwaad, en geen gevaar; mij kan niets overkomen.”

 

Je reis door deze trieste wereld is dan een gestaag voortgaan in een lichte kleurrijke wolk en in liefde voor al het vanzelfsprekende daarin. In liefde, ook voor je dwalende en hunkerende medemensen. Want je ziet de wereld niet meer als een van het Zelf gescheiden werkelijkheid, maar gestuurd vanuit het Zelf en met het Zelf meestromend. Je voelt je almachtig, want je wilt alleen, wat met die stroom meegaat, en daarbij zullen bergen voor je wijken. Je voelt je alwetend, want je voelt in alle emanaties hoe in de tijdloze stroom verleden, heden en toekomst in jezelf samenvallen. Zo vraag je je niet af, wat je moet doen. Je doet het Goede vanzelf. Zo

verlang je ook niet om iets te begrijpen (moet “verklaren” zijn, want je begrijpt dan alles), want alles is vanzelfsprekend.

     En steeds speelt op de achtergrond een pijnloze onvrede over jezelf, en de overtuiging dat alle vroeger ondervonden ellende je eigen verantwoordelijkheid was. Je had namelijk het Zelf losgelaten en je geketende bewustzijn was zonder zijn leiding. Je bewustzijn had massa en traagheid gekregen en volgde dwalend niet-omkeerbare wegen, heen en weer geslingerd door Verlangen én Angst.

 


Over het loslaten van het Zelf:

Het loslaten van het Zelf betekent het niet meer zijn wat je bent, namelijk mens, niet meer en niet minder. Alleen kleine kinderen zijn zichzelf, maar mogen dat niet blijven, omdat ze van mensen die niet meer weten wat ze zijn, iets moeten worden. En als ze iets geworden zijn, denken ze dat ze zijn wat ze denken en doen. Ze identificeren zich met hun karakter, het complex van aangeleerde meningen en overtuigingen, dat hun laat doen wat ze doen en hen laat reageren zoals ze reageren. Ik ben nu eenmaal zo, zeggen ze dan. Ze hebben dan dus zichzelf, of hun Zelf, verloren of losgelaten, zoals Brouwer dat zegt, en hebben geleerd om naar anderen te luisteren, meerderen, deskundigen en andere beterweters en niet meer naar hun Zelf.

 

Over niet-omkeerbare wegen:

Als je begint is het einde zoek. Dan stop je het ene gat met het andere, stapelt leugen op leugen, het leven wordt steeds ingewikkelder, voor elk probleem zoek je oplossingen, die allemaal weer nieuwe problemen oproepen in een steeds uitdijendere spiraal, steeds verder van huis, steeds meer ellende, steeds meer bezittingen, steeds moeizamer wordt het om alles goed te praten, je geweten te sussen en steeds ontevredener wordt je. Die weg lijkt niet-omkeerbaar, want je hebt het gevoel dat je niet meer terug kunt en daarom ga je verder en je moet ook verder als je de illusie koestert dat je niet meer terug kunt. Vooruitgang heet die massapsychose en als een groep lemmingen gaat de hele mensheid zijn ondergang tegemoet en ze kwelen dat ze zo lekker bezig zijn en dat ze zo gelukkig zijn. Eén massaal massabedrog.

 

     Je ziet dan hoe angst en zuinigheid, die het resultaat zijn van het je overgeven aan de illusie van tijd en verlangen en zucht naar macht, die het resultaat zijn van het je overgeven aan de illusie van ruimte, je geleerd hebben, die eigenschappen als op zichzelf staande te zien. Nu besef je dat het maar irreële vluchtige uitingen van het Zelf waren, die met datgene waaruit ze voortgekomen waren, niets te maken hadden. En je zult zien hoe de dwaalwegen van verlangen en angst de dwaler tot ploeteren leiden. Tot de moeizame arbeid in het zweet zijns aanschijns, die steeds nieuwe onomkeerbare veranderingen en een steeds diepere ellende met zich meebrengt. Zo bezie je dan met een glimlach de werkelijkheid van de tragiek van deze maatschappij, je vroegere illusie, met daarin de illusie van je eigen Angst en Verlangen, arbeid en pijn. Maar daar wordt je geluk niet meer door vertroebeld. Want ook dát is een irreëel hersenspinsel. Het hersenspinsel van verdriet en herinnering.

 


Verduidelijking:

Als er een weg heen is, is er ook een weg terug of zoals Heraclitus dat zo treffend zei: “de weg naar boven is dezelfde weg als de weg naar beneden.” Maar omkeren wil zeggen dat je moet erkennen, al is het maar aan jezelf, dat je je vergist hebt. Dat je je door je eigen en de hersenspinsels van anderen hebt laten misleiden en dat is pijnlijk. Maar pas dan kun je het spoor terug volgen, de weg naar zelfkennis, totdat je uiteindelijk weer bij je Zelf, jezelf, uitkomt en tot het besef komt dat je mens bent en niets anders.

 

III

 

     En even onberoerd aanschouw je dan de door Angst en Verlangen gevallen en dwalende mensheid. Gevallen en dwalend door zuinigheid en zucht naar macht, door tijd en ruimte en zonder vleugels, om zich daarmee naar Zelfinzicht te verheffen. Onwrikbaar vastgeketend aan het kind van Tijd en Ruimte, het verstand, dat bij de mensheid in het hoofd versteend is. Dat is het symbool van de val van de mensheid. Wilde stammen zien koppensnellen als een reinigingsproces en ervaren het als het summum van genot, wanneer ze dat bij de meest ontwikkelde volkeren in praktijk brengen. Daar schuilt een diep wijsgerig inzicht in. Namelijk, dat in de levende natuur een grotere differentiëring met een zwaardere verdoemenis (hoe beschaafder, hoe groter de ellende) gepaard gaat. Dat inzicht zit bij hen niet in het hoofd, maar in het hart.

 


Over tijd en ruimte:

Verleden en toekomst bestaan slechts in de hoofden van de dwalende mensen, in alle geschriften waarin ze hun breinbrouwsels hebben neergeschreven en in alle creaties van hun godvergeten mensenhand waarmee ze de aarde bevuild hebben. Ze koesteren dat verleden, met veel arbeid onderhouden en restaureren hun scheppingen en in musea etaleren ze trots en schaamteloos de hoogmoedige en onzinnige excreties van hun voorouders. Ze verheerlijken de geschiedenis en prestaties van de winnaars, hun veldslagen en oorlogen, hun manipulaties, listen, gekonkel, leugens en bedrog. En vanuit het verleden extrapoleren ze de toekomst, blind voor de geschiedenis en dat noemen ze vooruitgang. Er bestaat geen verleden en geen toekomst, want er is alleen maar een eeuwig nu. Tijd bestaat ook slechts in de hoofden van de dwalenden en ook daar is het niet meer dan een afgrenzing van de eeuwigheid.

Ruimte is net zozeer een afgrenzing van de oneindigheid. Afstanden, maten en grenzen zijn slechts afspraken om het spel van macht van de ene mens over de andere te kunnen spelen. In de beperkte ruimte, die zelf gecreëerde gevangenis, sluiten mensen zichzelf en anderen op.

 

Het hooggeachte verstand stelt de mens dus in staat en dwingt hem tegelijkertijd, om in Verlangen en Angst verder te leven, in plaats van dat het hem tot middel dient om voor zijn eigen bestwil, zijn toevlucht in Zelfinzicht te zoeken. Het dient tot middel om de verbijsterende tegenstrijdigheid van de dwalende denkbeelden op te heffen door ze, in plaats van afzonderlijk met het Zelf, met elkaar in verband te brengen. Zo blijft de mens zich vastklampen aan de schijnzekerheid van een eigen hoogmoedig gecreëerde en aan causaliteit gebonden, “werkelijkheid”, waarin hij zich uiteindelijk  volkomen machteloos zal voelen.

    


Over causaliteit:

Zoals David Hume zei: "causaliteit is een waarneming van de waarnemer en niet een gegeven van de externe werkelijkheid". Je kunt alleen van oorzaak en gevolg spreken in een gereduceerde werkelijkheid, want als alles met alles samenhangt in een gesloten netwerk, is elke beweging een beweging van het geheel en wat de waarnemer dan als oorzaak en gevolg interpreteert is een detailopname, waarbij hij het geheel niet overziet. Het causaliteitsdenken is een absurditeit, want aan elke oorzaak gaat een andere oorzaak vooraf, tot je de magische grens bereikt waarover in de Katha Upanishad staat: “Ga terugwaarts van gevolg naar oorzaak, totdat ge gedwongen wordt te zeggen: Hij is. Wanneer ge op die wijze gedwongen wordt dan daagt de Waarheid.” Het causaliteitsdenken verliest zich altijd in cirkelredeneringen, tenzij het uitwijkt naar hypothesen, waardoor de conclusies altijd geloofsartikelen worden.

 

Dat verstand doet in het Leven van Verlangen van de mensen satanisch dienst door tussen de twee hersenspinsels, doel en middel, een verband te leggen. Het intellect reikt de mensen, gefixeerd op het verlangen naar het ene ding, het streven naar een ander ding als middel daartoe aan. Bijvoorbeeld het maken van een dam om de bedding van een rivier te verleggen. Het huis in brand steken om op een ander zijn jaloezie bot te vieren. Om veilig voor roofdieren te zijn, zijn huis op palen bouwen. Om de zon op zijn huis te laten schijnen bomen om te hakken. Met die omkering in het waarnemen van doel en middel gaat een verandering van het lichaamsgevoel gepaard. Men kan dan ook een verandering in de bloedverdeling waarnemen, die van het hoofd uitgaat. Ook hierin zie je hoezeer hoofd en verstand met elkaar verbonden zijn.

     De daad, die het middel zoekt, mist nu echter altijd enigszins doel. Het middel heeft een richting, die een hoek, zij het een kleine, maakt met de richting die naar het doel wijst. Het werkt dus, behalve in de richting van het doel ook nog op andere vlakken, een werking die, als men die niet in de gaten zou houden, misschien zeer schadelijk zou kunnen zijn. Maar het gaat nog verder. Langzamerhand verliest de aandacht het doel geheel uit het oog en ziet alleen nog het middel. En in deze trieste wereld, waar uit Angst en Verlangen tegelijkertijd met het verstand, Dressuur en Imitatie zijn voortgesproten en waarin niemand het hele mensengedoe meer overziet, zien velen een doel in wat oorspronkelijk een middel was. Zij jagen dus een, laten we zeggen, doel van de tweede orde na, waarbij misschien wéér een middel ontdekt wordt. En dat maakt opnieuw een kleine hoek met het bijbehorende doel. Wordt op die manier die verleidelijke sprong van doel naar middel enige malen herhaald, dan kan het gemakkelijk gebeuren, dat uiteindelijk een richting wordt ingeslagen, die behalve haar afwijking op andere vlakken, ook nog eens met de aanvankelijke richting een stompe hoek maakt en haar dus tegenwerkt. De industrie leverde oorspronkelijk haar producten met het doel om daarmee in de natuur een milieu met zo gunstig mogelijke voorwaarden voor het menselijk leven te scheppen. Daarbij verloor men uit het oog, dat die producten zelf uit natuurlijke producten vervaardigd werden, waarbij men de natuur verstoorde. Zo werd het evenwicht van de menselijke levensvoorwaarden verbroken, wat meer nadeel opleverde, dan de industrieproducten ooit aan voordeel zouden kunnen opleveren. Al het benodigde houtmateriaal heeft bijvoorbeeld zoveel bos doen verdwijnen of verknoeid, dat in gematigde gewesten bijna geen voedselgewassen voor de mens meer vanzelf groeien. En verder ging men het produceren van de industriële producten als doel op zich zien. Bij het nastreven daarvan, werden nieuwe industrieën in het leven geroepen om werktuigen te leven om de oude productie te vereenvoudigen. Dat gaf opnieuw een knauw in het oude evenwicht. Kortzichtig ging men in verre landen grondstoffen halen, wat handel en scheepvaart in het leven riep, met alle lichamelijke en morele verschrikkingen en onderdrukking van de volkeren onderling van dien.

Omdat men wanhopig het Zelf, dat alles van verleden en toekomst weet, had verlaten ontstond daarbij ook nog onzekerheid omtrent de toekomst. Onzekerheid omtrent de toekomst en de wens om vooruit te kunnen zien. Die onzekerheid riep de wetenschap, die oorspronkelijk in dienst van de industrie stond, in het leven. De wetenschap, die in en over de buitenwereld generaliserende stellingen poneert, die Deo volente, zullen uitkomen. Maar als die dan onjuist blijken roepen de mensen: “O ja, we hadden die en die stilzwijgende vooronderstelling gemaakt,” Uit machteloosheid gaan ze de stelling vervolgens ingewikkeld maken en zogenaamd verbeteren. Maar het blijft niet bij een wetenschap in dienst van de industrie. Het middel wordt weer doel op zichzelf. Men gaat wetenschap bedrijven om de wetenschap. Inmiddels is het lichamelijke bewustzijn zover afgedwaald, dat het uitsluitend in het hoofd is geconcentreerd en dat de rest van het lichaam volledig genegeerd wordt. Tegelijkertijd raakt de mens overtuigd van het bestaan van zichzelf als zelfstandig individu en van een daarvan gescheiden en onafhanke-lijke buitenwereld. Nu treden pas echt in alle hevigheid veranderingen in de aandacht op, die hier het wetenschappelijk denken vormen. Want een richting van de wil, die tot het hoofd beperkt is, is een wetenschappelijke overtuiging. Een wetenschappelijke waarheid is niet meer dan een zekere verdwazing van het, hier uitsluitend in het hoofd levend, verlangen.

 


Verduidelijking:

“Hemel, laat dat zo zijn; laat dit mens, zat van overdaad en wellust; Die trapt op Uw gebod en niet wil zien; Daar hij niet voelt, nu dadelijk Uw macht voelen” (Shakespeare: "King Lear"). Gevangen en verstrikt in het causaliteitsdenken, verkeren mensen in de waan dat alles wat ze voelen, alle pijn, onrust en spanning, een oorzaak heeft, die buiten henzelf ligt en weten niet meer dat dat alles een betekenis heeft. In hun hoofden construeren ze, met behulp van allerlei theorieën en overtuigingen, wetenschappelijke verklaringen voor hun symptomen, die vervolgens bestreden moeten worden.

Wanneer de mens zich buiten de en zijn natuur geplaatst heeft, heeft hij het alomvattende verband verlaten en voelt zich alleen staan tegenover een vijandige en onbegrepen buitenwereld. Dan ervaart hij zich niet meer verbonden met zijn medemensen, maar staat tegenover hen. Verloren en eenzaam construeert hij vervolgens een wereldbeeld, samengesteld uit theorieën en overtuigingen, waaraan hij zich wanhopig vastklampt. Daarmee zoekt hij oplossingen voor alle problemen die hij in zijn moeizame en kunstmatige manier van leven tegenkomt en zo ontstaat de wetenschap en de religie.

 

 Het onbehagen van elke wetenschap wordt dan ook steeds groter. Klimt ze te hoog, dan wordt ze door een nóg grotere inperking aan het oog onttrokken, doordat de basis van die wetenschap als iets zelfstandigs buiten de wetenschap zelf gezien wordt. Men gaat op zoek naar de ,,grondslagen” van die wetenschap, wat al gauw een nieuwe wetenschap wordt. Men gaat op zoek naar de gemeenschappelijke grondslagen van de wetenschap en beoefent “kennistheorie”. Maar het onbehagen groeit steeds verder, totdat alle koppen in de war raken. Sommigen houden er tenslotte gewoon mee op. Hebben ze b.v. lang nagedacht over het ongrijpbare verband tussen het waarnemend bewustzijn, dat zich tegelijkertijd met het buiten de wereld leven ontwikkelt, en die buitenwereld zelf, die zelf weer alleen bestaat door en in vormen van het waarnemend bewustzijn — een probleem dat uit de vergissing van het funderen van een eigen wereldbeeld voortgesproten is — dan stoppen ze het, eveneens en tegelijkertijd met dat wereldbeeld zelfgecreëerde Ik, in het gat en zeggen: Ja, er moet natuurlijk wel iets onbegrijpe-lijks overblijven, want ik ben het zelf, die het moet begrijpen. — Maar er zijn er ook, die van geen ophouden weten en die tot in het absurde doorgaan. Ze worden kaalhoofdig, bijziend, corpulent en hun maag werkt niet meer. En steunend van de astma en maagkwalen, verkeren ze in de

illusie dat het evenwicht op deze manier bereikbaar is en dat ze er bijna zijn.

     Dit over de wetenschap. De laatste bloem en de verstarring van de cultuur.

 

Verduidelijking:
Alle attributen die wij aan de werkelijkheid toekennen met behulp van de taal, alle benamingen, alle begrippen, alle kwaliteiten, zeggen niets over de werkelijkheid, maar alleen wat over de waarnemer. “Wat je zegt ben jezelf,” luidt de volkswijsheid. Alle kwaliteiten die mensen aan de natuur, aan God, en aan zichzelf toekennen, hun hele begrippenarsenaal, zijn slechts een gevolg van de menselijke tweespalt, van het leven in twee werelden, die van het gezond verstand en die van het door kennis vertroebelde verstand, de wereld van het zelf en de wereld van het ego. “Wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart”, staat in het wonderschone boek Prediker. Het is als iemand die door een microscoop naar de werkelijkheid kijkt en zich niet realiseert wat de microscoop met het oorspronkelijke beeld doet en wat hij ziet voor de werkelijkheid houdt. Op dezelfde manier kijken mensen door de gekleurde bril van hun vooroordelen naar de werkelijkheid en zien niet wat ze zien.

 

     De door de menselijke cultuur voortgebrachte levensomstandigheden halen het niet bij de haar oorspronkelijk gegevene. Erger nog. Niemand had baat bij wat er bereikt werd. Ieder individu bleef zijn leven voortslepen in het leefklimaat van een van de hulpindustrieën. Wat een milieu vergeleken bij maagdelijke natuur die de naakte en onbedorven mens oorspronkelijk geboden werd! De weinige met het vermogen om, van datgene wat bereikt werd, in vrijheid te genieten, wisten daar door hun verdorven instincten geen raad mee!

De volken slepen elkaar mee in de ellende van de cultuur, omdat de cultuur het van de natuur wint. Het is toch bekend, dat kleinzieligheid en laffe berekening altijd over heldenmoed zegevieren. Heldendom is immers niets anders, dan onverzettelijk een halt toeroepen aan de eeuwige spreuk: “Het doel heiligt de middelen!” Een halt toeroepen aan het eindeloze werk van het intellect en aan het eindeloze door elkaar halen van doel en middel. Maar aan de andere kant is ook de, aan het oorspronkelijke doel, tegenwerkende kracht van de intellectuele verwikkeling zo groot, dat wie uit een toestand van volledige naïviteit opeens met volledige inzet een of ander handwerk of wetenschap ter hand neemt met een wat dat betreft onbedorven lichaam of onbedorven verstand, steeds de meerdere is van wie daarin een lange ,,Bildung” achter de rug heeft. De Boeren en Japanners, die zich uit het niets op de moderne oorlog storten, presteren meer dan de Engelsen en Russen. En dominee Felke geneest met gezond verstand en zelfvertrouwen meer zieken dan medische professoren.

     Door alle bomen zien de cultuurmensen het bos niet meer. Sterker nog, ze weten niet eens meer, dat er een bos is. Wie zich afvraagt, waarvoor hij eigenlijk leeft, wordt in het dagelijkse leven, waarin eigenlijk juist alleen die vraag zinnig is, voor gek versleten. In het gekerkerde leven van Verlangens en Angsten van deze maatschappij is voor die vraag— naast de massapsychose van een systeem dat een aantal dingen, van wijn en rijkdom tot liefde en wijsheid toe, op zichzelf begerenswaard heeft bepaald en een aantal dingen, van tocht, kou, honger en armoede tot moord en overspel toe, op zichzelf angstwekkend bepaald heeft, — geen plaats.

 


Verduidelijking:

In elke cultuur leren kinderen wat hoort, wat mooi, lekker en wenselijk geacht wordt, wat onbehoorlijk, gevaarlijk, ongezond en onwenselijk geacht wordt. Dat is de massapsychose die het leven kerkert, beperkt en er grenzen aan geeft. Dat zijn de maatschappelijke regels, wetten en normen, waarbinnen mensen hun leven in gevangenschap slijten. Dat noemen ze dan vrijheid in gebondenheid.

 

Het is een systeem, dat men met moeite maar tevergeefs in stand probeert te houden. Het wemelt van allerlei behoeften die voor eigen bevrediging elk voor zich tot moeizame arbeid noden, wat weer het onbevredigd blijven van andere behoeften betekent. Zo blijft uiteindelijk elke bevrediging illusoir. Ieders aardse leven eindigt met een grote onvoldaanheid en de ineenstorting van het systeem. Met de dood stort alles in. De dood loochent hun hele leven. Hij is de gewelddadige manifestatie van het Zelf in deze afgegrensde en zelfgecreëerde maatschappij. De dood betekent de onvermijdelijke instorting van de hoogmoedig gebouwde toren van Babel.

 


Verduidelijking:

Op het moment van zijn sterven moet de mens alles, wat hij zich letterlijk en figuurlijk “eigen” heeft gemaakt, loslaten. Zijn bezittingen, zijn ingebeelde banden met andere mensen, zijn vooroordelen, meningen en overtuigingen, kortom zijn hele zelfgeconstrueerde wereldbeeld, waardoor hij zijn leven heeft laten leiden. Dan komt hij tot de wrange conclusie dat zijn leven één grote vergissing is geweest, dat hij nooit geweest is wat hij had kunnen zijn en nooit geleefd heeft zoals hij had kunnen leven. Het is dus wijs om dat loslaten nu al te doen.

 

     Het Zelf manifesteert zich echter in dit bekrompen leven ook al vóór de dood, binnen de vorm van het geheel van verlangens en in het, door het verstand als drager van de dwaasheden en verzelfstandigde verlangens en angsten van de mens, geconstrueerde wereldbeeld. Dáár laat het Zelf van zich horen in het spreken van het Geweten, de weemoed over het verloren Paradijs en in het vage bewustzijn van het stille levensgeluk, dat de mensen oorspronkelijk was toebedeeld. En in de hang naar zaligheid, naar religieuze zekerheid en naar het vrije leven in overgave die, aangepast aan deze tragische wereld, honger naar het hogere, verheffende en transcendente wordt.

     Maar het Geweten, dat in deze ingeperkte wereld spreekt, wordt gesust. Binnen de afgesloten categorieën dringt het wel door, maar binnen die categorieën wordt de aandacht er van afgeleid — door sterke prikkeling en door overdadige bevrediging van andere behoeften — of het wordt dóór die aandacht geassimileerd — dat wil zeggen dat het als een behoefte binnen het gesloten systeem wordt gezien, die binnen dat systeem bevredigd moet worden.

     Beide manieren van het sussen van het geweten, die eigenlijk aanleiding tot boetedoening en inkeer zou moeten zijn, worden door de industrie ingelijfd en verkracht tot een stimulans voor nieuwe doelstellingen en nieuw genot.

     De hele genotmiddelenindustrie en het publieke vermaak, van kaartspel en wijn tot de meeste Fraaie Letteren toe, bestaat uit het sussen van het geweten door het afleiden van de aandacht.
Ook de kunst- en poëzie-industrie enerzijds, en de godsdienst-industrie anderzijds, ontlenen hun bestaan aan het sussen van het geweten door aanvaarding en schijnbevrediging van de verlangens binnen het gesloten systeem. Daarin leeft het Zelf, maar wordt door zijn eigen kinderen verloochend en in de boeien geslagen. De muziek is verworden tot een grof-zinnelijk gevoel voor maat en deun. Het hopsasa en de taal, waartoe de poëzie veroordeeld is, is niet minder verwerpelijk. Datgene, wat van alle verlangen, genot en angst af zou moeten leiden, dient slechts als een nieuw genot en brengt mensen niet van hun verlangens af. Zoals ook de mooie bloemen in de natuur en die andere mooie bloemen, de vrouwen, niet als mooi worden gezien, maar met het verlangen om ze te plukken en te bezitten. Zoals maagdelijke wouden slechts met verrukking worden aangestaard, om ze in cultuur te brengen.

 


Commentaar:

Brouwer is hier niet consequent, want de muziek en de poëzie zijn niet verworden, maar het creëren van muziek en poëzie zijn zelf tekenen van verwording, middelen om het geweten te sussen, om het leven in gevangenschap op te leuken. Muziek en poëzie zijn van middel tot doel geworden.


     In de toren van Babel veroordeelt de Bijbel alle bouwen en menselijk scheppen, maar de religie prijst als haar fraaiste tempels die bouwsels, die het menselijk scheppen en eerzucht het zuiverst uitkristalliseren. Terwijl ze alle angst zou moeten uitbannen, bood de religie, juist inspelend op die angst, een enerzijds geruststellend en anderzijds bangmakend geloof, dat rationeel in stand moet worden gehouden. De kunst, die van de vaste vormen zou moeten bevrijden, wordt overal in vaste vormen vastgelegd. En terwijl ze eigenlijk zou moeten dienen om alles af te leren, zijn er scholen voor: men kan kunst leren.

     Kunst en religie zijn in deze maatschappij slechts een morfine-industrie op grote schaal. De hang naar een beter leven wordt ermee gesust en verdoofd. Alleen iemand, die een radertje in het mechaniek van de maatschappij is en daarmee het heilloze massawerk helpt continueren, wordt met rust gelaten. Kunst en religie sussen hem in slaap en verdoven hem door hem in boeken en op het toneel hervormers, revolutionairen, kluizenaars, diepe minachting voor wet en gezag en zelfverloochening, vrijwillige armoede en honger, een vrij leven, een loochenen van de buitenwereld, onverschilligheid voor tegenspoed en het Koninkrijk Gods voor te spiegelen. Daar zal hij met diep ontzag die mensen en evangeliën vereren. Maar als hij zo iemand in levende lijve tegen zou komen, zou hij hem, verontwaardigd en bang, in de gevangenis of het krankzinnigengesticht op laten sluiten. Een moeilijk leven vol gevaren en magische krachten, waarin je ieder ogenblik de dood in de ogen kunt zien, maar waarin ten slotte de Rechtvaardigheid en het Zuivere Geweten zegeviert, kortom een leven, zoals wij het uit schuldgevoel zouden moeten leiden, maar dat we angstig ontvlucht zijn, is verbannen naar roman en melodrama. Dáár wordt het graag bewonderd, maar in het dagelijks leven gruwt men van zoiets. Het werkelijke leven eist aankleding, voor lichamen, gesprekken en omgang. Het hoort niet méér van zich te laten zien, dan wat bij het bekrompen leven hoort: het Hoofd, het Intellect en de in de maatschappij verrichte daden. Het hoort ook niet méér van elkaar te willen zien. Door derden verraste intimiteit wekt schaamte op.

     Maar Zelfinzicht ziet al die geklede lichamen, levens en opvattingen als lelijk, afschuwelijk, als innerlijk tegenstrijdig en als karikaturen. De Heiland uitgezonderd, kan iedereen als een karikatuur beschouwd worden.

 


Commentaar:

Brouwer ziet niet, net als overigens alle denkers en filosofen vóór hem, dat het geconstrueerde archetype van “De Heiland”, de ware mens, in alle kleine kinderen gevonden kan worden. Voor alle kleine kinderen, zonder wereldbeeld, zonder verleden en toekomst, gedachtenloos en onbevangen, zijn volwassenen inderdaad karikaturen.

 

     Naaktheid, in de ruimste zin des woords, wordt slechts in het afgesloten intellect bewonderd. Men gaat niet daadwerkelijk over tot de lange moeizame tocht vol pijn in ziel en stoffelijke leven, vol smart en ziekte, van het opgeven van het intellect en dan een voor een van alle hartstochten, waarbij elke stap nieuw verdriet en noodzakelijkerwijs een nieuwe stap teweegbrengt. Waarbij men zich pas langzaam voelt herrijzen tot die uiteindelijk doorbrekende met littekens overdekte naaktheid. Er is geen rustpauze op die weg. Wie eenmaal begonnen is en dán blijft staan, heeft het nog moeilijker, dan wie rustig blijft zitten waar hij zit.

 


Verduidelijking:

Weer mens worden, weer worden als de kleine kinderen, je ontdoen van alle aangeleerde ballast, is in elke cultuur een moeizame weg, omdat het een taboe is om de spelregels van het bizarre spel wat de mensen spelen ter discussie te stellen. De vragen “waartoe” en “waarom” zijn verboden en niet meedoen wordt genadeloos afgestraft. Kritiekloze aanpassing aan de kudde is het hoogste goed, accepteren dat er toch geen uitweg is en dat je er dan maar het beste van moet maken. Maar wie eenmaal gaat twijfelen, wie zich af durft te vragen waar we met z’n allen mee bezig zijn, die zelf durft te kijken en onder ogen durft te zien dat het misschien allemaal anders is, verlaat de kudde en kan niet meer terug.

 

Zo is een vegetariër, die in zijn oude omgeving blijft hangen, een onmogelijkheid. Zo’n situatie volhouden, toont een meer dan gemiddeld onbeschoft gedrag en laat zien dat het vleeseten niet uit een innerlijke drang, maar uit een bespottelijke wens of een bespottelijke na-aperij wordt nagelaten. De vruchten van onze beschaving en macht over andere mensenrassen staan in nauw verband met ons vleesgebruik. Zo’n vegetariër is dus een parasiet. Die parasiterende halfslachtigheid gaat voor de meeste mensen, die vegetarisme, Vrije Liefde en anarchisme in praktijk brengen, op. De sociaal-democratie is, vergeleken met al die kleine evangelietjes, van die weerzin-wekkendheid vrij.

     De immorele en ontaarde levens worden in de lelijkheid en ziekelijkheid van de lichamen weerspiegeld. Al die geklede en gekunstelde mensen, die starre maskers van automaten, laten het onbedorven instinct schrikken. En ook hier wordt de hang naar beter gesust. De medische industrie tracht voor de verbannen lichamen een quasi-normale toestand te handhaven. De honger naar vechten (onjuist, want honger naar vechten is een cultureel artefact) en leven in de vrije natuur wordt door dieetvoorschriften en medicijnen afgeleid en de hang naar buitenlucht wordt met name door overvoeding afgeleid. Gymnastiek en sport sussen het lichamelijke geweten door schijnbevrediging. En in badplaatsen en sanatoria heeft de vis medicatrix naturae, die de meedogenloze doodsvijandin van de cultuur zou moeten zijn, in dienst van haar overweldigster, nederig het lakeienkleed aangetrokken.

De medische industrie was bij barbiers en kwakzalvers in juiste handen. Bedreven als medische wetenschap in het afgesloten intellect, treft ze veel minder doel.

 


Verduidelijking:

De tol die de mensen voor hun onnatuurlijke leven betalen is gruwelijk. In een gekunstelde wereld leiden ze een gekunsteld bestaan en voor de symptomen die dat oplevert is een immense gezondheidsindustrie in het leven geroepen, die ervoor zorgt dat het gekunstelde bestaan gecontinueerd kan worden, door de symptomen weg te snijden, weg te stralen en met chemicaliën te onderdrukken. De geneeskunde is de lakei van de cultuur.

 

     Ook binnen het gesloten systeem van de wetenschap schept de manifestatie van het Zelf behoeften, die binnen datzelfde systeem bevredigd worden. Ook in de wetenschap bestaat honger naar iets hogers, maar die wordt gestild met openbaringsgeloofsartikelen, metafysica, moraal- en kunstfilosofie, spiritisme en theosofie, die allemaal de mens aan de misstappen van de wetenschap overgeven, aan het geloof in werkelijkheid en logisch denken. Ook hier bestaat in plaats van een reddende vlucht uit aardse ketenen, slechts stolling tot ongevoeligheid in een schijnevenwicht, ten koste van een steeds verdere complicatie van de behoeften, steeds slechtere levensomstandigheden, steeds zwaarder werk en een steeds verder afdwalen.

     Een enkele maal breekt het Geweten in deze maatschappij door, verlost van de banden met die tragische wereld. Zo manifesteert zich bij velen rond de achttien jaar een zuiver centrale en niet zomaar artistieke bewondering voor Dromers, Monniken en Kluizenaars en enkele van hen kunnen niet anders, dan zich min of meer weigeren te buigen voor wat de bezadigden het Leven noemen. Zij kunnen niet anders dan een hartgrondige, dat is een in het hart en niet in het hoofd gegronde, spot voelen voor alle vruchten van de cultuur, voor alle medearbeiders in de maatschappelijke chaos, voor alle medebouwers aan de toren van Babel, voor alle talentvolle koorddansers en goochelaars, die trots zijn op iets, waarvoor ze zouden moeten vluchten en zich zouden moeten schamen, en voor maatschappijverbeteraars van alle gezindten, die doen alsof God ons in het Leven geplaatst zou hebben om Zijn werk te verbeteren.

     Maar dat vrije Geweten blijft niet in leven. De dressuur, die het inspint, ligt op de loer. Eerst beseffen ze dat er geen werk te verrichten is en dat er niets moois en niets belangrijks is. Vervolgens gaan ze zoeken naar wat nog mooier en nog belangrijker is, dan wat de mensen vragen. En uiteindelijk buigen ze het hoofd nog verder en worden een eerzaam lid van de samenleving, lakei in het grote paleis van verdorvenheid. Ze worden Lakeien met al hun lafheid voor de meester en al hun wreedheid voor de vreemdeling, met verachtelijk en vernederend werk, parasiteren tegelijkertijd stuitend onrechtvaardig en zijn bang voor het eigen vege lijf.

Naar hoofdstuk  IV - VI Pijltje



Pijltje Voorpagina website



Download deze pagina
Pijl
  
 
 
Printer Print deze pagina