|
L. E. J. Brouwer 1881-1966
DE
AMSTERDAMMER, WEEKBLAD VOOR NEDERLAND
EEN
MACHTIG
BROUWSEL I Het is ongelofelijk! meer dan tien jaren ligt dat stuk proza openlijk ter lezing. Enige honderden hebben het de schrijver horen voordragen, en vermoedelijk hebben nog enige honderden het gelezen. En niemand kent het, niemand praat erover, het ligt daar maar stil, in zijn lieve witte omslag, met zijn dreigende, verschrikkelijke zwarte woorden – en rondom lacht en zwatelt en zwendelt de bende, en filosofeert en danst en schiet elkaar dood – terwijl de sombere Brouwer van dat hels-hemelse brouwsel vrij rondloopt, nu eens in een net colbertje, dan weer in een deftige toga, en door iedereen wordt beschouwd als een in onze samenleving passend, min of meer interessant en niet alleen onschadelijk, maar zelfs zeer achtenswaardig en nuttig individu. Ongelofelijk is het. Een verbijsterend bewijs van de wezenloze vaagheid, de suffe sleur, de ontoerekenbaarheid van de menigte. De mensen-wereld schijnt mij een grote kinderpartij, waar de lieve kleintjes dansen en krakelen in hun beste pakjes – en in het midden van de pret ligt een groot ding, niemand let er op, het lijkt wel dood – wat is het? Een kussen? Een crapaud? Kom er eens dicht bij en bekijk het eens goed. Een sidderend lichte beweging, een paar strakke ogen, een snel uitgeschoten tongetje – het ding leeft hoor! Een grote boa. Pas op, kindertjes.
Verbaasd vragen de lezers waar ik het over heb. Ze hebben nooit zo iets gevaarlijks opgemerkt, en geloven ook niet dat een stuk proza zoveel kwaad kan. Ik heb het over een boekje, getiteld Leven, Kunst en Mystiek – voordracht in Delft gehouden voor het gezelschap Vrije Studie in 1905, door de toenmalige student L.E.J. Brouwer, thans professor in de mathésis aan de Amsterdamsche Universiteit en lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen. Begrijpt mij nu wel, kindertjes! Ik zelf vind die boa niet zulk een lelijk beest. Ik vind hem prachtig en machtig – hoewel ik een en ander op hem aan te merken heb – en hem beter op zijn plaats vind in de wildernis dan op ons kinderbal. Maar gij! – kindertjes! – gij behoort hem te vrezen, te verafschuwen, te verfoeien – gij behoort onmiddellijk op de vlucht te slaan en de politie te waarschuwen, en de brandweer op te schellen en een aantal ervaren oppassers van Artis te laten komen, met touwen en strikken en wat verder nodig is om zulk een ongure gast te breidelen en veilig achter de dikke glasruiten van het reptielen-huis te bergen, waar hij straffeloos kan worden aangegaapt, met griezeling bewonderd en in zijn geheimzinnig ijzingwekkend leven bestudeerd. Deze honderd bladzijden Hollandsch proza zijn wel de machtigste, maar ook de verschrikkelijkste, naar mijn mening, die in deze eeuw zijn gepubliceerd. Ze zijn schoon en diep en vol waarheid. Maar ze zijn fel revolutionair, volstrekt-vijandig aan onze gehele maatschappij. Ze gaan regelrecht in tegen de orde, het geloof en het recht van de mensen. Daarin komen ze overeen met vele profeten-woorden – en het zou bijna een belachelijke inconsequentie, een onvergefelijke onbenulligheid zijn, als de mensheid, die Socrates vergiftigde, de profeten stenigde, Jezus kruiste en Bruno verbrandde, deze geweldige onheilbrouwer liet rondlopen zonder hem op te knopen of ten minste achter prikkeldraad te interneren. En zie! – de man is professor aan de Amsterdamsche Universiteit en lid van de Koninklijke Academie. En dat is hij alles geworden na de publicatie van dat stoute stuk. Is hij er soms van teruggekomen? Heeft hij zijn woorden ingetrokken? Ik heb er niets van vernomen. Ik meen zeker te weten van niet. Maar lieve hemel, wat voor soezebollen zitten er dan toch in de academische- en regerings-lichamen! kunnen die mensen alleen cijferen en administreren – en helemaal geen Hollandsch lezen? Ze moeten toch, vóór zijn benoeming kennis genomen hebben van al zijn geschriften, ook van dit geschrift. Nu zijn Excellenties en Hooggeleerden, als het algemeen menselijke wijsheid geldt, soms merkwaardig incompetent. Vooral in onze dagen is dat op pijnlijke wijze aan het licht gekomen. Men moet aannemen dat ze eigenlijk, in wijsgerige zaken, geen ernst van onzin kunnen onderscheiden. Ze hebben over die honderd bladzijden heen gelezen en gedacht: “nu ja! dat is maar zo wat fantastisch gezwets van een onbesuisde jongeling. Dat telt niet mee. Daar meent hij natuurlijk niets van. Wij hebben alleen met zijn mathematisch vernuft te maken. Dat is geniaal en solide. Ergo, wij negeren die buitensporigheden, die hij zelf wel gauw vergeten zal, en wij nemen hem op in onze officiële, academische Hemel, waar hij tronen mag tussen de gelauwerden en geridderden, en zich zonder twijfel spoedig even bezadigd, even correct-weten-schappelijk en fatsoenlijk gedragen zal als wij allen.” Deze houding is echter min of meer ridicuul. Ze schijnt te getuigen van een hoge wetenschappelijke neutraliteit. Maar in waarheid bewijst ze onwetendheid in de hoogste geestes-functies van de mens, en onbekwaamheid in het lezen en verstaan van onze taal. Want het meest opvallende in die honderd bladzijden proza is het met nadruk verwerpen van het menselijk intellect als hoogste geestelijke functie. Daardoor stelt de schrijver die kleine brochure zelf nadrukkelijk boven zijn mathematisch-wetenschappelijke prestaties, en de Excellenties en Hooggeleerden hadden zich behoren af te vragen, of het pas gaf, en overeenkwam met de waardigheid van de Staat, en van de officiële wetenschap, zulk een aartsketter in hun midden op te nemen. Misschien denken sommigen mijner lezers aan de benoeming van professor Bolland, als een soortgelijk geval. Maar dat heeft er niets van. Bolland is wat zonderling, wat eigengereid, wat ruw in zijn optreden, wat bazig in zijn houding, maar Bolland is geen ketter. Hij gelooft in de zuivere Rede, in het intellect, in de wetenschap – al acht hij zijn wetenschap de vorstin aller wetenschappen. Maar Brouwer is een echte ketter, en staat ketters tegenover het hele geestesleven van de mensheid waarin hij verkeert. Hij spreekt van “zonden van de Wetenschap” – van “het geloof aan een werkelijkheid” en van “het logische denken” als van dwalingen, aardse banden waaruit wij verlost moeten worden. Hij spreekt van het verstand als een geschenk des Duivels, waarvan men zich ontdoen moet. Bij zulke ketterijen vergeleken, is de leer van Bolland onschadelijk conventioneel gebabbel. Nu komt het wel voor, dat begaafde jonge mensen, door onvoldoende studie, door gebrek aan een kritische omgeving, door dilettantisme dus, aan het dóórslaan gaan, en pennevruchten publiceren, waarvoor ze zich later schamen. Er zijn ook permanente warhoofden, die er van alles uitflappen, luk raak, soms schijnbaar zeer diep, soms bespottelijk en er hun leven lang niet aan toekomen om zich daarover te schamen. Maar de drieëntwintigjarige student, die de honderd bladzijden proza schreef, was geen warhoofd, Warhoofden kunnen nog wel eens bij vergissing of door protectie professor worden – maar leden van de Academie worden ze niet. En evenmin was de student Brouwer een dilettant, van het slag Piet Pijl. Hij weet drommels goed wat hij zegt, elk woord is zwaar van innerlijk wel-beproefde overtuiging. En hij weet niet minder secuur wat er over de onderwerpen die hij bespreekt reeds in de wereld is gezegd. Het is dus in elk opzicht gewenst en de moeite waard zijn geschrift met de grootste zorg en aandacht te bestuderen en te bespreken. Ik
hoop
dat de lezer mij hierin geduldig zal willen volgen. FREDERIK VAN EEDEN
LEVEN, KUNST EN MYSTIEK door L.E.J. BROUWER
DELFT – J. WALTMAN Jr. - 1905
I
Nederland ontstond en werd in stand gehouden door het aanslibsel van de rivieren. Er vormde zich een evenwicht van duinen, delta, getijden en afwatering. Een evenwicht waar tijdelijke overstromingen van gedeelten van de delta deel van uitmaakten. En in dat land kon een krachtig mensengeslacht leven en gedijen. Maar de mensen waren niet tevreden. Men bouwde langs de rivieren dijken om de overstromingen te regelen of te voorkomen, verlegde naar willekeur ter verbetering van afwatering of scheepvaartverbinding beddingen en hakte intussen de bossen om. Geen wonder dat hiermee het subtiele evenwicht van Nederland werd verstoord. De Zuiderzee werd verknoeid en de duinen werden langzaam maar onverbiddelijk weggeslagen. Geen wonder ook dat er tegenwoordig steeds zwaarder werk nodig is, om het land voor de algehele ondergang te behoeden. En is het niet merkwaardig te zien, hoe die zelf op de hals gehaalde arbeid niet alleen als onvermijdelijk wordt gezien, maar dat er zelfs een verheven karakter aan wordt gegeven van een in naam van God of het onontkoombare Lot opgelegde taak? De mensen leefden oorspronkelijk in afzondering. Ieder voor zich trachtte in de voortbrengende natuur, omringd door verderfelijke verleidingen, zijn evenwicht te bewaren. Dát vulde hun leven. Mensen bemoeiden zich niet met elkaar. Er was geen zorg om de dag van morgen. Dus ook geen werk en geen verdriet, geen haat, geen angst en ook geen genot. Maar de mensen waren niet tevreden. Men streefde naar macht over elkaar en naar zekerheid over de toekomst. Zo werd het evenwicht verbroken. De arbeid voor de onderdrukten werd steeds smartelijker en de intriges van de machthebbers steeds gruwelijker. Zo werd iedereen tegelijkertijd onderdrukte en onderdrukker. Het oude instinct van verdeeldheid leeft nog steeds voort in bleke nijd en jaloezie. Dieren en mensen lieten elkaar oorspronkelijk ongemoeid, totdat de ontevreden mensen op een deel van de dieren gingen vegeteren en trachtten de andere dieren uit te roeien. Zo werd, met alle ellende van dien, de oorspronkelijke orde uit haar verband gerukt. De moeite, zorg en de arbeid van het verzorgen van de huisdieren, de ziekte door de parasitaire voeding en een tijd lang met een hevige strijd tegen wilde dieren, die nog niet uitgeroeid waren. Nog ernstiger werd de mens in huis en hof door ongedierte en in het eigen lijf door bacteriën bestookt. Terwijl alles uit opstand tegen Gods wil is voortgekomen is de wetenschap zelfs trots op dat gevecht en berust zelfs in Gods wil! Tot het evenwicht van het eeuwige en alomtegenwoordige leven behoort, dat iedereen als zijn tijd gekomen is, uit dit aardse leven wordt weggeroepen. Ook, dat hij tot die tijd lichamelijk en psychisch ziek is, zoals past bij zijn verderfelijke gemoedstoestand van spaarzaamheid, zucht naar macht, ijdelheid en angst. Maar ook daar is men weer niet tevreden mee en knoeit aan de lichamen met medicijnen en voorgeschreven leefwijzen en aan de zielen met hypnose en suggestie. Zo verstoort men het vagevuur van de lusten, en verbreekt het evenwicht tussen psychische verantwoordelijkheid en de lichamelijke toestand. Het lichaamsgevoel is zozeer van het morele besef afgeweken, dat men voor zijn misdrijven en voor zijn daden op deze aarde, inderdaad niet meer verantwoordelijk gesteld kan worden. De geneeskunde gaat de laatste tijd prat op verlenging van de, overigens nog veel te korte, duur van het menselijk leven. Maar wat heeft dat voor waarde? Het is even tragisch dit leven ná zijn tijd, als vóór zijn tijd te verlaten, en wat de dood betreft: “De Natuur richt nooit schade aan zonder dat zij daar iets beters voor in de plaats stelt” Intussen hangt toch ook de waarheid in de lucht. Je kent het liedje van: ,,Visje, visje van de zee (Piggelmee),” het spreekwoord zegt: ,”eerlijkheid duurt het langst”, dat het betere de vijand is van het goede, en “al is de leugen nóg zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel”. Om kinderen te dresseren de waarheid te spreken, houden opvoeders hen voor, dat een leugentje nooit baat, want dat het ene het andere uitlokt, en dat ze uiteindelijk wel in een warnet verstrikt moeten raken. En tot slot zijn al die romans in omloop, die levendig schilderen, hoe het kwaad uiteindelijk zichzelf straft. De volgende waarheid dringt zich wel degelijk aan ons op:
“Wanneer uw verstand u een daad voorhoudt, die uw toestand lijkt te kunnen verbeteren, terwijl uw geweten die daad niet sanctioneert, laat haar dan na. Want het verstand ziet nooit de wereld in haar geheel, en de middelen die het voor het beperkte beoogde doel voorschrijft, zullen langs ondoorgrondelijke wegen aan het geheel slechts schade toebrengen.”
,,Als het in dit leven zo zou zijn, dat wij altijd een spiegel voor ons zouden hebben, waarin wij in één ogenblik alle dingen tegelijkertijd zouden kunnen zien en herkennen, dan zouden onze daden en kennis geen probleem zijn. Aangezien wij ons echter van het ene naar het andere wenden kunnen wij ons niet met het ene bezighouden, zonder ons voor het andere af te sluiten”(Meister Eckehart)
Maar al hangt de waarheid in de lucht, toch is het leven van ieder mens afzonderlijk en van de volkeren als geheel, één aaneenrijgen van zonden tegen de waarheid. Steeds weer worden alle pogingen verijdeld. Steeds worden er weer nieuwe pogingen gedaan. Alle luchtkastelen storten in en allemaal worden ze door nieuwe vervangen.
Het leven van het individu is een illusie. Het is een moeizaam najagen van doelen, wat uiteindelijk op een ontgoocheling uitloopt. Op het moment van zijn dood, die hij onvoorbereid en in volledige raadselachtigheid afwacht, schrikt hij bij het besef, dat hij zijn leven heeft vergooid, ware het niet dat zijn verstand hem geruststelt en sust met de gedachte, dat het leven zonder illusies toch eigenlijk helemaal niets geweest zou zijn, of dat hij in elk geval, als batig saldo, een aardige dosis ervaring in het graf zal meenemen. Ja, die arrogante ouden van dagen. Ze maken zich wijs, dat alleen ervaring, schade en schande en een lang leven van zonde, gekerfd op hun verstijfde en van alle natuurlijkheid ontdane gelaatstrekken en stralend uit hun levenloze ogen, tot wijsheid voert. En ze laten, als het er op aankomt, na de jongeren te zeggen, waar het in het leven om draait. Het leven van de mensheid als geheel is één arrogant bevuilen van haar nesten over de hele gave aarde, een knagend en schendend knoeien aan haar moederend gewas, en een onvruchtbaar maken van haar rijke scheppingskracht, totdat het alle leven heeft verziekt. Op deze verdorde aarde gaat de mensheid kankerend ten onder. De dwaasheid in hun hoofd, die dát veroorzaakt en hen zelf gek maakt, noemen ze: “De wereld begrijpen.”
Het Onuitsprekelijke, Volmaakte, een attribuut toekennen is slechts projectie. Iets willen is een kenmerk van onvrede. “God en de natuur zijn één” zei Spinoza en de volmaakte ordening, die door de eeuwige en onveranderlijke natuurwetten in stand gehouden wordt, wil niets. Alles wat is, is. De mens die afgedwaald is van het rechte en eenvoudige pad, verstoort de volmaakte ordening (‘rukt de schepping uit haar verband’, schrijft Brouwer) en de onveranderlijke natuurwetten streven er slechts naar om die verstoorde ordening weer te herstellen. Alle ellende is dus voortgekomen en komt nog steeds voor, uit het overtreden van de onveranderlijke natuurwetten, uit het verstoren van het oorspronkelijke evenwicht, door verstoorde mensen. ‘Alles is uit opstand tegen Gods Wil voortgekomen’, noemt Brouwer dat.
Commentaar: Oorspronkelijk hadden mensen geen vaste woonplaats, maar zwierven, ongehinderd door kunstmatige grenzen, over de aarde. Er leefden dus niet, zoals Brouwer schrijft, een krachtig mensengeslacht in onze streken, maar mensen volgden, net als trekvogels, de seizoenen en voedden zich met alles wat de natuur rijkelijk voortbracht. Mensen leefden in en een met de natuur, stonden er niet tegenover, waren niet afhankelijk van elkaar en hadden elkaar dus niet nodig. Ze hadden niets te verliezen, dus kenden ook geen angsten. Ze kenden geen eigenbelang, waren niet bang voor elkaar en hadden elkaar dus lief met een belangeloze liefde. Brouwer schrijft dan wel dat de mens een heilloze weg insloeg omdat hij ontevreden was, maar zegt niet waarom hij ontevreden was, noch maakt hij duidelijk waarom er verderfelijke verleidingen waren en waar die verleidingen dan uit bestonden. Ontevredenheid, verleidingen, macht over elkaar uitoefenen, zijn geen oorzaak, maar een gevolg van het verlaten van de natuurlijke toestand, en als je eenmaal begint is het einde zoek, hoezeer ook alle onbehagen, alle pijn, lijden en verdriet alleen maar terugverwijst naar de paradijselijke oertoestand. Ook is, zoals Brouwer beweert, verdeeldheid geen instinct, maar een gevolg van het verlaten van de oorspronkelijke aard van de mens, net als het optreden van ziekten, maar dat morele besef is, zoals hij terecht opmerkt, volledig ondergesneeuwd onder alle theorieën die de mens bedacht heeft. “Alle kwaad komt van buiten.” Iedereen
is ziek, iedereen heeft vuile handen, iedereen is afgeweken van het
rechte en
eenvoudige pad. Iedereen is blind en doof en ziet en hoort niet wat hij
ziet en
hoort en is dus zwakzinnig en in hun hedonistisch streven naar genot
creëren de
mensen hun eigen vagevuur. De artsen en therapeuten verstoren dat
vagevuur
niet, zoals Brouwer schrijft, maar de artsen verzachten de symptomen en
de
therapeuten leren de mensen hoe ze het best in het vagevuur kunnen
overleven.
II
Kijk nu eens, nu ik je zo de tragiek van deze maatschappij heb geschetst, naar jezelf. Je hebt een bewustzijn. Een bewustzijn, waarvan de inhoud voortdurend verandert. Ben je de baas over die veranderingen of niet? Je zult zeggen van niet. Want je bevindt je in een wereld, die je niet zelf gecreëerd hebt, en daarin overkomt je van alles, waar je tevoren geen weet van had. Maar is het niet zo dat een deel van de inhoud je bewustzijn door je stemming bepaald wordt en dat je daar ongetwijfeld invloed op uit kunt oefenen? Je kent toch de uitdrukking: “je hartstochten beheersen”. Of zijn dat loze woorden voor je? Ongetwijfeld heb je nu en dan zelf zo’n religieuze ervaring, waarbij je het gevoel hebt alsof je loskomt van je hartstochten, van je angst en verlangens, van tijd en ruimte, dus van de hele manier waarop je de wereld ziet. En tot slot ken je die veelzeggende uitdrukking: “Naar jezelf kijken.” Je schijnt dus over zoiets als een oplettendheid te beschikken, die zich om jezelf heen beweegt, en die jezelf bij die beweging enigszins in je macht hebt. Wat dat ,,zelf” is, daar zul je niet veel over kunnen zeggen en je zult er ook niet echt over kunnen nadenken, want je voelt wel, dat alle nadenken en alle spreken zich ver van het zelf afspeelt. Met nadenken of met woorden kun je ook niet dichter bij het zelf komen, maar alleen met dat ,,naar jezelf kijken”, als het je gegeven wordt. Verder geeft dat naar jezelf kijken een gevoel van dat het je moeite kost. Het lijkt alsof je daarbij een weerstand moet overwinnen en dat je aandacht sterk geneigd is om te blijven hangen waar ze is. Het lijkt alsof de weerstand aanmerkelijk groter is bij beweging naar het zelf toe, dan bij beweging er van af. Wordt het je desalniettemin gegeven alle weerstand te overwinnen en verder te gaan, dan gaan je hartstochten zwijgen. Je voelt je loskomen van de oude manier van kijken, los van tijd en ruimte en alle andere dingen. Dan gaan je niet langer geblinddoekte ogen open in een verheugende stilte.
Brouwer draait het om als hij zegt dat de inhoud van je bewustzijn bepaald wordt door je stemming. De inhoud van je bewustzijn zijn namelijk je gedachten en zonder gedachten geen emotie, zoals kleine kinderen en dieren geen jalousie, ergernis en angsten kennen. Dus eerst bepalen je gedachten je emotie en vervolgens in een heilloze spiraal je emoties je gedachten enzovoort. Naar jezelf kijken is vreselijk pijnlijk omdat je je dan af moet vragen waar je nu eigenlijk mee bezig bent en daaraan twijfelen wil zeggen dat je je hele verleden zult moeten herzien en je al je zekerheden als schijnzekerheden zult moet ontmaskeren. Het
gaat er ook niet om om je hartstochten te
beheersen, want daar wordt je ziek van. Het gaat erom dat je begrijpt
hoe je
hartstochten opgeroepen worden door alles wat je wilt. Wie niets meer
wil kent
geen hartstochten meer, want de wens is de vader van de gedachten en
geen
gedachten, geen hartstochten. Op het schaarse moment dat je volmaakt
tevreden
bent, zijn er geen gedachten meer, is je hoofd leeg en voel je je,
zoals
Brouwer dat terecht zeg, “loskomen van de oude manier van kijken, los
van tijd
en ruimte en alle andere dingen. Dan gaan je niet langer geblinddoekte
ogen
open in een verheugende stilte.”
,,Wanneer alle beelden van de ziel verdwijnen en ze alleen het Enige Ene ziet, dan vindt het naakte zijn van de ziel het naakte vormloze Zijn van de Goddelijke Eenheid, dat is het Voortreffelijke Zijn, dat ontvangend in zichzelf ligt” (Meister Eckehart) ,,Wanneer je één ogenblik in datgene kunt verwijlen in waar geen schepsel woont, dan hoor je wat God spreekt”. “Het is in je. En als je in staat bent één uur al je willen en je zintuigen een zwijgen te leggen, dan zul je de onuitsprekelijke woorden van God horen.” ,, Wanneer je zwijgt in de zinnen en de wil van je ikheid, dan wordt in jou het eeuwige horen, zien en spreken openbaar, en God hoort en ziet door jou. Je eigen horen, willen en zien belemmert je, waardoor je God ziet, noch hoort.” “Wanneer je stil bent, ben je hetgeen God was, vóór er natuur en schepsel was, en waaruit Hij jouw natuur en vorm maakte. Dan hoor en zie je met datgene waarmee God in jou zag en hoorde, vóór je eigen willen, zien en horen begon.” (Jakob Boehme. Uit: ‘Over het Bovenzinnelijke Leven’)
Dan begrijp
je dan al je vroegere
gedachten,
en begrijpt dan ook dat ze voorheen wel onbegrijpelijk voor je moesten
zijn. Begrijpen
in de zin van er vrede mee hebben en ze als van zelf sprekend vinden.
Het is
alsof je ze tegelijkertijd allemaal weer doormaakt, en toch niet
doormaakt. Niet
doormaakt in de zin van dat je je er totaal niet door gebonden voelt. Verduidelijking: Daarbij ervaar je
tegelijkertijd ook een
oneindige rijkdom van andere beelden, een mengeling van allerlei
werelden, die
nu evenveel, maar ook even weinig recht van bestaan hebben, als de jou
voorheen
als reëel ervaren wereld. En in die ineenvloeiende kleurenzee,
zonder
scheiding, zonder zekerheid, en toch zonder beweging, in die chaos
zonder
wanorde, zie je een weg, die je vanzelf volgt, maar ook net zo goed
niet zou
kunnen volgen. Je erkent je “Vrije Wil”, voor zoverre die vrij was zich
aan deze
maatschappij, waarin causaliteit de wet uitmaakt, te onttrekken en vrij
te
blijven. Dan pas heeft je vrije wil de juiste koers gevonden, die hij
vrij en omkeerbaar
volgt. Verduidelijking: Want
het Zelf gaat gestaag en omkeerbaar zijn eigen weg, en alle uit het
Zelf
voortkomende beelden hebben een richting die daar parallel aan is en
die ze
gestaag en omkeerbaar volgen. Je voelt je dan vrij, om al dan niet in
de boeien
van veelheid, scheiding, tijd, ruimte en bewustzijn van je lichaam
terug te
keren, maar je doet het niet. Of beter gezegd, je doet het
tegelijkertijd wel
en niet. Terwijl je er vrij buiten blijft, leef je je gebonden
lichamelijke leven
in de mensenwereld lucide verder. Je leeft geketend en beseft hoe je
die ketenen
zelf vrijwillig aanvaardt en hoe ze slechts aanwezig zijn, zolang je
vrijwillig
in de mist loopt. De gebeurtenissen volgen elkaar op in de door de
causaliteit
bepaalde tijd, omdat je zélf in die mist de gebeurtenissen in
die volgorde wilt
zien. Maar door de muren van de causaliteit heen, glijden en vloeien
voortdurend de “wonderen”, die alleen voor de vrijen, de verlichten,
zichtbaar
zijn. Je ziet hoe de “wonderen” voortdurend in deze geketende wereld
doordringen
en hoe de onzichtbare wrekende handen, die de eeuwige Gerechtigheid
handhaven, zich
manifesteren. Commentaar: Maar ook merk je hoe
boven de fysieke
causaliteit een duidelijke stroom in je eigen levensloop valt te
bespeuren,
gedirigeerd door het Zelf, en parallel met de stroom van het Zelf, en hoe het zogenaamde
toeval
Toeval
bestaat slechts voor de mens die met zijn gekokerde zintuigen het
geheel niet
kan overzien en dus niet kan zien hoe alles met alles samenhangt. Die
zichzelf,
zijn medemensen en de wereld niet begrijpt, die gestoord door zijn
meningen en
zijn zelfgeconstrueerde wereldbeeld, dus door zijn gestoorde zelfbeeld
heen,
slechts een gefragmenteerde wereld ziet, waarin in zijn optiek zomaar
van alles
gebeurt. Alle ellende die de afgedwaalde mens overkomt, wijst maar in
één
richting: terug, terug, terug, totdat hij uiteindelijk weer zijn
oorspronkelijke evenwicht bereikt en dan beseft: “Er is geen kwaad, en
geen
gevaar; mij kan niets overkomen.”
Je reis door deze trieste wereld is dan een gestaag voortgaan in een lichte kleurrijke wolk en in liefde voor al het vanzelfsprekende daarin. In liefde, ook voor je dwalende en hunkerende medemensen. Want je ziet de wereld niet meer als een van het Zelf gescheiden werkelijkheid, maar gestuurd vanuit het Zelf en met het Zelf meestromend. Je voelt je almachtig, want je wilt alleen, wat met die stroom meegaat, en daarbij zullen bergen voor je wijken. Je voelt je alwetend, want je voelt in alle emanaties hoe in de tijdloze stroom verleden, heden en toekomst in jezelf samenvallen. Zo vraag je je niet af, wat je moet doen. Je doet het Goede vanzelf. Zo verlang je ook niet om iets te begrijpen (moet “verklaren” zijn, want je begrijpt dan alles), want alles is vanzelfsprekend. En steeds speelt op de achtergrond een pijnloze onvrede over jezelf, en de overtuiging dat alle vroeger ondervonden ellende je eigen verantwoordelijkheid was. Je had namelijk het Zelf losgelaten en je geketende bewustzijn was zonder zijn leiding. Je bewustzijn had massa en traagheid gekregen en volgde dwalend niet-omkeerbare wegen, heen en weer geslingerd door Verlangen én Angst.
Het loslaten van het Zelf betekent het niet meer zijn wat je bent, namelijk mens, niet meer en niet minder. Alleen kleine kinderen zijn zichzelf, maar mogen dat niet blijven, omdat ze van mensen die niet meer weten wat ze zijn, iets moeten worden. En als ze iets geworden zijn, denken ze dat ze zijn wat ze denken en doen. Ze identificeren zich met hun karakter, het complex van aangeleerde meningen en overtuigingen, dat hun laat doen wat ze doen en hen laat reageren zoals ze reageren. Ik ben nu eenmaal zo, zeggen ze dan. Ze hebben dan dus zichzelf, of hun Zelf, verloren of losgelaten, zoals Brouwer dat zegt, en hebben geleerd om naar anderen te luisteren, meerderen, deskundigen en andere beterweters en niet meer naar hun Zelf.
Over niet-omkeerbare wegen: Als
je begint is het einde zoek. Dan stop je het ene gat met het andere,
stapelt
leugen op leugen, het leven wordt steeds ingewikkelder, voor elk
probleem zoek
je oplossingen, die allemaal weer nieuwe problemen oproepen in een
steeds
uitdijendere spiraal, steeds verder van huis, steeds meer ellende,
steeds meer
bezittingen, steeds moeizamer wordt het om alles goed te praten, je
geweten te
sussen en steeds ontevredener wordt je. Die weg lijkt niet-omkeerbaar,
want je
hebt het gevoel dat je niet meer terug kunt en daarom ga je verder en
je moet
ook verder als je de illusie koestert dat je niet meer terug kunt.
Vooruitgang
heet die massapsychose en als een groep lemmingen gaat de hele mensheid
zijn
ondergang tegemoet en ze kwelen dat ze zo lekker bezig zijn en dat ze
zo
gelukkig zijn. Eén massaal massabedrog.
Je ziet dan hoe angst en zuinigheid, die het resultaat zijn van het je overgeven aan de illusie van tijd en verlangen en zucht naar macht, die het resultaat zijn van het je overgeven aan de illusie van ruimte, je geleerd hebben, die eigenschappen als op zichzelf staande te zien. Nu besef je dat het maar irreële vluchtige uitingen van het Zelf waren, die met datgene waaruit ze voortgekomen waren, niets te maken hadden. En je zult zien hoe de dwaalwegen van verlangen en angst de dwaler tot ploeteren leiden. Tot de moeizame arbeid in het zweet zijns aanschijns, die steeds nieuwe onomkeerbare veranderingen en een steeds diepere ellende met zich meebrengt. Zo bezie je dan met een glimlach de werkelijkheid van de tragiek van deze maatschappij, je vroegere illusie, met daarin de illusie van je eigen Angst en Verlangen, arbeid en pijn. Maar daar wordt je geluk niet meer door vertroebeld. Want ook dát is een irreëel hersenspinsel. Het hersenspinsel van verdriet en herinnering.
Als
er een weg heen is, is er ook een weg terug of zoals Heraclitus dat zo
treffend
zei: “de weg naar boven is dezelfde weg als de weg naar beneden.” Maar
omkeren
wil zeggen dat je moet erkennen, al is het maar aan jezelf, dat je je
vergist
hebt. Dat je je door je eigen en de hersenspinsels van anderen hebt
laten misleiden
en dat is pijnlijk. Maar pas dan kun je het spoor terug volgen, de weg
naar
zelfkennis, totdat je uiteindelijk weer bij je Zelf, jezelf, uitkomt en
tot het
besef komt dat je mens bent en niets anders. III
En even onberoerd aanschouw je dan de door Angst en Verlangen gevallen en dwalende mensheid. Gevallen en dwalend door zuinigheid en zucht naar macht, door tijd en ruimte en zonder vleugels, om zich daarmee naar Zelfinzicht te verheffen. Onwrikbaar vastgeketend aan het kind van Tijd en Ruimte, het verstand, dat bij de mensheid in het hoofd versteend is. Dat is het symbool van de val van de mensheid. Wilde stammen zien koppensnellen als een reinigingsproces en ervaren het als het summum van genot, wanneer ze dat bij de meest ontwikkelde volkeren in praktijk brengen. Daar schuilt een diep wijsgerig inzicht in. Namelijk, dat in de levende natuur een grotere differentiëring met een zwaardere verdoemenis (hoe beschaafder, hoe groter de ellende) gepaard gaat. Dat inzicht zit bij hen niet in het hoofd, maar in het hart.
Verleden en toekomst bestaan slechts in de hoofden van de dwalende mensen, in alle geschriften waarin ze hun breinbrouwsels hebben neergeschreven en in alle creaties van hun godvergeten mensenhand waarmee ze de aarde bevuild hebben. Ze koesteren dat verleden, met veel arbeid onderhouden en restaureren hun scheppingen en in musea etaleren ze trots en schaamteloos de hoogmoedige en onzinnige excreties van hun voorouders. Ze verheerlijken de geschiedenis en prestaties van de winnaars, hun veldslagen en oorlogen, hun manipulaties, listen, gekonkel, leugens en bedrog. En vanuit het verleden extrapoleren ze de toekomst, blind voor de geschiedenis en dat noemen ze vooruitgang. Er bestaat geen verleden en geen toekomst, want er is alleen maar een eeuwig nu. Tijd bestaat ook slechts in de hoofden van de dwalenden en ook daar is het niet meer dan een afgrenzing van de eeuwigheid. Ruimte
is net zozeer een afgrenzing van de oneindigheid. Afstanden, maten en
grenzen
zijn slechts afspraken om het spel van macht van de ene mens over de
andere te
kunnen spelen. In de beperkte ruimte, die zelf gecreëerde
gevangenis, sluiten
mensen zichzelf en anderen op.
Het hooggeachte verstand stelt de mens dus in staat en dwingt hem tegelijkertijd, om in Verlangen en Angst verder te leven, in plaats van dat het hem tot middel dient om voor zijn eigen bestwil, zijn toevlucht in Zelfinzicht te zoeken. Het dient tot middel om de verbijsterende tegenstrijdigheid van de dwalende denkbeelden op te heffen door ze, in plaats van afzonderlijk met het Zelf, met elkaar in verband te brengen. Zo blijft de mens zich vastklampen aan de schijnzekerheid van een eigen hoogmoedig gecreëerde en aan causaliteit gebonden, “werkelijkheid”, waarin hij zich uiteindelijk volkomen machteloos zal voelen.
Zoals
David Hume zei: "causaliteit is een waarneming van de waarnemer en niet
een gegeven van de externe werkelijkheid". Je kunt alleen van oorzaak
en
gevolg spreken in een gereduceerde werkelijkheid, want als alles met
alles
samenhangt in een gesloten netwerk, is elke beweging een beweging van
het
geheel en wat de waarnemer dan als oorzaak en gevolg interpreteert is
een
detailopname, waarbij hij het geheel niet overziet. Het
causaliteitsdenken is een
absurditeit, want aan elke oorzaak gaat een andere oorzaak vooraf, tot
je de
magische grens bereikt waarover in de Katha Upanishad staat: “Ga
terugwaarts
van gevolg naar oorzaak, totdat ge gedwongen wordt te zeggen: Hij is.
Wanneer
ge op die wijze gedwongen wordt dan daagt de Waarheid.” Het
causaliteitsdenken
verliest zich altijd in cirkelredeneringen, tenzij het uitwijkt naar
hypothesen, waardoor de conclusies altijd geloofsartikelen worden.
Dat verstand doet in het Leven van Verlangen van de mensen satanisch dienst door tussen de twee hersenspinsels, doel en middel, een verband te leggen. Het intellect reikt de mensen, gefixeerd op het verlangen naar het ene ding, het streven naar een ander ding als middel daartoe aan. Bijvoorbeeld het maken van een dam om de bedding van een rivier te verleggen. Het huis in brand steken om op een ander zijn jaloezie bot te vieren. Om veilig voor roofdieren te zijn, zijn huis op palen bouwen. Om de zon op zijn huis te laten schijnen bomen om te hakken. Met die omkering in het waarnemen van doel en middel gaat een verandering van het lichaamsgevoel gepaard. Men kan dan ook een verandering in de bloedverdeling waarnemen, die van het hoofd uitgaat. Ook hierin zie je hoezeer hoofd en verstand met elkaar verbonden zijn. De daad, die het middel zoekt, mist nu echter altijd enigszins doel. Het middel heeft een richting, die een hoek, zij het een kleine, maakt met de richting die naar het doel wijst. Het werkt dus, behalve in de richting van het doel ook nog op andere vlakken, een werking die, als men die niet in de gaten zou houden, misschien zeer schadelijk zou kunnen zijn. Maar het gaat nog verder. Langzamerhand verliest de aandacht het doel geheel uit het oog en ziet alleen nog het middel. En in deze trieste wereld, waar uit Angst en Verlangen tegelijkertijd met het verstand, Dressuur en Imitatie zijn voortgesproten en waarin niemand het hele mensengedoe meer overziet, zien velen een doel in wat oorspronkelijk een middel was. Zij jagen dus een, laten we zeggen, doel van de tweede orde na, waarbij misschien wéér een middel ontdekt wordt. En dat maakt opnieuw een kleine hoek met het bijbehorende doel. Wordt op die manier die verleidelijke sprong van doel naar middel enige malen herhaald, dan kan het gemakkelijk gebeuren, dat uiteindelijk een richting wordt ingeslagen, die behalve haar afwijking op andere vlakken, ook nog eens met de aanvankelijke richting een stompe hoek maakt en haar dus tegenwerkt. De industrie leverde oorspronkelijk haar producten met het doel om daarmee in de natuur een milieu met zo gunstig mogelijke voorwaarden voor het menselijk leven te scheppen. Daarbij verloor men uit het oog, dat die producten zelf uit natuurlijke producten vervaardigd werden, waarbij men de natuur verstoorde. Zo werd het evenwicht van de menselijke levensvoorwaarden verbroken, wat meer nadeel opleverde, dan de industrieproducten ooit aan voordeel zouden kunnen opleveren. Al het benodigde houtmateriaal heeft bijvoorbeeld zoveel bos doen verdwijnen of verknoeid, dat in gematigde gewesten bijna geen voedselgewassen voor de mens meer vanzelf groeien. En verder ging men het produceren van de industriële producten als doel op zich zien. Bij het nastreven daarvan, werden nieuwe industrieën in het leven geroepen om werktuigen te leven om de oude productie te vereenvoudigen. Dat gaf opnieuw een knauw in het oude evenwicht. Kortzichtig ging men in verre landen grondstoffen halen, wat handel en scheepvaart in het leven riep, met alle lichamelijke en morele verschrikkingen en onderdrukking van de volkeren onderling van dien. Omdat men wanhopig het Zelf, dat alles van verleden en toekomst weet, had verlaten ontstond daarbij ook nog onzekerheid omtrent de toekomst. Onzekerheid omtrent de toekomst en de wens om vooruit te kunnen zien. Die onzekerheid riep de wetenschap, die oorspronkelijk in dienst van de industrie stond, in het leven. De wetenschap, die in en over de buitenwereld generaliserende stellingen poneert, die Deo volente, zullen uitkomen. Maar als die dan onjuist blijken roepen de mensen: “O ja, we hadden die en die stilzwijgende vooronderstelling gemaakt,” Uit machteloosheid gaan ze de stelling vervolgens ingewikkeld maken en zogenaamd verbeteren. Maar het blijft niet bij een wetenschap in dienst van de industrie. Het middel wordt weer doel op zichzelf. Men gaat wetenschap bedrijven om de wetenschap. Inmiddels is het lichamelijke bewustzijn zover afgedwaald, dat het uitsluitend in het hoofd is geconcentreerd en dat de rest van het lichaam volledig genegeerd wordt. Tegelijkertijd raakt de mens overtuigd van het bestaan van zichzelf als zelfstandig individu en van een daarvan gescheiden en onafhanke-lijke buitenwereld. Nu treden pas echt in alle hevigheid veranderingen in de aandacht op, die hier het wetenschappelijk denken vormen. Want een richting van de wil, die tot het hoofd beperkt is, is een wetenschappelijke overtuiging. Een wetenschappelijke waarheid is niet meer dan een zekere verdwazing van het, hier uitsluitend in het hoofd levend, verlangen.
“Hemel, laat dat zo zijn; laat dit mens, zat van overdaad en wellust; Die trapt op Uw gebod en niet wil zien; Daar hij niet voelt, nu dadelijk Uw macht voelen” (Shakespeare: "King Lear"). Gevangen en verstrikt in het causaliteitsdenken, verkeren mensen in de waan dat alles wat ze voelen, alle pijn, onrust en spanning, een oorzaak heeft, die buiten henzelf ligt en weten niet meer dat dat alles een betekenis heeft. In hun hoofden construeren ze, met behulp van allerlei theorieën en overtuigingen, wetenschappelijke verklaringen voor hun symptomen, die vervolgens bestreden moeten worden. Wanneer
de mens zich buiten de en zijn natuur geplaatst heeft, heeft hij het
alomvattende verband verlaten en voelt zich alleen staan tegenover een
vijandige en onbegrepen buitenwereld. Dan ervaart hij zich niet meer
verbonden
met zijn medemensen, maar staat tegenover hen. Verloren en eenzaam
construeert
hij vervolgens een wereldbeeld, samengesteld uit theorieën en
overtuigingen,
waaraan hij zich wanhopig vastklampt. Daarmee zoekt hij oplossingen
voor alle
problemen die hij in zijn moeizame en kunstmatige manier van leven
tegenkomt en
zo ontstaat de wetenschap en de religie.
Het onbehagen van elke wetenschap wordt dan ook steeds groter. Klimt ze te hoog, dan wordt ze door een nóg grotere inperking aan het oog onttrokken, doordat de basis van die wetenschap als iets zelfstandigs buiten de wetenschap zelf gezien wordt. Men gaat op zoek naar de ,,grondslagen” van die wetenschap, wat al gauw een nieuwe wetenschap wordt. Men gaat op zoek naar de gemeenschappelijke grondslagen van de wetenschap en beoefent “kennistheorie”. Maar het onbehagen groeit steeds verder, totdat alle koppen in de war raken. Sommigen houden er tenslotte gewoon mee op. Hebben ze b.v. lang nagedacht over het ongrijpbare verband tussen het waarnemend bewustzijn, dat zich tegelijkertijd met het buiten de wereld leven ontwikkelt, en die buitenwereld zelf, die zelf weer alleen bestaat door en in vormen van het waarnemend bewustzijn — een probleem dat uit de vergissing van het funderen van een eigen wereldbeeld voortgesproten is — dan stoppen ze het, eveneens en tegelijkertijd met dat wereldbeeld zelfgecreëerde Ik, in het gat en zeggen: Ja, er moet natuurlijk wel iets onbegrijpe-lijks overblijven, want ik ben het zelf, die het moet begrijpen. — Maar er zijn er ook, die van geen ophouden weten en die tot in het absurde doorgaan. Ze worden kaalhoofdig, bijziend, corpulent en hun maag werkt niet meer. En steunend van de astma en maagkwalen, verkeren ze in de illusie dat het evenwicht op deze manier bereikbaar is en dat ze er bijna zijn. Dit over de wetenschap. De laatste bloem en de verstarring van de cultuur.
Verduidelijking:
De door de menselijke cultuur voortgebrachte levensomstandigheden halen het niet bij de haar oorspronkelijk gegevene. Erger nog. Niemand had baat bij wat er bereikt werd. Ieder individu bleef zijn leven voortslepen in het leefklimaat van een van de hulpindustrieën. Wat een milieu vergeleken bij maagdelijke natuur die de naakte en onbedorven mens oorspronkelijk geboden werd! De weinige met het vermogen om, van datgene wat bereikt werd, in vrijheid te genieten, wisten daar door hun verdorven instincten geen raad mee! De volken slepen elkaar mee in de ellende van de cultuur, omdat de cultuur het van de natuur wint. Het is toch bekend, dat kleinzieligheid en laffe berekening altijd over heldenmoed zegevieren. Heldendom is immers niets anders, dan onverzettelijk een halt toeroepen aan de eeuwige spreuk: “Het doel heiligt de middelen!” Een halt toeroepen aan het eindeloze werk van het intellect en aan het eindeloze door elkaar halen van doel en middel. Maar aan de andere kant is ook de, aan het oorspronkelijke doel, tegenwerkende kracht van de intellectuele verwikkeling zo groot, dat wie uit een toestand van volledige naïviteit opeens met volledige inzet een of ander handwerk of wetenschap ter hand neemt met een wat dat betreft onbedorven lichaam of onbedorven verstand, steeds de meerdere is van wie daarin een lange ,,Bildung” achter de rug heeft. De Boeren en Japanners, die zich uit het niets op de moderne oorlog storten, presteren meer dan de Engelsen en Russen. En dominee Felke geneest met gezond verstand en zelfvertrouwen meer zieken dan medische professoren. Door alle bomen zien de cultuurmensen het bos niet meer. Sterker nog, ze weten niet eens meer, dat er een bos is. Wie zich afvraagt, waarvoor hij eigenlijk leeft, wordt in het dagelijkse leven, waarin eigenlijk juist alleen die vraag zinnig is, voor gek versleten. In het gekerkerde leven van Verlangens en Angsten van deze maatschappij is voor die vraag— naast de massapsychose van een systeem dat een aantal dingen, van wijn en rijkdom tot liefde en wijsheid toe, op zichzelf begerenswaard heeft bepaald en een aantal dingen, van tocht, kou, honger en armoede tot moord en overspel toe, op zichzelf angstwekkend bepaald heeft, — geen plaats.
In
elke cultuur leren kinderen wat hoort, wat mooi, lekker en wenselijk
geacht
wordt, wat onbehoorlijk, gevaarlijk, ongezond en onwenselijk geacht
wordt. Dat
is de massapsychose die het leven kerkert, beperkt en er grenzen aan
geeft. Dat
zijn de maatschappelijke regels, wetten en normen, waarbinnen mensen
hun leven
in gevangenschap slijten. Dat noemen ze dan vrijheid in gebondenheid.
Het is een systeem, dat men met moeite maar tevergeefs in stand probeert te houden. Het wemelt van allerlei behoeften die voor eigen bevrediging elk voor zich tot moeizame arbeid noden, wat weer het onbevredigd blijven van andere behoeften betekent. Zo blijft uiteindelijk elke bevrediging illusoir. Ieders aardse leven eindigt met een grote onvoldaanheid en de ineenstorting van het systeem. Met de dood stort alles in. De dood loochent hun hele leven. Hij is de gewelddadige manifestatie van het Zelf in deze afgegrensde en zelfgecreëerde maatschappij. De dood betekent de onvermijdelijke instorting van de hoogmoedig gebouwde toren van Babel.
Op
het moment van zijn sterven moet de mens alles, wat hij zich letterlijk
en
figuurlijk “eigen” heeft gemaakt, loslaten. Zijn bezittingen, zijn
ingebeelde
banden met andere mensen, zijn vooroordelen, meningen en overtuigingen,
kortom
zijn hele zelfgeconstrueerde wereldbeeld, waardoor hij zijn leven heeft
laten
leiden. Dan komt hij tot de wrange conclusie dat zijn leven
één grote
vergissing is geweest, dat hij nooit geweest is wat hij had kunnen zijn
en
nooit geleefd heeft zoals hij had kunnen leven. Het is dus wijs om dat
loslaten
nu al te doen.
Het Zelf manifesteert zich echter in dit bekrompen leven ook al vóór de dood, binnen de vorm van het geheel van verlangens en in het, door het verstand als drager van de dwaasheden en verzelfstandigde verlangens en angsten van de mens, geconstrueerde wereldbeeld. Dáár laat het Zelf van zich horen in het spreken van het Geweten, de weemoed over het verloren Paradijs en in het vage bewustzijn van het stille levensgeluk, dat de mensen oorspronkelijk was toebedeeld. En in de hang naar zaligheid, naar religieuze zekerheid en naar het vrije leven in overgave die, aangepast aan deze tragische wereld, honger naar het hogere, verheffende en transcendente wordt. Maar het Geweten, dat in deze ingeperkte wereld spreekt, wordt gesust. Binnen de afgesloten categorieën dringt het wel door, maar binnen die categorieën wordt de aandacht er van afgeleid — door sterke prikkeling en door overdadige bevrediging van andere behoeften — of het wordt dóór die aandacht geassimileerd — dat wil zeggen dat het als een behoefte binnen het gesloten systeem wordt gezien, die binnen dat systeem bevredigd moet worden. Beide manieren van het sussen van het geweten, die eigenlijk aanleiding tot boetedoening en inkeer zou moeten zijn, worden door de industrie ingelijfd en verkracht tot een stimulans voor nieuwe doelstellingen en nieuw genot. De
hele genotmiddelenindustrie en het publieke vermaak, van kaartspel en
wijn tot
de meeste Fraaie Letteren toe, bestaat uit het sussen van het geweten
door het
afleiden van de aandacht.
Brouwer
is hier niet consequent, want de muziek en de poëzie zijn niet
verworden, maar
het creëren van muziek en poëzie zijn zelf tekenen van
verwording, middelen om
het geweten te sussen, om het leven in gevangenschap op te leuken.
Muziek en
poëzie zijn van middel tot doel geworden.
Kunst en religie zijn in deze maatschappij slechts een morfine-industrie op grote schaal. De hang naar een beter leven wordt ermee gesust en verdoofd. Alleen iemand, die een radertje in het mechaniek van de maatschappij is en daarmee het heilloze massawerk helpt continueren, wordt met rust gelaten. Kunst en religie sussen hem in slaap en verdoven hem door hem in boeken en op het toneel hervormers, revolutionairen, kluizenaars, diepe minachting voor wet en gezag en zelfverloochening, vrijwillige armoede en honger, een vrij leven, een loochenen van de buitenwereld, onverschilligheid voor tegenspoed en het Koninkrijk Gods voor te spiegelen. Daar zal hij met diep ontzag die mensen en evangeliën vereren. Maar als hij zo iemand in levende lijve tegen zou komen, zou hij hem, verontwaardigd en bang, in de gevangenis of het krankzinnigengesticht op laten sluiten. Een moeilijk leven vol gevaren en magische krachten, waarin je ieder ogenblik de dood in de ogen kunt zien, maar waarin ten slotte de Rechtvaardigheid en het Zuivere Geweten zegeviert, kortom een leven, zoals wij het uit schuldgevoel zouden moeten leiden, maar dat we angstig ontvlucht zijn, is verbannen naar roman en melodrama. Dáár wordt het graag bewonderd, maar in het dagelijks leven gruwt men van zoiets. Het werkelijke leven eist aankleding, voor lichamen, gesprekken en omgang. Het hoort niet méér van zich te laten zien, dan wat bij het bekrompen leven hoort: het Hoofd, het Intellect en de in de maatschappij verrichte daden. Het hoort ook niet méér van elkaar te willen zien. Door derden verraste intimiteit wekt schaamte op. Maar Zelfinzicht ziet al die geklede lichamen, levens en opvattingen als lelijk, afschuwelijk, als innerlijk tegenstrijdig en als karikaturen. De Heiland uitgezonderd, kan iedereen als een karikatuur beschouwd worden.
Brouwer
ziet niet, net als overigens alle denkers en filosofen
vóór hem, dat het
geconstrueerde archetype van “De Heiland”, de ware mens, in alle kleine
kinderen gevonden kan worden. Voor alle kleine kinderen, zonder
wereldbeeld,
zonder verleden en toekomst, gedachtenloos en onbevangen, zijn
volwassenen
inderdaad karikaturen.
Naaktheid, in de ruimste zin des woords, wordt slechts in het afgesloten intellect bewonderd. Men gaat niet daadwerkelijk over tot de lange moeizame tocht vol pijn in ziel en stoffelijke leven, vol smart en ziekte, van het opgeven van het intellect en dan een voor een van alle hartstochten, waarbij elke stap nieuw verdriet en noodzakelijkerwijs een nieuwe stap teweegbrengt. Waarbij men zich pas langzaam voelt herrijzen tot die uiteindelijk doorbrekende met littekens overdekte naaktheid. Er is geen rustpauze op die weg. Wie eenmaal begonnen is en dán blijft staan, heeft het nog moeilijker, dan wie rustig blijft zitten waar hij zit.
Weer
mens worden, weer worden als de kleine kinderen, je ontdoen van alle
aangeleerde ballast, is in elke cultuur een moeizame weg, omdat het een
taboe
is om de spelregels van het bizarre spel wat de mensen spelen ter
discussie te
stellen. De vragen “waartoe” en “waarom” zijn verboden en niet meedoen
wordt
genadeloos afgestraft. Kritiekloze aanpassing aan de kudde is het
hoogste goed,
accepteren dat er toch geen uitweg is en dat je er dan maar het beste
van moet
maken. Maar wie eenmaal gaat twijfelen, wie zich af durft te vragen
waar we met
z’n allen mee bezig zijn, die zelf durft te kijken en onder ogen durft
te zien
dat het misschien allemaal anders is, verlaat de kudde en kan niet meer
terug.
Zo is een vegetariër, die in zijn oude omgeving blijft hangen, een onmogelijkheid. Zo’n situatie volhouden, toont een meer dan gemiddeld onbeschoft gedrag en laat zien dat het vleeseten niet uit een innerlijke drang, maar uit een bespottelijke wens of een bespottelijke na-aperij wordt nagelaten. De vruchten van onze beschaving en macht over andere mensenrassen staan in nauw verband met ons vleesgebruik. Zo’n vegetariër is dus een parasiet. Die parasiterende halfslachtigheid gaat voor de meeste mensen, die vegetarisme, Vrije Liefde en anarchisme in praktijk brengen, op. De sociaal-democratie is, vergeleken met al die kleine evangelietjes, van die weerzin-wekkendheid vrij. De immorele en ontaarde levens worden in de lelijkheid en ziekelijkheid van de lichamen weerspiegeld. Al die geklede en gekunstelde mensen, die starre maskers van automaten, laten het onbedorven instinct schrikken. En ook hier wordt de hang naar beter gesust. De medische industrie tracht voor de verbannen lichamen een quasi-normale toestand te handhaven. De honger naar vechten (onjuist, want honger naar vechten is een cultureel artefact) en leven in de vrije natuur wordt door dieetvoorschriften en medicijnen afgeleid en de hang naar buitenlucht wordt met name door overvoeding afgeleid. Gymnastiek en sport sussen het lichamelijke geweten door schijnbevrediging. En in badplaatsen en sanatoria heeft de vis medicatrix naturae, die de meedogenloze doodsvijandin van de cultuur zou moeten zijn, in dienst van haar overweldigster, nederig het lakeienkleed aangetrokken. De medische industrie was bij barbiers en kwakzalvers in juiste handen. Bedreven als medische wetenschap in het afgesloten intellect, treft ze veel minder doel.
De
tol die de mensen voor hun onnatuurlijke leven betalen is gruwelijk. In
een
gekunstelde wereld leiden ze een gekunsteld bestaan en voor de
symptomen die
dat oplevert is een immense gezondheidsindustrie in het leven geroepen,
die
ervoor zorgt dat het gekunstelde bestaan gecontinueerd kan worden, door
de
symptomen weg te snijden, weg te stralen en met chemicaliën te
onderdrukken. De
geneeskunde is de lakei van de cultuur.
Ook binnen het gesloten systeem van de wetenschap schept de manifestatie van het Zelf behoeften, die binnen datzelfde systeem bevredigd worden. Ook in de wetenschap bestaat honger naar iets hogers, maar die wordt gestild met openbaringsgeloofsartikelen, metafysica, moraal- en kunstfilosofie, spiritisme en theosofie, die allemaal de mens aan de misstappen van de wetenschap overgeven, aan het geloof in werkelijkheid en logisch denken. Ook hier bestaat in plaats van een reddende vlucht uit aardse ketenen, slechts stolling tot ongevoeligheid in een schijnevenwicht, ten koste van een steeds verdere complicatie van de behoeften, steeds slechtere levensomstandigheden, steeds zwaarder werk en een steeds verder afdwalen. Een enkele maal breekt het Geweten in deze maatschappij door, verlost van de banden met die tragische wereld. Zo manifesteert zich bij velen rond de achttien jaar een zuiver centrale en niet zomaar artistieke bewondering voor Dromers, Monniken en Kluizenaars en enkele van hen kunnen niet anders, dan zich min of meer weigeren te buigen voor wat de bezadigden het Leven noemen. Zij kunnen niet anders dan een hartgrondige, dat is een in het hart en niet in het hoofd gegronde, spot voelen voor alle vruchten van de cultuur, voor alle medearbeiders in de maatschappelijke chaos, voor alle medebouwers aan de toren van Babel, voor alle talentvolle koorddansers en goochelaars, die trots zijn op iets, waarvoor ze zouden moeten vluchten en zich zouden moeten schamen, en voor maatschappijverbeteraars van alle gezindten, die doen alsof God ons in het Leven geplaatst zou hebben om Zijn werk te verbeteren. Maar
dat vrije Geweten blijft niet in leven. De dressuur, die het inspint,
ligt op
de loer. Eerst beseffen ze dat er geen werk te verrichten is en dat er
niets
moois en niets belangrijks is. Vervolgens gaan ze zoeken naar wat nog
mooier en
nog belangrijker is, dan wat de mensen vragen. En uiteindelijk buigen
ze het
hoofd nog verder en worden een eerzaam lid van de samenleving, lakei in
het grote
paleis van verdorvenheid. Ze worden Lakeien met al hun lafheid voor de
meester
en al hun wreedheid voor de vreemdeling, met verachtelijk en
vernederend werk,
parasiteren tegelijkertijd stuitend onrechtvaardig en zijn bang voor
het eigen
vege lijf.
|